zinsbouw

‘Dan’ als bijwoord of voegwoord

dan bijwoord of voegwoord

Kan dan een voegwoord zijn?

Het woord dan kan zowel een bijwoord als een voegwoord zijn. Dat heeft gevolgen voor de woordvolgorde van het deel van de zin waar dan in staat. Het is voor cursisten dus belangrijk om de verschillende gebruikswijzen van dan te onderscheiden.

Dan als bijwoord

Als bijwoord geeft dan een toekomstig tijdstip, voorwaarde of modaliteit aan.

  • Volgend jaar word ik 50, dan geef ik een groot feest. (toekomstig tijdstip)
  • Als je op tijd wilt komen, dan moet je nu vertrekken. (voorwaarde)
  • Ruim dan eens je kamer op! (modaliteit)
  • A: Ik kijk nooit televisie! B: En vorige week dan? (modaliteit)

Als bijwoord van voorwaarde kan dan ook goed worden weggelaten uit een zin. Als je op tijd wilt komen, moet je nu vertrekken is ook goed.

Interessanter is de eerste voorbeeldzin. Die is redelijk informeel; veel mensen zullen geneigd zijn en tussen de delen te zetten: Volgend jaar word ik 50 en dan geef ik een groot feest. Uiteraard is dat ook goed, maar dat wil niet zeggen dat ze zin zonder en fout is. Er is bij deze zin nog een mogelijkheid: dan kan ook na de persoonsvorm staan. Er komt dan een puntkomma tussen de twee hoofdzinnen: Volgend jaar word ik 50; ik geef dan een groot feest. Dit is een mogelijkheid die bij meer bijwoorden bestaat. Denk ook aan het woord dus.

Dan als onderschikkend voegwoord

Daarnaast kan dan ook een voegwoord zijn. Meestal is het een onderschikkend voegwoord van vergelijking: Hij kan beter fotograferen dan ik. Je kunt de bijzin hier aanvullen tot bijvoorbeeld dan ik dat kan. Je ziet dat het werkwoord dan aan het eind van de zin staat – een typisch kenmerk van bijzinnen.

In de grote Van Dale staat ook nog dat dan gebruikt kan worden als onderschikkend bijwoord van graadaanduidend gevolg. Een voorbeeldzin daarbij is: Hij is te trots dan dat hij zoiets zou aannemen. Dit lijkt mij wat verouderd.

Dan als nevenschikkend voegwoord

Onze Taal en de ANS zeggen bij dan dat het ook nog een nevenschikkend voegwoord kan zijn, maar dat komt weinig voor. We gebruiken het bijvoorbeeld in de combinatie dan wel en in de uitdrukkingen ja dan nee en al dan niet.

  • Plastic afval kan gescheiden worden ingezameld dan wel na inzameling worden gescheiden.

Oefenen in de les

NT2-cursisten zullen lang niet alle gebruikswijzen van dan tegenkomen. Het gebruikelijkst zijn natuurlijk de als-dan-constructie en dan in vergelijkingen. Die kun je heel goed los van elkaar oefenen. Als er cursisten zijn die je ernaar vragen, dan kun je uitleggen dat het om verschillende betekenissen gaat. Het is niet nodig dat cursisten precies kunnen benoemen of dan in een zin een voegwoord of een bijwoord is; je kunt beter van de betekenis uitgaan. Dat is veel makkelijker te begrijpen.

Bij zinnen van het type Volgend jaar word ik 50, dan geef ik een groot feest kun je bij gevorderde cursisten (B2) uitleggen dat dan ook verderop in de zin kan staan. Je kunt dat eventueel combineren met woorden als dus, ook en misschien, waarvoor hetzelfde geldt. Je kunt dit bijvoorbeeld oefenen met Flippity, met een manipulatives-oefening. Maak geef je cursisten enkele zinnen, waarbij je elk zinsdeel op een apart ‘kaartje’ zet. Laat de zinnen vervolgens in de goede volgorde leggen en bespreek welke mogelijkheden er allemaal zin.

Je kunt ook oefenen met een gesprek over de toekomst. Geef een begin, bijvoorbeeld: Over twee maanden  is het zomer, en laat die afmaken met een zin met dan.

Achtergeplaatste voorzetsels

achtergeplaatste voorzetsels

Wat is het verschil tussen ‘Zij lopen in het bos’ en ‘Zij lopen het bos in’?

Eigenlijk is dat heel simpel: in het bos verwijst naar een plaats en het bos in naar een richting. De Algemene Nederlandse Spraakkunst noemt dit ‘achtergeplaatste voorzetsels’, andere boeken spreken hier ook wel van bijwoorden. Ik hou het op achtergeplaatste voorzetsels, omdat ze nog steeds één zinsdeel vormen met een zelfstandig naamwoord. Het gaat (vrijwel) altijd om combinaties met werkwoorden van beweging.

Scheidbare werkwoorden

Soms kan er verwarring zijn met scheidbare werkwoorden. Het verschil wordt zichtbaar in bijvoorbeeld de voltooide tijd.

  • Zij lopen het bos in – Zij zijn het bos in gelopen.
  • Hij loopt zijn nieuwe schoenen in – Hij heeft zijn nieuwe schoenen ingelopen.

Overigens is het verschil in spelling soms wat arbitrair. Er zijn ook naslagwerken die hier Zij zijn het bos ingelopen zouden schrijven.

Voorzetsel of bijwoord

Voorzetsels van plaats kunnen vaker ook als bijwoord gebruikt worden. Denk daarbij aan woorden als achter, beneden, binnen, boven, buiten, voor en voorbij. Achter, voor en onder veranderen dan bovendien in achteren, voren en onderen als ze na naar komen. Dit is niet helemaal hetzelfde geval als bij de achtergeplaatste voorzetsels, omdat deze bijwoorden niet bij een zelfstandig naamwoord horen.

  • De keuken is onder de slaapkamer. (voorzetsel)
  • Ik moet de auto even van onderen bekijken. (bijwoord)
  • Je moet binnen de lijntjes kleuren. (voorzetsel)
  • Ik blijf vandaag de hele dag binnen. (bijwoord)
Oefenen in de les

Je cursisten komen dit waarschijnlijk pas op een wat hoger niveau tegen. Bespreek vooral het verschil tussen richting en plaats. Het spellingverschil met scheidbare werkwoorden is pas op zeer hoog niveau (B2 of hoger) van belang.

Je kunt je cursisten een aantal werkwoorden van beweging geven en een aantal locaties, bijvoorbeeld met plaatjes, kaartjes of een oefening met Flippity. Daar laat je ze zinnen mee maken die gaan over de plaats of de richting.

Je kunt ook een zin zeggen de cursisten (bijvoorbeeld op een (virtueel) whiteboard) laten tekenen wat je zegt. Denk dan aan zinnen als ik loop de trap op, de auto rijdt in de straat enz.

Volgorde meerdere werkwoorden

volgorde meerdere werkwoorden

Wat is de volgorde als een zin eindigt op meerdere werkwoorden?

Sommige zinnen eindigen op meerdere werkwoorden. Dat kunnen er twee zijn, maar ook drie, of zelfs vier – al is dat uitzonderlijk. Wat is dan de onderlinge volgorde van die werkwoorden? Dat hangt af van welke werkwoorden het zijn, en in welke vorm ze staan.

Combinaties van twee of meer infinitieven

Een zin die eindigt op twee of meer infinitieven, heeft het hoofdwerkwoord (dat het belangrijkst is voor de betekenis van de zin) als laatste.

  • We kunnen volgende week wel komen eten.
  • Wat een mooie stad! Hier zou ik wel voor altijd willen blijven wonen!

Combinaties met een persoonsvorm en een of meer infinitieven

Een tweede mogelijkheid is dat een (bij)zin eindigt op een modaal werkwoord en een infinitief. De volgorde is dan vrij. Voor de meeste mensen is het het gewoonst om te beginnen met de infinitief. Bij drie (of meer) werkwoorden komt de persoonsvorm als eerste en het hoofdwerkwoord als laatste.

  • Ik vroeg wat ze wilde drinken.
  • Ik vroeg wat ze drinken wilde.
  • Ik vroeg wat zou willen drinken.

Als een van de werkwoorden komen, blijven, laten, doen, horen, zien, helpen of leren is, dan staat dit meestal voor de andere infinitieven.

  • Heb jij hem dat horen zeggen?
  • Hij beloofde dat hij haar zou helpen verhuizen.

Combinaties met een voltooid deelwoord

Als een (bij)zin eindigt op een persoonsvorm en een voltooid deelwoord, dan is de volgorde vrij. Er is geen voorkeur voor een van beide volgordes, en er is ook geen betekenisverschil.

  • Ik boek mijn vakantie als ik mijn salaris heb gekregen.
  • Ik boek mijn vakantie als ik mijn salaris gekregen heb.

Als er nog een derde werkwoord bij staat, is dat altijd een modaal werkwoord. Je hebt dan dus een modaal werkwoord (de persoonsvorm), een infinitief en een voltooid deelwoord. Er zijn dan twee mogelijkheden:

  1. voltooid deelwoord – modaal werkwoord – infinitief: Uit camerabeelden bleek dat dit rond middernacht gebeurd moet zijn.
  2. modaal werkwoord – infinitief – voltooid deelwoord: Uit camerabeelden bleek dat dit rond middernacht moet zijn gebeurd.

De eerste van die twee mogelijkheden komt in spreektaal het meest voor.

Oefenen in de les

Voor een groot deel hoef je dit pas te behandelen als je cursisten er echt naar vragen. Dat gebeurt vaak op het moment dat ze een – voor hen – onverwachte volgorde tegenkomen, bijvoorbeeld een zin als Ik boek mijn vakantie als ik mijn salaris gekregen heb. Die ‘botst’ met de regel dat het voltooid deelwoord aan het eind van de zin staat. Ik probeer er zelf op te letten dat ik deze volgorde pas vanaf B1 aanbied, maar in boeken staat hij weleens, en ook in andere teksten of in gesprekken kunnen ze de volgorde gekregen heb tegenkomen. Meestal volsta ik met de uitleg dat beide volgordes mogelijk zijn.

Als jij – en je cursisten – het leuk vinden, kun je natuurlijk zinnen verzinnen met zo veel mogelijk werkwoorden achter elkaar. De regels hierboven kunnen je dan helpen om aan je cursisten uit te leggen welke volgordes goed zijn, en welke niet.

‘Aan het’ + infinitief

aan het infinitief

Hoe gebruik je de constructie aan het + infinitief?

De constructie aan het + infinitief heet ook wel een duratief. Dat wil zeggen dat het gaat om een handeling die enige tijd duurt, en waar niet per se een eind aan zit. De infinitief moet ook echt een handeling uitdrukken. De volgende zinnen zijn bijvoorbeeld niet mogelijk:

  • Ik ben een televisie aan het hebben. (hebben is niet iets wat je doet)
  • Hij was de finish om 14.03 aan het bereiken. (dit duurt niet enige tijd)

Het hulpwerkwoord bij aan het + infinitief is meestal zijn, maar ook de werkwoorden blijken, lijken, schijnen, blijven, gaan, raken, slaan, brengen, maken, krijgen, zetten, hebben¸ houden, horen, zien en vinden zijn mogelijk. Enkele voorbeelden:

  • Haar vraag bracht me aan het twijfelen.
  • Na veel gedoe kregen we de motor weer aan het draaien.
  • De matrozen sloegen aan het muiten.

Als er nog een lijdend voorwerp bij staat, komt dat meestal voor aan het, maar als het lijdend voorwerp nauw verbonden is met de infinitief, kan het er ook wel tussen komen, maar heel gewoon is dat niet.

  • Zijn jullie nou alweer aan het ruzie maken!
  • Simon is aan het koffie zetten.

Engels

Deze constructie lijkt erg op de Engelse -ing-vorm (het gerundium of de present continuous), maar ze zijn niet helemaal hetzelfde. De constructie aan het+ infinitief is altijd gekoppeld aan een specifiek moment, nu of in het verleden, bij het Engelse gerundium is dat niet per se het geval.

  • Het is aan het regenen, dus ik blijf binnen.
  • Ik ben aan het koken, dus ik kan de deur niet opendoen.
  • Ik wilde op de fiets gaan, maar het was aan het regenen.
Oefenen in de les

Je kunt deze constructie het best introduceren tussen A1 en A2 in, met alleen het hulpwerkwoord zijn. De andere mogelijkheden komen echt pas op B1 of B2. Je kunt dit heel goed oefenen met een praatplaat of bijvoorbeeld een schilderij. Denk bijvoorbeeld eens aan Jan Steen (kan je meteen het gezegde ‘een huishouden van Jan Steen’ bespreken) of Hendrick Avercamp. Eigenlijk is elke afbeelding waarop veel mensen verschillende dingen aan het doen zijn goed. Zoek vooral iets wat aansluit bij het thema van je les.

Om de verleden tijd te oefenen kun je vragen naar gisteren: ‘Wat deed je gisteren om 8.00 uur?’ ‘Om 8.00 uur was ik aan het ontbijten.’

Ook een leuke oefening, uit het boek Zichtbaar Nederlands: werk in duo’s en laat cursisten om de beurt uitbeelden dat ze iets doen. De ander vraagt: ‘Ben je iets aan het eten?’ ‘Ja, maar wat?’ ‘Ben je een appel aan het eten?’ ‘Nee.’ ‘Ben je taart aan het eten?’, enz. tot het geraden is. Daarna ruil je om.

Het imperfectum

imperfectum

Hoe maak en gebruik je het imperfectum?

Het Nederlands kent twee verschillende verleden tijden: het imperfectum (de onvoltooid verleden tijd) en het perfectum (de voltooid tegenwoordige tijd). Hier lees je meer over de keuze tussen die twee tijden.

Vorm

Om een zin in het imperfectum te zetten, heb je geen extra werkwoord nodig. Je verandert alleen de vervoeging van de persoonsvorm. Bij samengestelde zinnen verander je meestal alle persoonsvormen, maar daar kunnen uitzonderingen op zijn.

  • De jongens maken het eten klaar.
  • De jongens maakten het eten klaar.
  • De jongens maken het eten klaar terwijl hun ouders wandelen.
  • De jongens maakten het eten klaar terwijl hun ouders wandelden.
  • De vrouw zegt dat de jongens het eten klaarmaken.
  • De vrouw zegt dat de jongens het eten klaarmaakten.

In het imperfectum hebben Nederlandse werkwoorden maar twee vormen: enkelvoud en meervoud. Dat geldt voor álle werkwoorden, zwak, sterk en onregelmatig. De meeste werkwoorden zijn zwak. Die vorm je door de uitgang -de(n) of -te(n) achter de ik-vorm van het werkwoord te zetten. Voor de keuze tussen d en t kun je gebruikmaken van ’t kofschip (of soft ketchup). Van de onregelmatige en zwakke werkwoorden zijn geen vaste regels te geven; die moet je per stuk leren.

Gebruik

De Nederlandse benaming voor het imperfectum is, zoals gezegd ‘onvoltooid verleden tijd’. Dat ‘onvoltooid’ geeft al aan dat de handeling als niet-voltooid, of langer durend wordt gezien. Je gebruikt het imperfectum dan ook bij beschrijvingen, bijvoorbeeld als je vertelt waar een boek of film over ging, of over iets wat je vroeger deed. In langere teksten is er een neiging om het imperfectum te gebruiken voor bijkomstigheden, en het perfectum voor belangrijke elementen.

Oefenen in de les

Voor zover ik weet, behandelen alle NT2-methodes eerst het perfectum en daarna het imperfectum. Dat is ook logisch, omdat het perfectum veel meer gebruikt wordt. Een paar heel frequente vormen, zoals was en had hebben veel cursisten dan trouwens al opgepikt.

Bij het imperfectum begin ik vaak met de vorm. Geef bijvoorbeeld wat zinnen met zwakke werkwoorden in het imperfectum en bespreek aan de hand daarvan de vorm met je cursisten. Zien ze zelf hoe deze vorm is afgeleid van de infinitief? En het verschil tussen enkelvoud en meervoud? Het is handig om je cursisten te wijzen op het feit dat perfectum en imperfectum altijd beide een d of beide een krijgen. De meervoudsvorm is ook nog weleens lastig, omdat de slot-n niet wordt uitgesproken.

Het kan goed zijn om eerst even expliciet de vorm te oefenen. Geef bijvoorbeeld tien werkwoorden en laat die in het imperfectum zetten. Laat daarna ook zinnen maken. Dat kun je op verschillende manieren doen. Je kunt een rad maken (bijvoorbeeld met Wheeldecide of Flippity) met daarin een aantal bekende werkwoorden en daar zinnen mee laten maken. Je kunt ook voor een verhaalvorm kiezen. Laat bijvoorbeeld iets vertellen over vroeger. Of kijk een grappig filmpje en laat navertellen wat er gebeurde. Ook kun je een verhaal (in het presens) lezen en dat laten navertellen in het imperfectum. Maak een mix van mondelinge en schriftelijke oefeningen, zodat je alle vaardigheden oefent en meer afwisseling hebt.

Een heel leuk liedje om te gebruiken voor het imperfectum is Heel lang geleden van Yentl en De Boer. Daar zitten veel onregelmatige werkwoorden in.

Woordvolgorde: waar staat ‘ook’?

woordvolgorde waar staat ook

Ik vind pizza ook lekker / lekker ook

Ook is een bijwoord, en zo gedraagt het zich ook. Bijwoorden kunnen op verschillende plekken in de zin staan, afhankelijk van het soort zin of het deel van de zin waar ze bij horen. Het gaat hier vooral om ook, maar andere bijwoorden gedragen zich dus vrijwel hetzelfde.

Als ook over het werkwoord of de hele zin gaat, staat het zo ver mogelijk aan het eind van de zin. Dus: op de laatste plaats, of voor het tweede werkwoord.

  • Ik ken jouw buren ook.
  • Gisteren heeft het ook geregend.
  • Morgen kunnen we ook komen.
  • Peter vraagt of jullie ook komen.

Als ook hoort bij een woordgroep die met een voorzetsel begint, een bijvoeglijk naamwoord, of een niet-specifiek zelfstandig naamwoord staat het daarvoor. 

  • Simon gaat ook op de fiets naar school.
  • Ik vind pizza ook lekker.
  • Sara vertelt dat ze ook een nieuwe laptop wil.

In een negatieve zin komt ook normaal gesproken vóór niet.

  • Sara tennist ook niet.
  • Morgen kunnen we ook niet komen. 
  • Ik vind pizza ook niet lekker.

In sommige zinnen kan niet voor ook staan, maar de betekenis is dan wel anders. Je ontkent dan het woord ookOok krijgt dan meestal ook meer nadruk in de uitspraak.

  • We kunnen niet ook morgen komen.
  • Ik heb al koffie. Ik wil niet ook thee.
Oefenen in de les

Veel cursisten willen het woordje ook al vrij snel gebruiken. Je kunt ze in het begin enkele vaste formules aanleren, zonder de regels al te veel uit te leggen. In een les over eten en drinken kun je bijvoorbeeld Ik vind … ook lekker aanleren. 

Pas op een wat hoger niveau heeft het zin om specifieker met ook te oefenen. Het is handig als je cursisten dan de plaats van niet al goed kennen, want eigenlijk gedragen ook en niet zich hetzelfde in de zin (het zijn immers allebei bijwoorden). Bij een sterke groep kun je op die parallel wijzen, maar let erop dat je cursisten niet de in war raken. Oefen eerst met positieve zinnen, en pas later met negatieve. Als je nog verder bent, kun je ook nog oefenen met bijzinnen, als je merkt dat je cursisten daar fouten in maken.

Je kunt je cursisten in tweetallen laten werken en ze allebei een (andere) lijst met zinnen geven, die aansluiten bij het thema van je les, of je geeft willekeurige zinnen.  Bedenk van tevoren met welk type zinnen je wilt laten oefenen:

  • Zinnen met één werkwoord.
  • Zinnen met twee werkwoorden.
  • Ook een voorzetsel.
  • Ook bij een bijvoeglijk naamwoord
  • Ook bij een niet-specifiek zelfstandig naamwoord.

Als het de eerste keer is dat je hiermee oefent, zou ik kiezen voor losse oefeningen met steeds 5 zinnen van elk type. Bij een herhalingsoefening is het juist zinvol om de verschillende types door elkaar te gebruiken. Cursist A leest een zin voor en cursist B herhaalt de zin met ‘ook’.

A: Ik heb een zus.
B: Ik heb ook een zus.
A: Ik heb twee broers.
B: Ik heb ook twee broers.

Je kunt ook je cursisten zelf de regel laten ontdekken. Geef ze dan een lijst met zinnen met ook (alle types), laat dat onderstrepen en laat ze vervolgens de regel formuleren. Daarna kun je met zo’n oefening als hierboven controleren of ze de regel ook kunnen toepassen.

Goud is duurder dan zilver

Wanneer gebruik je dan en wanneer als?

De regels voor het gebruik van dan en als zijn eigenlijk niet zo ingewikkeld. Dan gebruik je na een vergrotende trap en na de woorden anderanders en andere.

  • Goud is duurder dan zilver.
  • Frans klinkt anders dan Nederlands.
  • Ik wil andere films kijken dan jij.

Als gebruik je na de woorden evenzo en net zo.

  • Simon is even oud als Catherine.
  • Het Noordpoolgebied warmt twee keer zo snel op als de rest van de aarde.
  • Vrouwen drinken net zo veel alcohol als mannen.

De moeilijkheid zit er natuurlijk in dat ook veel Nederlanders deze regels niet volgen. Dat heeft ermee te maken dat deze regels in de zeventiende eeuw bedacht zijn. In spreektaal zijn ze nooit echt gaan leven. Meer daarover lees je op de website van Onze Taal.

Oefenen in de les

Als je dit behandelt, let er dan op dat je de keuze tussen dan en als niet ophangt aan ‘gelijkheid’ en ‘ongelijkheid’. Zo onthouden veel Nederlanders de regels, wat leidt tot zinnen als ‘Dat is vijf keer zo veel dan in Duitsland.’ Je kunt je NT2-cursisten dus prima bovenstaande ‘officiële’ regel aanleren, en ze daarbij vertellen dat het in de praktijk vaak anders zullen horen. Bedenk goed hoe ‘streng’ je wilt zijn in het handhaven van de regel. Dat hangt wat mij betreft erg af van het doel van je cursisten. Willen zij uiteindelijk op redelijk hoog niveau (schritelijk) communiceren? Dan is het handig als ze de regel goed kennen. 

Je gebruikt deze constructie natuurlijk om zaken met elkaar te vergelijken. Laat bijvoorbeeld plaatjes zien van twee voorwerpen of personen, en laat je cursisten zoeken naar verschillen of overeenkomsten, waarbij ze deze constructies moeten gebruiken. In een fysieke les kun je misschien ook je cursisten zelf als ‘voorwerpen’ gebruiken, en ze laten vergelijken op aspecten als leeftijd, lengte (ook haarlengte), enz. Laat ze ook naar details kijken: wie heeft hogere hakken of grotere handen? Nog een optie is om je cursisten allemaal een aantal knikkers (of andere kleine voorwerpen) te geven, en die hoeveelheden met elkaar te laten vergelijken. Dit kun je natuurlijk ook in een online les doen: maak dan plaatjes van bijvoorbeeld een hand, met daarin een aantal knikkers. Zet er namen bij, of geef de handen allemaal verschillende kleuren, om het praten over de handen makkelijker te maken.

Combineren en samenvallen van er

combineren en samenvallen van er

Er in ‘Er zijn er drie’

Het woordje er is voor veel cursisten één van de lastigste woorden van het Nederlands. Je kunt het op vier verschillende manieren gebruiken: presentatief, locatief, prepositioneel en kwantitatief. En dan zijn er nog zinnen waarin die vormen gecombineerd worden of samenvallen.

In sommige zinnen lijkt het lastig om vast te stellen met welk er je precies te maken hebt. Kijk bijvoorbeeld naar onderstaande gesprekjes.

  • Wat ligt er op de tafel? Er liggen kranten op.
  • Hoeveel kaarsen hebben we nog? Er liggen er drie in de kast.

In de eerste zin is er zowel presentatief als prepositioneel. In de tweede zin staat twee keer er: het eerste is presentatief en het tweede is kwantitatief. De Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) beschrijft verschillende mogelijkheden voor het combineren en samenvallen van er.

Als er het eerste woord van de zin is, kan presentatief er samenvallen met locatief of prepositioneel er.

  • Hoe kom ik in Noordwijk? Er gaat een bus naartoe. (presentatief en prepositioneel)
  • Ik keek in de kast en er lag niets. (presentatief en locatief)

Als je presentatief er op de eerste zinsplaats wilt combineren met kwantitatief er, komt er twee keer er in de zin. Die twee kunnen niet direct na elkaar staan.

  • Hoeveel bekers zijn er? Er zijn er drie.

Als er op een andere plek op de zin staat, zijn er veel meer mogelijkheden. Er kan dan twee of zelfs drie functies tegelijk hebben.

  • Hoeveel bekers heb je nodig? Hier staan er zeven. (presentatief + kwantitatief)
  • Rome heeft heel veel kerken. Zeker 900 zijn er. (presentatief + locatief)
  • Hoe kom ik in Noordwijk? Een bus gaat er vast wel naartoe. (presentatief + prepositioneel)
  • In onze straat zijn veel bakfietsen. Wel tien heb ik er geteld. (kwantitatief + locatief)
  • Gaston Dorren schrijft veel boeken over taal. Hij heeft er zeker vijf over geschreven. (kwantitatief + prepositioneel)
  • Gisteren waren er nog een heleboel koekjes in de trommel. Nu zijn er nog maar drie. (presentatief + locatief + kwantitatief)
  • De deelnemers haakten een voor een af. Aan het eind van de dag waren er nog maar twee over. (presentatief + kwantitatief + prepositioneel)
Oefenen in de les

Het is de vraag of het echt nodig is om aandacht te besteden aan het samenvallen van meerdere soorten er, maar het is als docent wel goed om je bewust te zijn van het fenomeen. Als er vragen over komen van cursisten, kun je die in elk geval beantwoorden.

Het is wél goed om aandacht te besteden aan het feit dat er ook twee keer in een zin kan staan. Om daarmee te oefenen kun je vragen gebruiken waarin je een onbepaald subject combineert met een aantal.

In het boekje Wat is er? van Martine Pirreault staan ook hiervoor oefenzinnetjes, in het hoofdstuk ‘gemengde oefeningen’. Je kunt ook inspiratie opdoen op deze website. De vragen daar zijn wel in het Engels, maar ze zijn makkelijk om te zetten naar Nederlands.

Als je alle vormen van er behandeld hebt, is het goed om die ook door elkaar te gebruiken. Je kunt bijvoorbeeld een korte tekst geven waarin er steeds is weggelaten. Kunnen de cursisten bedenken waar het zou moeten staan? Of leg ze zinnen met en zonder er voor en vraag of die goed of fout zijn. Uiteindelijk is het natuurlijk niet belangrijk dat je cursisten alle functies van er precies kunnen benoemen, maar wel dat ze het woord goed kunnen gebruiken. Leg daar altijd de nadruk op.

Kwantitatief ‘er’

kwantitatief er

Er in ‘Ik heb er twee gegeten’

Het woordje er is voor veel cursisten één van de lastigste woorden van het Nederlands. Je kunt het op vier verschillende manieren gebruiken: presentatief, locatief, prepositioneel en kwantitatief. Ook kunnen verschillende vormen van er gecombineerd worden.

Bij het gebruik van het kwantitatieve er zijn er nogal wat regionale verschillen. In de standaardtaal verwijst dit er naar een zelfstandig naamwoord, en staat het in de buurt van een telwoord. Je kunt dit er niet vervangen door hier of daar, zoals bij het locatieve er. Voorbeelden zijn:

  • Hoeveel cadeautjes krijgt zij? Ze krijgt er tien.
  • Heb je de vijf verschillen al gevonden? Nee, ik zie er maar drie.
  • We hebben nu drie aanmeldingen, maar we hebben er meer nodig.

De hoeveelheid kun je aanduiden met een hoofdtelwoord (zoals tien en drie), maar ook met onbepaalde voornaamwoorden, zoals enkelewatgenoegvoldoende. Ook woorden als een heleboel of geen kunnen met het kwantitatieve er voorkomen.

  • Hebben we nog mandarijnen? Ja, we hebben er een heleboel.
  • Hebben we nog mandarijnen? Nee, we hebben er geen meer.

Voor de hoeveelheidsbepaling kun je met een woord als nogmaaralwel of meer een oordeel over het aantal geven. 

  • Hoeveel koekjes heb je gegeten? Ik heb er maar twee gegeten.
  • Hoeveel koekjes heb je gegeten? Ik heb er wel twee gegeten.
  • Hoeveel koekjes heb je gegeten? Ik heb er nog maar twee gegeten.

Soms staat er in de zin ook nog een nabepaling; de hoeveelheidsaanduiding kan dan ook achterwege blijven.

  • Ik heb geen boeken over geschiedenis, maar ik heb er wel (veel) over sport.

Zoals gezegd zijn er regionale verschillen; in België en het zuiden van Nederland vinden veel mensen de volgende zinnen ook juist. ‘Boven de rivieren’ zijn deze zinnen voor de meeste Nederlanders niet mogelijk:

  • Gisteren heb ik appels gekocht bij de groenteboer, maar vandaag ga ik er kopen in de supermarkt.
  • Heb je ballen bij je? Ja, ik heb er bij me.
  • Telkens als jij vallende sterren ziet, zie ik er ook.

Meer over deze regionale verschillen vind je in de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS).

Plek in de zin

Ook het kwantitatieve er staat in hoofdzinnen meteen na de persoonsvorm. In hoofdzinnen met inversie en bijzinnen staat het na het onderwerp. Maar in zinnen met een wederkerend voornaamwoord staat het pas na dat voornaamwoord.

  • Ik zie maar twee pakken koffie, terwijl ik er drie had gekocht.
  • Weet jij nog alle namen van je klasgenoten op de basisschool? Even denken … Ik kan me er drie herinneren.

Een ontkenning staat na er, en voor de hoeveelheidsaanduiding.

  • Hebben we nog mandarijnen? Nee, we hebben er geen meer.
  • Ik zie twee pakken koffie, maar hadden we er niet drie?
Oefenen in de les

Het kwantitatieve er is voor cursisten relatief goed te leren, hoewel ze erg moeten wennen aan het idee dat het grammaticaal nodig is. Maar de duidelijke verwijzing helpt bij het leren. Wijs daar bij het oefenen ook op. Je kunt dit natuurlijk goed oefenen door allerlei vraag-antwoordoefeningen over telbare zaken. Je kunt cursisten zelf vragen laten bedenken, of werken met plaatjes of bijvoorbeeld een tool als Wheeldecide.

In het boekje Wat is er? van Martine Pirreault staan ontzettend veel zinnetjes waarmee je kunt oefenen. Je kunt ook inspiratie opdoen op deze website. De vragen daar zijn wel in het Engels, maar ze zijn makkelijk om te zetten naar Nederlands.

Let erop dat je ook oefent met inversie en bijzinnen, en als je cursisten wat verder gevorderd zijn, is het leuk (en goed) om te experimenteren met de gevoelswaarde van toevoegingen als nogmaar en al.

Prepositioneel ‘er’

prepositioneel er

Er in ‘Ik hou er niet van’

Het woordje er is voor veel cursisten één van de lastigste woorden van het Nederlands. Je kunt het op vier verschillende manieren gebruiken: presentatief, locatief, prepositioneel en kwantitatief. Ook kunnen verschillende vormen van er gecombineerd worden.

Prepositioneel er staat altijd samen met een voorzetsel in de zin. Samen vormen zij wat officieel een ‘voornaamwoordelijk bijwoord’ wordt genoemd. Dit is een combinatie van een bijwoord als erhierdaarwaarnergens of ergens en een voorzetselbijwoord (een voorzetsel met de functie van een bijwoord). Voorbeelden van voornaamwoordelijke bijwoorden zijn eraanhierbij en waarvoor. In functie lijken voornaamwoordelijke bijwoorden op voornaamwoorden: ze verwijzen naar een ander woord, of naar een bijzin die nog volgt. 

  • Wil je een stukje marsepein? Nee dank je, ik hou er niet van.
  • We zullen er volgende keer aan denken.
  • Heb jij nog munten met Beatrix erop?
  • We zorgen ervoor dat alles op tijd geregeld is.

Deze combinaties verwijzen altijd naar zaken of naar dieren. Om naar mensen te verwijzen, gebruik je de combinatie van een voorzetsel en een voornaamwoord.

  • Wacht je op Marieke? Ja, ik wacht op haar.
  • Zit Soufyan naast Diego? Ja, hij zit naast hem.

Er zijn ook een aantal vaste verbindingen waarin het voornaamwoordelijk bijwoord geen verwijzende functie heeft, maar een algemenere betekenis.

  • Je bent er gloeiend bij!
  • We trokken er met zijn allen opuit.
  • De stoute kinderen kregen ervanlangs.

Goede informatie over prepositioneel er vind je ook in de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS)

Plek in de zin

Net als het locatieve en presenatieve er komt het prepositionele er meteen na de persoonsvorm. In hoofdzinnen met inversie en bijzinnen staat het meestal na het onderwerp. Maar in zinnen met een wederkerend voornaamwoord of als het lijdend of meewerkend voorwerp veel nadruk krijgt, kan het ook pas daarna staan. 

  • We kunnen er ons niets van herinneren.
  • We kunnen ons er niets van herinneren.
  • Ze hebben er het vólgende op gevonden.
  • Ze hebben het vólgende erop gevonden.

Als het lijdend of meewerkend voorwerp een gereduceerde vorm van het persoonlijk voornaamwoord is of het, staat er hierna.

  • Je hebt het er wel over, toch?
  • Ik zal ‘m er goed voor betalen.

Het voorzetselbijwoord staat aan het eind van de zin, of voor het laatste werkwoord als er meerdere werkwoorden zijn. In ontkennende zinnen staat niet voor het voorzetselbijwoord.

  • Toen we bij het meer kwamen, sprongen we er meteen in.
  • We zullen er volgende keer aan denken.
  • Je moet er niet op rekenen.
Oefenen in de les

Het prepositionele er is voor veel cursisten lastig te leren. Het makkelijkst zijn de zinnen waarin de verwijzing heel duidelijk is. Het is dan ook handig om daarmee te beginnen. Je kunt bijvoorbeeld een klein balletje (of ander klein voorwerp) en een doosje meenemen naar de les, en daarmee het onderwerp introduceren. Je laat het balletje en het doosje zien, en doet het balletje erin. Dan vraag je: Waar is het balletje? Antwoord Het is erin. Daarna kun je andere posities laten zien: erboveneronderernaasterachter, enz. Je kunt ook plaatjes laten zien waarmee je dit kunt oefenen (de combinatie van een kat en een doos doet het dan bijvoorbeeld goed). Vervolgens kun je oefenen met combinaties van vragen en antwoorden met een duidelijk zelfstandig naamwoord in de vraag. Oefen ook met ontkennende zinnen, zodat ze leren dat niet voor het voorzetsel komt. Begin met korte zinnen, maar oefen ook met langere zinnen als We zullen het er straks, na de pauze, over hebben. Ook is het belangrijk om te oefenen met bijzinnen.
Nog wat andere werkvormen:

  • Maak in Wheeldecide een rad met werkwoorden met vaste voorzetsels en laat daarmee zinnen met er maken.
  • Geef een dictee met zinnen met en zonder er. Lees dat op natuurlijke toon voor; benadruk er dus niet. Horen ze het?
  • Laat een cursist een voorwerp in gedachten nemen (of wijs er één toe). De anderen moeten raden welk voorwerp het is door gesloten vragen te stellen als Kun je ermee schrijven?Kun je erop zitten?

In het boekje Wat is er? van Martine Pirreault staan ontzettend veel zinnetjes waarmee je kunt oefenen. Je kunt ook inspiratie opdoen op deze website. De vragen daar zijn wel in het Engels, maar ze zijn makkelijk om te zetten naar Nederlands.