werkwoorden

Sterke, zwakke en onregelmatige werkwoorden

sterke zwakke en onregelmatige werkwoorden

Wat betekenen de termen ‘sterk’, ‘zwak’ en ‘onregelmatig’ als het over werkwoorden gaat?

Werkwoorden hebben verschillende vervoegingen in de verschillende tijden. Bij de meeste werkwoorden is duidelijk herkenbaar wat hun infinitief is, omdat ze alleen een andere uitgang krijgen. Maar er zijn ook werkwoorden waarvan de klinker en/of de medeklinker verandert. Die verschillen beschrijven we met de termen ‘sterke’, ‘zwakke’ en ‘onregelmatige’ werkwoorden.

Zwakke werkwoorden

De meeste werkwoorden zijn regelmatig: werken – werkte – gewerktreizen – reisde – gereisd. Deze werkwoorden zijn duidelijk herkenbaar; de verleden tijd en het voltooid deelwoord worden volgens vaste patronen gevormd. In het Nederlandse onderwijs noemen we dit ‘zwakke werkwoorden’.

Half-regelmatige werkwoorden

Een kleine groep is half-regelmatig: de verleden tijd is regelmatig, maar het voltooid deelwoord eindigt op -en

Sterke werkwoorden

Bij een vrij grote groep werkwoorden verandert in de verleden tijd de klinker; het voltooid deelwoord eindigt op -en. Voorbeelden zijn: drijven – dreef – gedreven, ruiken – rook – geroken. Er zijn ook wat werkwoorden die alleen in de verleden tijd een andere klinker hebben. Voorbeelden daarvan zijn: dragen – droeg gedragenlopen – liep – gelopen. Er zijn werkwoorden met 2, 3 of 4 verschillende klinkers. In het Nederlandse onderwijs worden deze werkwoorden meestal ‘sterke werkwoorden’ genoemd.

Daarnaast is er een kleinere groep werkwoorden waarvan zowel de klinker als de medeklinker verandert, zoals bij kopen – kocht – gekocht en houden – hield – gehouden. In deze groep is het voltooid deelwoord vrij onvoorspelbaar. Dat kan op -en eindigen, maar ook op -d/-t. En ook de vormen gegaangestaan en gedaan vallen in deze groep. Meestal worden deze werkwoorden ook tot de sterke werkwoorden gerekend.

Onregelmatige werkwoorden

Tot slot is er een kleine groep onregelmatige werkwoorden. Deze werkwoorden zijn ook in de tegenwoordige tijd onregelmatig. Het gaat om het rijtje hebbenkunnenmogenmoetenwillenzullenzijn.

Je kunt werkwoorden ook indelen naar de manier waarop ze in zinnen gebruikt worden.

Oefenen in de les

In NT2-methodes wordt meestal alleen het onderscheid regelmatig – onregelmatig gehanteerd. Voordeel daarvan is dat je minder tijd kwijt bent aan het uitleggen van grammaticale termen. Een nadeel is echter dat het daardoor vaak een grote brij aan werkwoorden wordt. Het kan overzichtelijker te zijn om de werkwoorden in groepen te oefenen. Welke termen je daarbij hanteert, is dan niet zo belangrijk.

Je kunt hieronder een overzicht downloaden met de half-regelmatige en sterke werkwoorden. Het zijn niet alle werkwoorden – de heel ongebruikelijk (zoals krijten en ontginnen) heb ik eruit weggelaten.

Veel van deze werkwoorden zijn heel frequent, waardoor cursisten ze vaak tegenkomen. Dat vergemakkelijkt het onthouden natuurlijk erg. Je kunt er ook voor kiezen om steeds te oefenen met een stukje van de lijst, door de betreffende werkwoorden (klassikaal) in te oefenen, ze te verwerken in oefeningen die je doet, enz.

Het imperfectum

imperfectum

Hoe maak en gebruik je het imperfectum?

Het Nederlands kent twee verschillende verleden tijden: het imperfectum (de onvoltooid verleden tijd) en het perfectum (de voltooid tegenwoordige tijd). Hier lees je meer over de keuze tussen die twee tijden.

Vorm

Om een zin in het imperfectum te zetten, heb je geen extra werkwoord nodig. Je verandert alleen de vervoeging van de persoonsvorm. Bij samengestelde zinnen verander je meestal alle persoonsvormen, maar daar kunnen uitzonderingen op zijn.

  • De jongens maken het eten klaar.
  • De jongens maakten het eten klaar.
  • De jongens maken het eten klaar terwijl hun ouders wandelen.
  • De jongens maakten het eten klaar terwijl hun ouders wandelden.
  • De vrouw zegt dat de jongens het eten klaarmaken.
  • De vrouw zegt dat de jongens het eten klaarmaakten.

In het imperfectum hebben Nederlandse werkwoorden maar twee vormen: enkelvoud en meervoud. Dat geldt voor álle werkwoorden, zwak, sterk en onregelmatig. De meeste werkwoorden zijn zwak. Die vorm je door de uitgang -de(n) of -te(n) achter de ik-vorm van het werkwoord te zetten. Voor de keuze tussen d en t kun je gebruikmaken van ’t kofschip (of soft ketchup). Van de onregelmatige en zwakke werkwoorden zijn geen vaste regels te geven; die moet je per stuk leren.

Gebruik

De Nederlandse benaming voor het imperfectum is, zoals gezegd ‘onvoltooid verleden tijd’. Dat ‘onvoltooid’ geeft al aan dat de handeling als niet-voltooid, of langer durend wordt gezien. Je gebruikt het imperfectum dan ook bij beschrijvingen, bijvoorbeeld als je vertelt waar een boek of film over ging, of over iets wat je vroeger deed. In langere teksten is er een neiging om het imperfectum te gebruiken voor bijkomstigheden, en het perfectum voor belangrijke elementen.

Oefenen in de les

Voor zover ik weet, behandelen alle NT2-methodes eerst het perfectum en daarna het imperfectum. Dat is ook logisch, omdat het perfectum veel meer gebruikt wordt. Een paar heel frequente vormen, zoals was en had hebben veel cursisten dan trouwens al opgepikt.

Bij het imperfectum begin ik vaak met de vorm. Geef bijvoorbeeld wat zinnen met zwakke werkwoorden in het imperfectum en bespreek aan de hand daarvan de vorm met je cursisten. Zien ze zelf hoe deze vorm is afgeleid van de infinitief? En het verschil tussen enkelvoud en meervoud? Het is handig om je cursisten te wijzen op het feit dat perfectum en imperfectum altijd beide een d of beide een krijgen. De meervoudsvorm is ook nog weleens lastig, omdat de slot-n niet wordt uitgesproken.

Het kan goed zijn om eerst even expliciet de vorm te oefenen. Geef bijvoorbeeld tien werkwoorden en laat die in het imperfectum zetten. Laat daarna ook zinnen maken. Dat kun je op verschillende manieren doen. Je kunt een rad maken (bijvoorbeeld met Wheeldecide of Flippity) met daarin een aantal bekende werkwoorden en daar zinnen mee laten maken. Je kunt ook voor een verhaalvorm kiezen. Laat bijvoorbeeld iets vertellen over vroeger. Of kijk een grappig filmpje en laat navertellen wat er gebeurde. Ook kun je een verhaal (in het presens) lezen en dat laten navertellen in het imperfectum. Maak een mix van mondelinge en schriftelijke oefeningen, zodat je alle vaardigheden oefent en meer afwisseling hebt.

Een heel leuk liedje om te gebruiken voor het imperfectum is Heel lang geleden van Yentl en De Boer. Daar zitten veel onregelmatige werkwoorden in.

Enkelvoud of meervoud bij ‘een paar’, ‘aantal’, enz.

Gebruik je bij ‘een paar schoenen’ een enkelvoud of een meervoud? En bij ‘een aantal’?

Meestal is het vrij duidelijk of de persoonsvorm in een zin in het enkelvoud of het meervoud moet staan, maar er zijn wat twijfelgevallen. Dat is bijvoorbeeld zo bij zinnen waar het onderwerp woorden als aantal of soort bevat. In zinnen waarin het onderwerp bestaat uit een zogenoemde ‘groepsaanduiding’ (woorden als aantalgroepheleboel en massa) en een meervoudig zelfstandig naamwoord staat de persoonsvorm soms in het enkelvoud en soms in het meervoud. Dat hangt ervan af welke groepsaanduiding je gebruikt.

Altijd enkelvoud

De persoonsvorm moet altijd in het enkelvoud staan als de groepsaanduiding duidelijk een zelfstandig naamwoord is. Dat zorgt ervoor dat het gehele onderwerp als één groep wordt opgevat. Het gaat hierbij om de volgende woorden: groephoeveelheidkuddemenigtereeksrijstapelverzameling. Juist zijn dus zinnen als: 

  • Een groep mensen demonstreert in Den Haag.
  • Voor de winkel staat een rij wachtenden.
  • Die stapel tijdschriften kan naar het oud papier.

Altijd meervoud

Er zijn ook groepsaanduidingen die geen zelfstandig naamwoorden, maar telwoorden zijn. Net als ‘gewone’ telwoorden hebben die geen invloed op de persoonsvorm. Het gaat dan om boelheleboelhoop en tal van. Voorbeelden:

  • Tal van maatregelen moeten de opwarming van de aarde tegengaan.
  • Ieder jaar vallen een heleboel kinderen van hun fiets.

Enkelvoud en meervoud kunnen allebei

Bij de laatste groep zijn enkelvoud en meervoud allebei juist. Het gaat hier om groepsaanduidingen die je zowel als zelfstandig naamwoord als als telwoord kunt opvatten. In de spreektaal is in de meeste gevallen het meervoud het gewoonst. Een uitgebreide uitleg hierover vind je ook op de website van Onze Taal. Voorbeelden:

  • Op ons kantoor werkt / werken een aantal collega’s uit andere landen.
  • Dit soort situaties is / zijn voor veel mensen erg lastig.

Een bijzonder geval is paar, waarbij een duidelijk betekenisverschil is. Bij de betekenis ‘een bij elkaar horend tweetal’ gebruik je enkelvoud, bij de betekenis ‘enkele’ meervoud:

  • Er staat een paar schoenen in de gang.
  • Er zijn altijd een paar mensen te laat.
Oefenen in de les

De meeste van deze constructies kom je pas tegen op hogere niveaus. Het is zeker niet per se nodig om aandacht te besteden aan de verschillen in woordgroep. Je kunt ook gewoon de drie groepen behandelen en het enkelvoud of meervoud koppelen aan de betekenis.

Een voorbeeld van een les hierover:
Geef de cursisten enkele zinnen waarin deze constructies voorkomen (bijvoorbeeld de voorbeeldzinnen van hierboven), met door elkaar enkelvoud en meervoud. Laat ze opzoeken wat het onderwerp van de zin is en kijk of ze kunnen bedenken waarom de persoonsvorm in het enkelvoud of juist in het meervoud staat. Geef dan alle bovengenoemde woorden en laat die indelen in drie categorieën, of doe dat samen met de groep. Laat vervolgens met alle woorden zinnen maken.

Werkwoord in enkelvoud of meervoud

werkwoord in enkelvoud of meervoud

Koffie en thee staat / staan klaar

Of het werkwoord in een zin in het enkelvoud of het meervoud moet staan, is meestal niet zo moeilijk vast te stellen, maar er zijn wel wat lastige gevallen. Neem bijvoorbeeld een zin als ‘Koffie en thee staat / staan klaar’. Moet je daar een enkelvoud of een meervoud gebruiken?

Het onderwerp en de persoonsvorm moeten in een Nederlandse zin bij elkaar passen in persoon en getal: als het onderwerp ik is, is de persoonsvorm anders dan wanneer het onderwerp jullie is. Dat heet ‘congruentie’. Maar wat doe je als het onderwerp uit twee woorden bestaat met en ertusssen? Dat hangt af van het verband tussen de woorden.

Losse combinatie

Als het gaat om een losse combinatie, gebruik je een meervoud:

  • Olaf en Amir leren Nederlands.
  • Soumaya en Khadija komen uit Maastricht.
  • Appels en peren zijn vruchten.

Vaste combinatie

Er zijn ook veel gevallen waarin je te maken hebt met een vaste combinatie. Bijvoorbeeld omdat het een veelgebruikte combinatie is, of omdat het gaat om een gecombineerde handeling of om één proces. Het werkwoord staat dan in het enkelvoud.

  • Aan- en uitzetten moet handmatig.
  • Koffie en thee staat klaar.
  • Knippen en plakken is een belangrijke vaardigheid.
Oefenen in de les

Dit is een onderwerp om pas te behandelen als er vragen over komen. Als dat op vrij laag niveau is, kun je volstaan met zeggen dat in sommige vaste combinaties toch een enkelvoud goed is. Hebben je cursisten al een hoger niveau, dan zou je ze kunnen laten zoeken naar vergelijkbare zinnen: horen of lezen ze nog eens ergens een enkelvoud waar ze een meervoud verwachten? Natuurlijk kun je zelf ook wat zinnen aandragen. Vervolgens kun je met die zinnen een oefening maken. Je kunt ze bijvoorbeeld mixen met zinnen waarin wél een meervoud moet staan, de werkwoorden weglaten en de juiste vorm laten invullen. Of ze laten bedenken wat wel een vaste combinatie is en wat niet.

Het perfectum

perfectum

Oefenen met het perfectum

Het Nederlands kent twee verschillende verleden tijden: het imperfectum (de onvoltooid verleden tijd) en het perfectum (de voltooid tegenwoordige tijd).

Het perfectum maken

Het perfectum maken we met twee werkwoorden: het hulpwerkwoord (hebben of zijn) en het voltooid deelwoord (of participium). Het voltooid deelwoord staat aan het eind van de zin.

Het voltooid deelwoord

De meeste werkwoorden hebben een regelmatig gevormd voltooid deelwoord. Die vorm je volgens de regel: ge + ik-vorm + d/t. Let op dat dat ge bij scheidbare werkwoorden in het midden van het werkwoord staat. Ook zijn er wat uitzonderingen: werkwoorden die beginnen met be-ge-her-ont- of ver- krijgen geen gebetaaldgebruiktverteld, enz.

Onregelmatige werkwoorden

Er is ook een grote groep onregelmatige werkwoorden, die cursisten uit hun hoofd moeten leren. Veel methodes hebben hier een lijst van. De meest voorkomende zijn: zijnwordenhebbengaankomendoenstaankrijgengevenlatenvindennemen en houden

Oefenen in de les

Cursisten moeten de volgende zaken weten over het perfectum:

  • dat je het altijd met twee werkwoorden maakt
  • hoe je het voltooid deelwoord maakt
  • waar je het voltooid deelwoord in de zin zet
  • of je hebben of zijn moet gebruiken
  • hoe je het voltooid deelwoord moet schrijven

Dat is behoorlijk wat. Het is dan ook handig om het in stapjes op te bouwen. Ik doe dat meestal als volgt. In de eerste les waarin het over het perfectum heb, leg uit dat je twee werkwoorden moet gebruiken en hoe je het voltooid deelwoord maakt. Dat laat ik vervolgens mondeling oefenen met een rijtje regelmatige werkwoorden. Daarna leg ik de spelling uit, en oefen ik met hetzelfde rijtje werkwoorden, maar nu moeten ze het voltooid deelwoord opschrijven. Vervolgens leg ik nog uit wanneer je hebben of zijn gebruikt, en oefenen we daarmee. Als huiswerk laat ik ze oefeningen uit de methode maken.

De volgende les herhaal ik hier veel van, maar net even anders. Ik heb voor mijn online lessen een oefening uit Nederlands in gang, waarin het perfectum wordt gecombineerd met dagdelen, omgezet in een oefening met Flippity. Daarna laat ik de cursisten in tweetallen praten over een dag uit het recente verleden. Ze moeten daarbij over elk dagdeel iets vertellen. Tot slot schrijven ze dat op, op Padlet. In een klein groepje bespreek ik vaak alle teksten, maar in een grote groep kun je er ook een paar uitkiezen, of ze elkaar feedback laten geven. Let daarbij uiteraard vooral op het gebruik van het perfectum.

Verschillende soorten werkwoorden

verschillende soorten werkwoorden

Zelfstandige werkwoorden, koppelwerkwoorden en hulpwerkwoorden

In de zin Mijn zus heeft een huis laten bouwen staan drie werkwoorden: heeftlaten en bouwen. Werkwoorden kunnen op verschillende manieren in groepen worden ingedeeld. De hoofdindeling is die in zelfstandige werkwoorden, koppelwerkwoorden en hulpwerkwoorden.

Zelfstandige werkwoorden

Zelfstandige werkwoorden zijn werkwoorden die de kern van het werkwoordelijk gezegde van de zin vormen; als je het weg zou laten, wordt de zin ongrammaticaal. Kijk maar naar de zin Mijn zus heeft een huis laten bouwen. De werkwoorden heeft en laten kun je weglaten (al verandert de betekenis dan natuurlijk wel), maar zonder bouwen is de zin niet grammaticaal. Een zelfstandig werkwoord kan alleen in de zin voorkomen, maar dat hoeft niet. Bijna alle werkwoorden kunnen als zelfstandig werkwoord gebruikt worden.

Koppelwerkwoorden

Eigenlijk zijn dit ook zelfstandige werkwoorden, maar een belangrijk verschil is dat ze niet in een werkwoordelijk maar in een naamwoordelijk gezegde staan. Het naamwoordelijk gezegde in zijn geheel (dus werkwoord én naamwoordelijk deel) geeft de belangrijkste betekenis van de zin. Het koppelwerkwoord zelf heeft niet zo heel veel betekenis. De koppelwerkwoorden zijn zijnwordenblijvenblijkendunkenhetenlijkenschijnen en voorkomen. Ook sommige werkwoorden die min of meer als synoniemen van zijn en worden gebruikt worden, kunnen koppelwerkwoord zijn. Denk daarbij bijvoorbeeld aan gaankomenstaan en zitten.

Hulpwerkwoorden

De hulpwerkwoorden komen in zowel werkwoordelijke als naamwoordelijke gezegdes voor. Er bestaan verschillende soorten hulpwerkwoorden, afhankelijk van hun functie. 

De meeste hulpwerkwoorden kunnen ook als zelfstandig werkwoord voorkomen. De modale hulpwerkwoorden blijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen en toeschijnen zijn dan koppelwerkwoord.

Oefenen in de les

In de meeste gevallen lijkt het me niet heel zinvol om dit echt met je cursisten te bespreken. Je kunt eventueel de term ‘hoofdwerkwoord’ gebruiken om zelfstandig en koppelwerkwoord samen in te vangen. Het onderscheid hoofdwerkwoord en hulpwerkwoord kan wel zinvol zijn.

De verschillende functies van de hulpwerkwoorden komen natuurlijk wel aan bod. De volgorde daarvan is ruwweg:

  • Modale hulpwerkwoorden: kunnenmoetenhoevenmogenwillenzullen 
  • Hulpwerkwoorden van tijd: hebben en zijn
  • Hulpwerkwoord van het passief: worden
  • Koppelwerkwoorden: blijkenschijnenhetendunkenvoorkomen en toeschijnen
  • Hulpwerkwoorden van causaliteit: doen en laten

Veel NT2-cursisten zullen aan de laatste twee groepen niet of nauwelijks toekomen, of alleen de wat frequentere werkwoorden ervan. Die hoef je zeker niet als aparte groep te behandelen, zoals je dat meestal wel doet bij de eerste groep modale hulpwerkwoorden. 

Hoeven of moeten?

hoeven of moeten

Gebruik je hoeven of moeten?

Het gebruik van hoeven en moeten in negatieve zinnen is niet zo makkelijk uit te leggen. Het verschil is vaak subtiel, en er zijn ook gevallen waarin beide werkwoorden goed zijn. Grofweg kun je dit verschil aanhouden: hoeven gebruik je in de betekenis ‘het is niet noodzakelijk / verplicht’ en moeten in de betekenis ‘het is beter om niet te …’. Vergelijk:

  • Je hoeft niet alles op te eten. (er mag best wat overblijven)
  • Je moet niet alles opeten. (het is beter als je niet alles opeet)

Noodzaak en werking

Je zult echter ook zinnen tegenkomen, waarin dit onderscheid niet zo duidelijk is. Het is nodig om dan wat preciezer te kijken naar de werkwoorden. Je kunt de betekenis van moeten/hoeven heel algemeen uitdrukken als de ‘noodzaak’ en wat uitgedrukt wordt door het tweede werkwoord als de ‘werking’. Je kunt zowel de noodzaak als de werking ontkennen. Er zijn dan vier mogelijkheden:

noodzaakwerkingwerkwoordvoorbeeld
positiefpositiefmoetenJe moet op tijd komen.
positiefnegatiefmoetenJe moet vandaag nog niet gaan werken; je bent nog ziek.
negatiefpositiefhoevenWij verzorgen alles, u hoeft nergens aan te denken.
negatiefnegatiefhoevenJe hoeft niet niet naar hem te luisteren, als je maar niet doet wat hij zegt.

Negatieve elementen

Die laatste mogelijkheid komt alleen in zeer specifieke situaties voor. Ingewikkelder wordt het in zinnen waarin het negatieve element wordt uitgedrukt door woorden als slechtsalleen maarnauwelijksminder, enz. Meestal kun je ook dat wel herleiden tot het bovenstaande schema, maar als je echt details wilt weten, kun je bijvoorbeeld de ANS raadplegen.

Zonder negatief element gebruik je altijd moetenHoeven heeft verplicht een negatief element in de zin bij zich.

Oefenen in de les

Bij beginners kun je volstaan met het onderscheid ‘het is niet noodzakelijk/verplicht’ en ‘het is beter’. Als je Engels als steuntaal kunt (en wilt) gebruiken, is dit ongeveer te vergelijken met don’t have to (niet hoeven) en shouldn’t (niet moeten). Je kunt dit bijvoorbeeld oefenen door een aantal zinnen te laten zien. Eerst leg je zelf uit wat de betekenis van de zinnen is, en daarna vraag je (bij een nieuwe zin) of een cursist dit kan uitleggen. Vervolgens kun je vragen stellen met moeten, en die laten beantwoorden. 

Als je op hogere taalniveaus woorden als nauwelijksslechts, enz. behandelt, kun je hier ook nog even apart aandacht aan besteden, met vergelijkbare oefeningen. De betekenis is dan vaak wat lastiger uitleggen, maar tegen die tijd begrijpen cursisten ook al weer veel meer, waardoor dat meestal toch goed lukt.

De kinderen mogen een koekje

modale werkwoorden zelfstandig gebruiken

Kunnen modale werkwoorden ook zelfstandig voorkomen?

Cursisten leren de modale werkwoorden kunnenzullenmogenmoetenwillen en hoeven vaak kennen als hulpwerkwoorden in zinnen als de volgende.

  • Hij kan morgen niet komen.
  • Zullen we nog een keer bestellen?
  • Susan wil elke dag tekenen.

Zelfstandig gebruik

Cursisten zijn dan ook nog weleens verbaasd als ze zinnen tegenkomen waarin deze werkwoorden zelfstandig voorkomen. Toch zijn die vrij gebruikelijk in het Nederlands.

  • Mike wil rode wijn.
  • Hij kan geen Nederlands.
  • De kinderen mogen een koekje.

Vaak kun je in deze zinnen wel nog een werkwoord toevoegen, maar dat is – zeker in spreektaal – niet gebruikelijk.

  • Mike wil rode wijn hebben.
  • Hij kan geen Nederlands spreken.
  • De kinderen mogen een koekje hebben.

Soorten zinnen

Dit zelfstandige gebruik van de modale werkwoorden is in verschillende zinnen mogelijk. Het kan het best in zinnen waarin het modale werkwoord iets zegt over het onderwerp van de zin. In een zin als ‘Susan wil elke dag tekenen’ zegt willen vooral iets over tekenen, namelijk dat Susan dat wil. Maar in ‘De kinderen mogen een koekje (hebben)’ gaat het vooral om de kinderen, die ergens toestemming voor krijgen. In dat laatste geval kan het tweede werkwoord dus makkelijk achterwege blijven. In de ANS staat een lang overzicht met alle details.

Oefenen in de les

Cursisten hebben soms het gevoel dat een zin als ‘De kinderen mogen een koekje’ niet ‘af’ is. Het is dus belangrijk om ze goed duidelijk te maken dat dat wél zo is. Je kunt ze bijvoorbeeld allerlei zinnen met één of twee werkwoorden voorleggen en zo laten ontdekken of samen bespreken in welke context je het tweede werkwoord wel of niet gebruikt. Het probleem is volgens mij het grootst bij cursisten die erg de neiging hebben om zinnen te vertalen (naar het Engels), dus wijs ze er nog eens op dat dat geen goede strategie is om het Nederlands te leren. 

Picture talk werkt ook heel goed. Zoek een plaatje op dat aansluit bij het thema van je les en stel daar allerlei vragen over waarin je steeds de modale werkwoorden gebruikt. Zo horen en gebruiken ze die steeds weer, waardoor de goede vorm in slijt.

Het heeft denk ik weinig zin om je cursisten al die categorieën uit de ANS te leren, maar je kunt eventueel wel noemen dat een modaal werkwoord iets kan zeggen over het werkwoord of over het onderwerp. Dat verschil is vaak echter heel subtiel, dus doe dat alleen als je denkt dat je cursisten het aankunnen. Hou het anders vooral bij veel voorbeelden en oefenen.

Modale werkwoorden

modale werkwoorden

De modale (hulp)werkwoorden zijn willen, mogen, zullen, moeten en kunnen. Hier lees je meer over het gebruik van die werkwoorden; in dit stuk gaat het over de vorm ervan. Bij de vervoegingen vallen een paar zaken op: ten eerste wijkt die af van de vervoeging van de meeste werkwoorden en ten tweede hebben sommige werkwoorden meerdere opties.

Overzicht

Eerst even een overzicht van de vervoegingen:

willenmogenzullenmoetenkunnen
ikwilmagzalmoetkan
jij / uwilt / wilmagzult / zalmoetkunt / kan
hij / zij / hetwilmagzalmoetkan
meervoudwillenmogenzullenmoetenkunnen

Verschillen

De vervoeging is duidelijk anders dan bij andere werkwoorden. De uitgangs-t ontbreekt grotendeels. Bij mogen is die helemaal verdwenen, en bij willenzullen en kunnen wordt hij weinig gebruikt. Vooral de derde persoon enkelvoud van willen zorgt – ook bij Nederlanders – voor verwarring. Veel mensen zeggen – of schrijven – hier toch een t achter: hij wiltOnze Taal legt op zijn website heel duidelijk uit waarom dat niet goed is.

Bij willenzullen en kunnen zijn er in de tweede persoon enkelvoud (jij en u) steeds twee mogelijkheden. De vormen je wilje zal en je kan komen meer in spreektaal dan in schrijftaal voor. In Nederland gelden deze vormen als vrij informeel, behalve als je de betekenis men heeft. In België is de vorm niet informeler, maar wel spreektaliger. Wiltzult en kunt zijn de oudste vormen, maar wilzal en kan komen al zo’n 300 jaar in het Nederlands voor. Bepaald geen nieuwkomers dus. Ook van mogen bestaat een oudere vorm, moogt, maar die komt echt niet meer voor.

Oefenen in de les

Als je de modale werkwoorden behandelt, is het goed om ook aandacht te besteden aan de vervoeging van deze werkwoorden. Ik vertel daar altijd bij dat het prima is om, zeker in het begin, alleen de twee vormen voor enkelvoud en meervoud te onthouden: wiltkunt en zult hoeven ze van mij dan nog niet te kennen – al kan het wel handig zijn als ze die vormen herkennen in een tekst. Het oefenen van de vormen gaat hand in hand met oefenen met de betekenis. Je kunt dus allerlei spreekoefeningen bedenken waarbij je het gebruik van de modale werkwoorden uitlokt.
Ook het NT2 Taalspel – waar de modale werkwoorden natuurlijk bij zitten – is een leuke manier om te oefenen. Verder kun je natuurlijk woorden laten invullen in zinnen, zinnen van enkelvoud naar meervoud laten omzetten (of andersom), en gebruikmaken van de specifieke context waarin sommige van deze werkwoorden gebruikt worden om ze te oefenen. Met zullen kun je natuurlijk goed een voorstel doen. Laat ze daar in enkel- en meervoud mee oefenen, dan zijn ze ook steeds bezig met de juiste vorm.

Voor gevorderde cursisten – vanaf B2 – die ook (veel) schrijven in het Nederlands, is het juist wel goed om ook die vormen te kennen. In schrijftaal komen deze immers nog veel meer voor. Zeker als ze in een formele branche werken, is het goed als zij die vorm ook gebruiken in hun eigen teksten.

Scheidbare werkwoorden

scheidbare werkwoorden

Wat zijn scheidbare werkwoorden?

Scheidbare werkwoorden komen maar in weinig talen voor (Wikipedia noemt alleen Hongaars, Duits, Nederlands en Afrikaans), wat zeker zal bijdragen aan de lastigheid. Hoe leer je je cursisten toch om ze goed te gebruiken?

Wat zijn scheidbare werkwoorden?

Scheidbare werkwoorden zijn samengestelde werkwoorden die bestaan uit een werkwoord en een ander woord(deel). Dat kan een zelfstandig naamwoord, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord of voorzetsels zijn (er zijn ook grammaticaboeken die in dit geval voorzetsels onder bijwoorden laten vallen, maar ik vind het zelf makkelijker om ze voorzetsels te noemen). Voorbeelden zijn: huishoudenthuiskomengoedkeuren en meerijden. Bij deze werkwoorden kunnen het werkwoordelijk deel en het affix (dat is de overkoepelende term voor het niet-werkwoordelijke deel) van elkaar gescheiden voorkomen in de zin. Je scheidt de werkwoorden in de volgende gevallen:

  • Als het werkwoord de persoonsvorm van de zin is: Hoe laat kom je thuis?
  • In combinatie met teDe directeur hoeft het plan alleen maar goed te keuren.
  • In combinatie met andere werkwoorden in een bijzin kán het werkwoord worden gescheiden: Hij zei dat je mee zou kunnen rijden.

In andere gevallen is het werkwoord één woord, al komt in het voltooid deelwoord -ge- wel tússen de twee delen van het werkwoord: huisgehoudenthuisgekomengoedgekeurdmeegereden.

Waar staan ze in de zin?

Het werkwoordelijk deel staat op de plaats van de persoonsvorm; het affix aan het eind van de zin, al is het mogelijk om voorzetselgroepen of bijwoordelijke bepalingen hier nog na te plaatsen.

  • Hoe laat kom je morgen thuis? 
  • Hoe laat kom je thuis morgen?
  • Ik rij wel met Luca mee.
  • Ik rij wel mee met Luca.

Meer gevorderde cursisten komen ook werkwoorden tegen die erg lijken op scheidbare werkwoorden, maar het niet zijn. Het verschil is te horen aan de klemtoon. Vergelijk voorkómen (niet scheidbaar) – vóórkomen (scheidbaar), ondergáán (niet-scheidbaar) – óndergaan (scheidbaar).

Oefenen in de les

Sommige scheidbare werkwoorden zijn redelijk frequent, wat betekent dat cursisten ze al vrij snel tegenkomen. In het begin is het genoeg om cursisten erop te wijzen dat het fenomeen bestaat, en ze het hele werkwoord ook te leren, zodat ze het eventueel op de goede plaats kunnen opzoeken in een woordenboek.

Later moet je echt aan de slag met de scheidbare werkwoorden. In methodes gebeurt dat meestal als cursisten ongeveer op A1 zitten, nadat de verleden tijden zijn aangeleerd. Je zou er ook voor kunnen kiezen om de scheidbare werkwoorden al eerder te behandelen, maar beperk je dan tot het presens. Een erg geschikte methode is het NT2 Taalspel (of eigen kaartjes met werkwoorden), waarmee je verschillende zinnen laat maken. Als je een beeldscherm hebt, of online lesgeeft, is de Randomizer van Flippity hier ook een goede tool voor.

Je kunt ook één werkwoord kiezen en daar een gesprek over voeren. Neem bijvoorbeeld afspreken of opbellen. Je kunt daar allerlei vragen over stellen. Je kunt dit ook aan de hand van een plaatje doen, om het wat levendiger te maken.

  • Shahed, met wie spreek jij af? Ik spreek met Felicia af.
  • Wanneer spreken jullie af? We spreken zaterdag af.
  • Waar spreken jullie af? We spreken bij de bioscoop af.
  • Carlos, met wie spreekt Shahed af? Shahed spreekt met Felicia af.

Op die manier oefenen de cursisten steeds met de goede volgorde. Let erop dat je in het begin het affix echt aan het eind van de zin zet. Vanaf B1 kun je hier meer variatie in aanbrengen; cursisten komen dan ook in andere zinnen tegen dat het werkwoord niet altijd helemaal aan het eind van de zin staat.

Als je cursisten de verleden tijden kennen, kun je deze ook gaan oefenen met de scheidbare werkwoorden. Je kunt natuurlijk een gesprekje als het bovenstaande in de verleden tijd voeren, maar het is zeker ook zinvol om zinnen van de tegenwoordige tijd in de verleden tijd te laten omzetten en andersom. Op die manier worden cursisten zich goed bewust van het verschil tussen de werkwoordstijden. 

Dit is een onderwerp dat je met enige regelmaat moet laten terugkeren. Ook als je bijzinnen introduceert is het goed om stil te staan bij de scheidbare werkwoorden. Die kennen ze dan al, dus je kunt bijvoorbeeld je cursisten wat zinnen voorleggen en ze vragen wat ze kunnen vertellen over het gebruik van de werkwoorden. Waar staan ze? Zijn ze gescheiden of niet? Vervolgens kun je hier natuurlijk mee oefenen. 

Bij gevorderde cursisten moet je ook aandacht besteden aan de werkwoorden die wel samengesteld zijn, maar niet scheidbaar. Kunnen ze het verschil horen? Wijs ook op de betekenisverschillen.