voornaamwoord

Aanwijzend voornaamwoord

aanwijzend voornaamwoord

Wat is het verschil tussen die, deze, dit en dat?

Diedezedit en dat zijn aanwijzende voornaamwoorden. Je kunt ze zowel direct voor een zelfstandig naamwoord zetten als zelfstandig gebruiken om te verwijzen naar een zelfstandig naamwoord.

  • Dit boek is erg goed.
  • Deze tafel hebben we vorige week gekocht.
  • Heb jij dit boek al gelezen? Ja, dat heb ik gelezen.
  • (Wijzend naar een tafel) Die wil ik hebben!

Die en deze horen bij de-woorden (enkelvoud en meervoud) en personen, en dit en dat bij het-woorden (alleen enkelvoud).

Verschillen tussen deze/dit en die/dat

De keuze tussen deze/dit en die/dat is niet altijd eenvoudig. Vaak zijn beide mogelijk zonder dat er veel betekenisverschil is. Er zijn ook gevallen waarin er wel verschil is.

Deze en dit gebruik je als iets dichtbij is (‘hier’), en die en dat als iets ver weg is (‘daar’): Gaan we naar dit of naar dat restaurant? Je kunt deze variatie ook gebruiken zonder dat er verschil is in afstand, maar om twee zaken van elkaar te onderscheiden: Wil je die appel of deze?

Deze en dit zijn over het algemeen nadrukkelijker; daarom komen deze vormen ook meer voor in schrijftaal. Je hebt daarin immers geen intonatie en mimiek om je bedoeling duidelijker te maken. Die en dat hebben vaak zo weinig nadruk dat ze bijna gelijk zijn aan de lidwoorden.

Tot slot kunnen die en dat ook gebruikt worden in combinatie met een voorzetsel: Ik vind dit idee beter dan dat van Irene.

Oefenen in de les

Cursisten komen de aanwijzende voornaamwoorden al vrij snel tegen, zeker de onzelfstandige variant. Ze hoeven dan alleen nog maar te leren dat deze en die bij de-woorden horen en dit en dat bij het-woorden. Dat is natuurlijk al moeilijk genoeg, omdat de woordgeslachten zo lastig te leren zijn. Gebruik dan ook vooral duidelijke voorbeelden, van woorden die ze goed kennen.
Als je begint met het zelfstandige gebruik, kun je ook het best beginnen met zinnen waarin uit de zin al duidelijk is of je met een de- of een het-woord te maken hebt. Pas later komen moeilijkere gevallen.

Voor het onderscheid tussen deze/dit en die/dat kun je beginnen met het verschil in afstand en het vergelijken van twee dingen. Het verschil in nadruk is echt iets voor hogere niveaus. In spreektaal zijn die en dat het gewoonst, dus je kunt je cursisten ook vooral met deze vormen laten oefenen.

Je kunt hiervoor natuurlijk invuloefeningen gebruiken, maar leuker is picture talk. Je laat dan een foto zien, en stelt daar vragen over. Dat werkt het best als er gelijksoortige voorwerpen staan (een paar stoelen bijvoorbeeld). Stel vragen als ‘Welke stoel vind je mooi: deze groene of die blauwe?’ Je kunt ook twee foto’s met hetzelfde thema naast elkaar laten zien, en die met elkaar laten vergelijken. In een face-to-face les kun je gebruikmaken van de ruimte in het lokaal om dichtbij en ver weg mee te laten spelen in de keuze tussen bijvoorbeeld die en dat.

Woordgeslacht zelfstandig naamwoorden

woordgeslacht zelfstandig naamwoorden

Wat zijn mannelijke en vrouwelijke woorden?

Het Nederlands heeft twee bepaalde lidwoorden: de en het. Maar Nederlandse zelfstandig naamwoorden hebben drie woordgeslachten: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. We verdelen dat zo: woorden met de zijn mannelijk of vrouwelijk (of beide) en woorden met het zijn onzijdig. 

Naamvallen

Ooit – honderden jaren geleden – had het Nederlands, net als het Duits naamvallen. Die naamvallen waren verschillend voor mannelijke en vrouwelijke woorden, en ook het lidwoord paste zich aan. In de nominatief (onderwerp) was het altijd die. Dat is afgezwakt tot de, en de naamvallen verdwenen. Maar het woordgeslacht verdween niet; als je met een bezittelijk voornaamwoord wilt verwijzen naar een zelfstandig naamwoord, moet je nog steeds weten of het woord mannelijk of vrouwelijk is. Daar zijn wel wat vuistregels voor, maar geen heel vaste regels.

Verwijswoorden

Zoals gezegd: als je wilt verwijzen naar een zelfstandig naamwoord moet je eigenlijk weten of het woord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is. Ook de functie van je verwijswoord speelt mee.

functie verwijswoordmannelijkvrouwelijkonzijdig
onderwerphijzijhet
ander zinsdeelhemhaarhet
bezittelijk voornaamwoordzijnhaarzijn

Enkele voorbeelden:

  • Waar is mijn telefoonHij lag net op mijn bureau, maar nu zie ik hem niet.
  • De commissie vergadert hier volgende week over. Ze zal dan een beslissing nemen, en die bespreken met haar achterban.
  • Ik heb dat boek gelezen. Het was heel spannend. Ik vond het heel goed.

Spreektaal en schrijftaal

In de praktijk is er een groot verschil tussen de spreektaal en schrijftaal. In spreektaal wordt eigenlijk alleen naar vrouwelijke personen en dieren met zij en haar verwezen; bij andere zelfstandig naamwoorden gebruiken we vrijwel altijd hijhem en zijn. Sommige mensen verwijzen ook naar abstracte begrippen met zij en haar, maar dat is lang niet altijd correct volgens de officiële regels: de gemeenteraad is bijvoorbeeld mannelijk en het kabinet onzijdig. In (officiële) schrijftaal hanteren we het onderscheid nog wel.

Oefenen in de les

Bij beginners hoef je alleen maar uit te leggen dat het Nederlands twee bepaalde lidwoorden heeft: de en het.  Als je zinnen gaat behandelen waarin je verwijst naar een zelfstandig naamwoord, kun je volstaan met het systeem in spreektaal: hijhem en zijn bij de-woorden en het en zijn bij het-woorden. Je kunt hiermee oefenen door ze vragen te laten en stellen beantwoorden over voorwerpen in de klas of thuis. Ook kun je bijvoorbeeld een aantal woorden op een wheeldecide zetten (bijvoorbeeld vocabulaire van het thema waar je mee bezig bent) en dat als basis voor een zin gebruiken.

Pas als cursisten op B2 zitten, kan het handig zijn om de officiële regels voor schrijftaal te bespreken. Leg ze daarbij ook uit dat ze in het spreken niets hoeven aan te passen, maar dat deze regel alleen in schrijftaal geldt. En dan nog is het een regel die ik alleen bespreek in specifieke cursussen over zakelijke schrijfvaardigheid of bij cursisten die voor hun werk veel in het Nederlands moeten schrijven. Belangrijk is om cursisten dan te wijzen op websites als woordenlijst.org en spellingsite.nu, waar ze het woordgeslacht kunnen opzoeken. Je kunt dan werken met bijvoorbeeld invuloefeningen of ze zinnen laten herformuleren. Ook kun je een tekstje laten schrijven waarin ze bijvoorbeeld vijf keer zo’n verwijswoord moeten gebruiken.

Volle en gereduceerde vormen

volle en gereduceerde vormen

De volle en gereduceerde vormen van voornaamwoorden

Veel persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden hebben twee vormen: een volle en een gereduceerde vorm. 

  • Karlijn is beter in Frans dan jij.
  • M’n telefoon is weg. Ik had ‘m net nog in m’n hand.
  • Weet jij waar Simon is? Nee, is-ie misschien in de keuken?

In onderstaande tabel staan de volle en gereduceerde vormen, geordend op persoon (eerste, tweede, derde). 

volle vormgereduceerde vorm
ik, mij, mijn’k, me, m’n
jij, jou, jouwje (voor alle vormen)
hij, hem, zijn-ie, ’m, z’n
zij, haarze, d’r
het, zijn’t, z’n
wijwe
zijze

Zoals je ziet hebben hebben niet alle voornaamwoorden een gereduceerde vorm: ujullie en ons/onze niet. En het is de vraag in hoeverre je ze als gereduceerde vorm van hun/hen kunt zien. Ook met het is wat aan de hand: dat kun je weer eigenlijk niet als volle vorm zien. Dat wil zeggen: het persoonlijk voornaamwoord het kan nooit nadruk krijgen, dan gebruik je dat (of eventueel dit).

Gebruik van de vormen

De volle vorm gebruiken we vooral al het voornaamwoord nadruk krijgt. Dat is bijvoorbeeld het geval als er een duidelijke tegenstelling tussen twee personen is, of in een aanspreking. Verder gebruik je de volle vorm na dan en als, als een niet-voorwerpsvorm deel uitmaakt van het eerste zinsdeel, en als hij vooraan de zin staat, kun je ook alleen de volle vorm gebruiken. Een vollediger overzicht staat in de ANS (Algemene Nederlandse Spraakkunst).

  • Nee, ik bedoel niet jou, maar hem!
  • Jij daar, wat zei je?
  • Rogier weet daar meer van dan jij.
  • Met mij gaat het goed, en met jou?
  • Hij bedoelt het goed.

Gereduceerde vormen gebruik je verplicht als je naar niet-personen verwijst, als je iemand identificeert en als ethische datief.

  • Zij liggen op bed. (kan alleen over mensen gaan)
  • Ze liggen op bed. (kan over mensen gaan, maar ook over bijvoorbeeld kledingstukken)
  • Dat was me wat zeg!

Spreektaal en schrijftaal

De gereduceerde vormen zijn zeker in spreektaal heel gewoon; we gebruiken ze dan eigenlijk altijd in onbeklemtoonde posities. In schrijftaal gebruiken we dan ook vaak de volle vorm, zelfs als we die bij het voorlezen niet zo uitspreken. Vormen als -ie‘m en d’r komen in schrijftaal maar weinig voor, en ook z’n en m’n worden als erg informeel gezien. Dat wil zeggen: je kunt ze wel gebruiken in een WhatsApp-chat, maar niet in een zakelijke e-mail. Vormen als jeme en ze kunnen zonder meer ook in (formele) schrijftaal gebruikt worden.

Oefenen in de les

NT2-cursisten krijgen eigenlijk vanaf het begin al te maken met het verschil tussen bijvoorbeeld jij en je. Dat zijn immers vormen die je in de eerste lessen al tegenkomt. Het begrip nadruk is dan nog niet altijd makkelijk uit te leggen. Ondersteuning van intonatie en handgebaren (ik wijs bij jij vaak ook iemand echt aan met mijn vinger) kan dan helpen. Bij cursisten die bijvoorbeeld Spaans of Italiaans spreken maak ik weleens de vergelijking tussen het wel of niet uitspreken van het voornaamwoord in hun eigen taal – dat doe je ook alleen maar als je het voornaamwoord nadruk wilt geven.

Ik vind het belangrijk om vanaf het begin af aan de voornaamwoorden natuurlijk uit te spreken, en cursisten dus ook te laten wennen aan een vorm als d’r of -ie – dat zijn immers vormen die ze ook bij andere Nederlanders veel zullen horen. Bovendien klinken ze zelf ook natuurlijker als de voornaamwoorden niet altijd in de volle vorm gebruiken. Ik schrijf in voorbeeldzinnen dan ook bij voorkeur ze of we en niet zij of wij.

Je kunt er ook een uitspraaklesje aan wijden: zorg bijvoorbeeld voor een tekst waar veel voornaamwoorden in staan, en lees die voor. Laat je cursisten de voornaamwoorden onderstrepen. Vervolgens laat je cursisten voorlezen, waarbij je feedback geeft op de uitspraak van de voornaamwoorden. Je kunt ook met een dictee werken: lees een tekst of zin voor en laat die opschrijven. Let er daarbij op dat een vorm als d’r het best opgeschreven kan worden als haar.

Wederkerende werkwoorden

wederkerende werkwoorden

Wat zijn wederkerende werkwoorden?

Wederkerende werkwoorden (ook wel reflexieve werkwoorden genoemd) zijn werkwoorden die in de zin gecombineerd worden met een wederkerend voornaamwoord (of reflexief pronomen). Dit voornaamwoord heeft in de zin de functie van het lijdend voorwerp.

Niet-verplicht wederkerend

De wederkerende werkwoorden kun je in twee groepen indelen: verplicht wederkerende en niet-verplicht wederkerende. Een werkwoord als wassen kan wederkerend zijn, maar dat hoeft niet:

  • Tayo wast zijn gezicht.
  • Tayo wast zich.

Zich of zichzelf?

Bij de niet-verplicht wederkerende werkwoorden kun je meestal ook een wederkerend voornaamwoord gebruiken dat op -zelf eindigt. Bij werkwoorden die we niet zo vaak wederkerend gebruiken, is dat zelfs verplicht. Denk aan een zin als ‘Zij zag zichzelf op televisie.’

Verplicht wederkerend

Voorbeelden van werkwoorden die verplicht wederkerend zijn, zijn: zich bemoeienzich gedragenzich inbeeldenzich misdragenzich schamenzich vergissen en zich verslikken. In de ANS staat een vrijwel volledig overzicht. Deze verplicht wederkerende werkwoorden kun je niet combineren met de -zelf-vormen: ‘Ik vergis mezelf’ is geen goede zin. Ook kun je van deze zin geen passieve zin maken, wat wel kan bij de toevallig wederkerende werkwoorden.

Oefenen in de les

Hoewel wederkerende werkwoorden in veel talen voorkomen, zijn ze toch vaak lastig voor cursisten. Elke taal heeft namelijk zo zijn eigen keuzes gemaakt in welke werkwoorden wederkerend zijn en welke niet. Cursisten zullen dit dus – voor de verplicht wederkerende werkwoorden – apart moeten onthouden.

In de uitleg is het vaak het makkelijkst om te beginnen met een werkwoord als wassen. Je kunt vrij makkelijk uitleggen dat je zowel iemand anders als jezelf kunt wassen. Daarmee kun je dan het principe en de wederkerende voornaamwoorden introduceren. Vervolgens is het handig om eerst frequente wederkerende werkwoorden aan te bieden als zich herinnerenzich voelenzich vergissen. Omdat dit echt moet inslijpen, is herhaling belangrijk. Je kunt een reeks zinnetjes maken die je cursisten steeds moeten herhalen – eventueel met aanpassing van het onderwerp van de zin. 

Ook het NT2-Taalspel kan gebruikt worden, al zitten daar maar weinig wederkerende werkwoorden in – maar je kunt natuurlijk altijd eigen kaartjes maken. Als je van digitale hulpmiddelen houdt, kun je ook Wheeldecide inzetten.

Susans fiets of Susan haar fiets?

hoe gebruik je bezitsvormen

Hoe gebruik je de verschillende bezitsvormen?

Het Nederlands kent verschillende bezitsvormen. Hoe gebruik je die? Vergelijk deze constructies:

  • Dat is Susans fiets.
  • Dat is de fiets van Susan.
  • Dat is Susan haar fiets.

Alle zinnen zijn correct Nederlands, maar er is wel een verschil. De eerste zin is het gewoonst; de tweede is wat formeler (maar nog steeds goed bruikbaar); de derde komt eigenlijk alleen in spreektaal voor.

De term ‘bezitsvorm’, die meestal gebruikt wordt, is niet zo gelukkig gekozen; het gaat immers lang niet altijd letterlijk om bezit. Je geeft wel aan dat er een bepaalde, hechte relatie is tussen een persoon en zelfstandig naamwoord.

Eigennamen

De bezitsvorm komt voor bij eigennamen en verwantschapswoorden als moeder, zoon, oma. Bij namen en woorden die op één klinker eindigen die lang wordt uitgesproken schrijf je een apostrof voor de s, in andere gevallen komt de s aan het woord of de naam vast. Zie ook het advies van Onze Taal hierover.

  • Halsema is Amsterdams burgemeester.
  • Mijn oma’s flat is behoorlijk groot.
  • Thijmens zusje kon helaas niet komen.
  • Teylers Museum is Haarlem is Nederlands oudste museum.

Oefenen in de les

Het is handig om te beginnen met de formelere vormen: Susans fiets en de fiets van Susan. Je kunt daarvoor goed voorwerpen en personen uit je groep gebruiken. Afhankelijk van de groep kun je direct beide constructies gebruiken of ze een voor een aanbieden. Bij meer gevorderde groepen kun je ook de spreektaalvariant aanbieden, bijvoorbeeld als ze daarom vragen.

Je kunt ook werken met invulopdrachten en andere schrijfopdrachten. In leesteksten kun je je cursisten laten zoeken naar bezitsvormen: welke zijn er gebruikt? Zeker bij bezittelijk voornaamwoorden kan het handig zijn om te bekijken naar wie die precies verwijzen. 

‘Het’ in: ‘De vrouw heeft het koud’

de vrouw heeft het koud

Waarom gebruik je het in zinnen als ‘De vrouw heeft het koud’?

Het woordje het is best lastig. Belangrijk is ten eerste om onderscheid te maken tussen het lidwoord het en het voornaamwoord het. Als voornaamwoord komt het bijvoorbeeld voor in een zin als ‘De vrouw heeft het koud.’ Maar welke functie heeft het dan precies?

Het kan in het Nederlands op verschillende manieren gebruikt worden. Het kan bijvoorbeeld voorkomen in combinatie met een koppelwerkwoord, maar het kan ook een (voorlopig) lijdend voorwerp zijn. Cursisten zullen het meestal eerst als lijdend voorwerp tegenkomen, in zinnen als: ‘Weet je waar mijn boek is? Nee, ik heb het niet gezien.’ Hier heeft het een duidelijke verwijzende functie.

Loos lijdend voorwerp

Ingewikkelder is het al in zinnen als ‘De vrouw heeft het koud.’ Hier is het een loos lijdend voorwerp. Dit het komt voor bij combinaties van hebben en een bijvoeglijk naamwoord, die samen een toestand uitdrukken (zoals het warm hebbenhet druk hebben, enz.). Ook in sommige andere uitdrukkingen komt dit het voor. Het heeft dan alleen een grammaticale functie en heeft niet echt een betekenis.

Voorlopig lijdend voorwerp

Tot slot zijn er nog zinnen waarin het een voorlopig lijdend voorwerp is. Het echte lijdend voorwerp staat dan in een bijzin, die verderop komt. Het gaat dan om zinnen als ‘Ik vind het leuk dat we volgend jaar op vakantie naar Amerika gaan.’ Dit het komt voor bij werkwoorden die een waardering uitdrukken (zoals waarderen en betreuren) en bij vinden in combinatie met een bijvoeglijk naamwoord.

Wat deze constructies met elkaar gemeen hebben, is dat de constructie een lijdend voorwerp nodig heeft, maar dat er geen concreet lijdend voorwerp beschikbaar is. Dan vullen we het in, om die plek toch opgevuld te hebben. 

Oefenen in de les

Op de lagere niveaus kun je met dit onderwerp goed wachten tot er vragen over komen. Het gebruik van het in zinnen als ‘Weet je waar mijn boek is? Nee, ik heb het niet gezien’ leveren meestal weinig problemen op. Je kunt natuurlijk oefenen met dergelijke vraag-antwoordconstructies. 

Het gebruik van zinnen als ‘Ik heb het warm’ kun je goed oefenen met ‘picture talk’. Je laat dan een plaatje zien, bijvoorbeeld van iemand die het duidelijk koud heeft. Daarover ga je in gesprek met je groep, door vragen te stellen over het plaatje. ‘Heeft de vrouw het koud?’, ‘Heeft de vrouw het koud of warm?’, ‘Wie heeft het koud?’ Het lijkt of je steeds dezelfde vraag stelt, maar de invalshoek is steeds net anders. Cursisten hoeven niet per se met een hele zin te antwoorden (afhankelijk van hun niveau), maar jij herhaalt wel steeds de hele zin. Stel dat je vraag is ‘Heeft de vrouw het koud?’ en je cursisten antwoorden ‘Ja’, dan zeg jij: ‘Ja, inderdaad. De vrouw heeft het koud.’ Zo horen cursisten jou dat het steeds op de juiste manier gebruiken. Dit kun je herhalen met vergelijkbare constructies.

Ook de zinnen met het als voorlopig lijdend voorwerp kun je op deze manier oefenen, maar je kunt ook iets anders verzinnen. Bijvoorbeeld beginnen met ‘Ik vind het leuk om …’ en dan je cursisten dat steeds laten aanvullen (waarbij ze de constructie ook herhalen.’

In het boekje SchrijfVaardig deel 3 staan ook twee aardige oefeningen. De eerste is een tekstje waarin het op veel verschillende mogelijkheden wordt gebruikt. Cursisten moeten dan steeds aangeven waarom je daar het moet gebruiken. Bij de tweede oefening staat weer een verhaaltje, met daarin lege plekken. Daarop moet op de juiste plekken het worden ingevuld. Deze oefeningen zijn geschikt vanaf B1.

‘Het’ of ‘hij’ bij een de-woord?

het of hij bij een de-woord

Waarom gebruik je in deze zin eerst het en daarna hij om naar film te verwijzen? Het was een prachtige film, hij ging over …

Verwijswoorden passen zich in het Nederlands aan aan het woord waar je naar verwijst. Je verwacht dus dat je naar een de-woord verwijst met hij, maar in sommige zinnen kun je ook het gebruiken. Wanneer gebruik je nou het of hij bij een de-woord?

In het eerste deel van deze zin, ‘Het was een prachtige film’, staat een naamwoordelijk gezegde. Dat bestaat uit een koppelwerkwoord (Weet je het rijtje nog? Zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen) en een naamwoordelijk deel, dat ook wel predicaat wordt genoemd. Als dat predicaat als kern een zelfstandig naamwoord heeft met een lidwoord, bezittelijk voornaamwoord of telwoord ervoor, dan is het onderwerp van de zin het, dit of dat.

Enkele voorbeelden:

  • Het schijnt een spannend boek te zijn.
  • Wie is dat? Dat is mijn tante.

In het tweede deel van de zin Het was een prachtige film, hij ging over … staat een werkwoordelijk gezegde. Het voornaamwoord moet dan in geslacht passen bij het woord waar het naar verwijst (film), vandaar dat hier het onderwerp van de zin hij is.

Een heel duidelijke uitleg over het verschil tussen naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde staat trouwens ook op het weblog van de Taalprof.

Oefenen in de les

In je uitleg naar cursisten zou ik termen als koppelwerkwoord en naamwoordelijk gezegde vermijden, en meer naar de betekenis kijken. In al deze zinnen vertel je wat iemand of iets is. (De film is prachtig, het boek is spannend, de vrouw is mijn tante). Geef vooral veel voorbeelden. Besteed ook aandacht aan de persoonsvorm: die past zich aan aan het predicaat, niet aan het onderwerp (dus: Het zijn lekkere appels en niet Het is lekkere appels).

Daarna kun je in verschillende zinnen het juiste woord laten invullen. Ik zou daarbij trouwens de werkwoorden heten, dunken en voorkomen niet noemen, omdat die erg weinig voorkomen. Bij zijn kan het goed zijn om de verschillende betekenissen van het werkwoord te bespreken (als het ‘bestaan’ of ‘zich bevinden’ betekent, is het geen koppelwerkwoord, maar een zelfstandig werkwoord).

Betrekkelijk voornaamwoord: ‘die’ of ‘waarop’?

betrekkelijk voornaamwoord die of waarop

Wanneer gebruik je die en wanneer waarop als betrekkelijk voornaamwoord?

In de zin ‘De stoel die daar staat, is mooi’ is die een gewoon betrekkelijk voornaamwoord dat verwijst naar de stoel (het antecedent). Waarop in de zin ‘De stoel waarop ik zit, is mooi’ is een betrekkelijk voornaamwoordelijk bijwoord. Dat is een combinatie van waar en een voorzetselbijwoord.

Beide zinnen zijn op te vatten als samenvoegingen van twee zinnen, die zoiets moeten zijn als:

  1. De stoel staat daar. De stoel is mooi.
  2. De stoel is mooi. Ik zit op de stoel.

Dan zie je duidelijker het verschil in de verwijzing. In de eerste zin staat de stoel los in de zin, maar in de tweede zin staat er het vaste voorzetsel op bij. Dat op moet terugkomen in het betrekkelijk voornaamwoord, vandaar dat je dan waarop krijgt.

Om het helemaal ingewikkeld te maken, kun je dit waarop ook nog splitsen in de zin: ‘De stoel waar ik op zit, is mooi.’

Oefenen in de les

Behandel eerst de gewone betrekkelijke voornaamwoorden, en pas als die bekend zijn het betrekkelijk voornaamwoordelijk bijwoord (ten overvloede: vermijd die term! Ik noem het gewoon een betrekkelijk voornaamwoord).

Begin in elk geval met zinnen waarin het voornaamwoordelijk bijwoord niet gescheiden is; die zijn wat makkelijker. Ga op zoek naar goede, natuurlijke voorbeelden, liefst met combinaties van een werkwoord en vast voorzetsel die je cursisten al kennen (veel methodes hebben daar een lijst van).

Wat ideeën voor oefeningen:

  • Geef een aantal zinnen en laat benoemen waar het voornaamwoordelijk bijwoord naar verwijst.
  • Ga in een leestekst op zoek naar dit type betrekkelijk voornaamwoord, en benoem het antecedent en de combinatie van werkwoord en voorzetsel.
  • Laat zinnen samenvoegen. Je geeft dan bijvoorbeeld een aantal zinnen als: ‘De stoel is mooi. Ik zit op de stoel’, en laat daarvan maken ‘De stoel waarop ik zit, is mooi.’ Let daarbij, zeker in het begin, op de volgorde: begin met wat de hoofdzin moet worden.
  • Geef invulzinnen, als ‘De stoel _________ ik zit, is mooi.’ en laat de cursisten het juiste woord invullen. Doe dit eerst met alleen het voornaamwoordelijk bijwoord, en daarna met zinnen met beide typen betrekkelijk voornaamwoord.
  • Uiteraard oefen je ook met spreken: lok zinnen uit waarin ze het voornaamwoordelijk bijwoord moeten gebruiken. Laat ze bijvoorbeeld iets vertellen over een bepaald voorwerp.

Het is belangrijk om een aantal verschillende oefeningen te doen, en dit een paar keer terug te laten komen.