spelling

Spelling: ei of ij?

spelling: ei of ij?

Zijn er regels voor de keuze tussen ei en ij?

De klank [ei] kun je op twee manieren schrijven: ei en ij. Er lijken weinig regels te zijn voor de keuze tussen deze spellingen, maar er zijn wel wat handvatten te geven.

Geschiedenis

Dat we twee spellingen hebben voor de klank [ei] heeft een historische reden; in de Middeleeuwen werden deze klanken verschillend uitgesproken. De lange ij is een verlengde i. Die werd eerst als ii geschreven, maar de tweede i werd vaak verlengd tot een j, om duidelijker te maken dat het niet om een u ging (de puntjes werden vaak weggelaten in de Middeleeuwse handschriften). In de zestiende eeuw veranderde de uitspraak van [ie] naar [ei].

De korte ei komt van de verlengde e voor de uitgang -nd (bijvoorbeeld in eind), de Germaanse combinaties -egi (waarin later de g is weggevallen: vergelijk het Nederlandse zeil en het Duitse Segel) of ai (heide naast het Gotische haidi). De uitspraak van deze klank was eerst [ee], later [ai] en nog weer later [ei] (en tegenwoordig weer vaak [ai]).

Regels

Er zijn geen heel vaste regels voor de keuze tussen ij en ei, maar de herkomst van de klanken speelt nog steeds een rol. Ik geef enkele vuistregels.

Met een lange ij

  • Veel woorden die in dialecten met een [ie] worden uitgesproken, zijn met de lange ijmijn (mien), tijd (tied), wijf (wief);
  • Veel sterke werkwoorden die in de verleden tijd een ee hebben: lijden – leed – geledenprijzen – prees – geprezen;
  • Woorden die zijn afgeleid van Franse woorden y/istijl (van style), tapijt (van tapis);
  • Het achtervoegsel -lijk.

Met een korte ei

  • De achtervoegsels -erlij-gerei-heid, en –(i)teit;
  • Woorden die zijn afgeleid van Franse woorden met aitrein (van train);
  • Veel zwakke werkwoorden: leiden – leidde – geleid.
Oefenen in de les

Op de regels die ik hierboven gaf zijn helaas (veel) uitzonderingen. Op basisscholen valt dit daarom in de categorie ‘weetwoorden’, en wordt er apart mee geoefend om per woord aan te leren wat de juiste spelling is. Volwassenen worden natuurlijk vaak geholpen door de spellingcontrole, maar je kunt er toch voor kiezen om ermee te oefenen. Afhankelijk van je groep kun je gebruik maken van bovengenoemde vuistregels – of daar een keuze uit maken. Heb je mensen die Frans spreken in je groep, dan kun je verwijzen naar de parallel met woorden uit die taal. De spelling van de achtervoegsels kun je benoemen als je toch aandacht besteedt aan die achtervoegsels.

Als je apart wilt oefenen met de ij en ei, dan kun je natuurlijk een dictee gebruiken, maar als je cursisten hebt die moeite hebben met lezen en schrijven, kun je ook eerst kaartjes maken met een aantal woorden, en die laten sorteren op ei of ij, en daarna pas oefenen met schrijven. Je kunt dat af en toe terug laten komen; begin met hoogfrequente woorden, en voeg daar later andere woorden aan toe.

Ter inspiratie kun je hieronder een overzicht downloaden met de woorden met ei of ij (of soms allebei) uit de Hazenberg & Hulstijn-lijst van 2000 meest frequente woorden.

Werkwoordspelling

hoe werkt t kofschip

Hoe werkt ’t kofschip eigenlijk?

Er zijn verschillende ezelsbruggetjes in omloop die je kunt gebruiken bij de uitleg van de werkwoordspelling: ’t kofschipkofschiptaxietjextc-koffieshop en – in de NT2-wereld – soft ketchup zijn een paar voorbeelden. De overeenkomst tussen al deze woorden ken je misschien ook wel: de medeklinkers. Maar waarom nou juist deze? Daar is een heel simpele reden voor: de ch – f – k – p – s – t – x zijn de ‘stemloze’ medeklinkers. Dat wil zeggen dat je stembanden bij het uitspreken van die klanken niet meetrillen. Dat kun je voelen in het kuiltje onderaan je nek. Probeer het maar eens met de s en de z, bijvoorbeeld.

Stemloze en stemhebbende medeklinkers

In het Nederlands hebben klanken de neiging om zich aan elkaar aan te passen (een verschijnsel dat ‘assimilatie’ wordt genoemd). Dat kun je horen in de onvoltooid verleden tijd (het imperfectum): je zegt strafte en miste naast beloofde en reisde. Oftewel: je hebt twee stemloze of twee stemhebbende medeklinkers naast elkaar. Daaruit volgt dus dat je na de stemloze medeklinkers uit ’t kofschip in de verleden tijden een t krijgt, en na de overige stemhebbende medeklinkers een d.

Voor de volledigheid: bij het helemaal juist spellen van de verleden tijden spelen nog een paar spellingregels mee.

Oefenen in de les

Werkwoordspelling is een van de belangrijkste onderdelen van de Nederlandse spelling, omdat het veel mensen erg opvalt als iemand daar fouten mee maakt. Een groot voordeel voor NT2-cursisten is – mijns inziens – dat ze als volwassenen de regels leren, waardoor ze die vaak beter onthouden dan Nederlanders die ze (alleen) op de basisschool hebben geleerd. Maar een groot nadeel is dan weer dat het voor NT2-cursisten eigenlijk niet te doen is om te horen of je reisde of reiste zegt. Ze zullen het dus erg van de regels moeten hebben. 

Herhaling is ook hierbij, net als bij alles wat met taalverwerving te maken heeft, ontzettend belangrijk. Leg de regels duidelijk uit als je de voltooide tijden behandelt, en herhaal die gerust als je een groep op A2, B1 of zelfs B2 hebt. Soms valt het kwartje pas later. 

Wat werkvormen die je kunt gebruiken:

  • Dictee. Begin met de ‘makkelijke’ werkwoorden, waaraan je (door de aanwezigheid van ge-) direct kunt horen dat het een voltooid deelwoord is, of waarbij je geen rekening hoeft te houden met de z-s- en v-f-wisseling, zoals werkenmissenklappen, enz. Als dat goed gaat, kun je ook moeilijkere werkwoorden gebruiken of hele zinnen als dictee geven.
  • Een quizje: welke vorm is juist gespeld?
  • De juiste vorm in een zin laten invullen.
  • Zoek de fout. Een tekst of aantal zinnen voorleggen waarin je expres fouten hebt gemaakt. Wie kan ze allemaal vinden?
  • Zinnen (schriftelijk) laten omzetten van tegenwoordige tijd naar verleden tijd.
  • Tekst laten schrijven over het verleden.

Gebruik van het trema

gebruik van het trema

Wanneer gebruik je een trema?

De belangrijkste functie van het trema is om een woord makkelijker leesbaar te maken, als er twee klinkers naast elkaar staan die ook één klank kunnen zijn, maar dat in dit woord niet zijn (dat verschijnsel heet klinkerbotsing). Het trema staat altijd op de eerste letter van de nieuwe lettergreep. In de praktijk gaat het om de volgende combinaties:

  • ai: cocaïne
  • ee: geëxperimenteerd
  • ei: geïndexeerd
  • eu: reünie
  • ie: bacteriën
  • oe: jojoën
  • oi: egoïstisch
  • oo: coördineren
  • ui: ruïne

Er zijn nog enkele combinaties, maar die komen zo zelden voor dat ik ze hier niet noem. Op de website van Onze Taal staat een volledig overzicht.

Een trema kun je gebruik in afleidingen (woorden die met een voor- of achtervoegsel zijn afgeleid van een ander woord, zoals geëxperimenteerd)en in ongelede woorden (woorden die niet bestaan uit andere woorden of woorddelen) zoals ruïne). In samenstellingen gebruik je bij dergelijke lettercombinaties een streepje.

Drie of meer klinkers

Het komt ook voor dat er, zoals bij sleeën, drie (of zelfs nog meer) klinkers naast elkaar staan, met een klinkerbotsing erin. Andere voorbeelden: beëindigen, gecreëerd, naïeve.

De regels voor het gebruik van een trema zijn dan wat ingewikkelder. De regel is dat er dan alleen een trema komt op een e of een i. Vandaar dat bijvoorbeeld geuit geen trema krijgt. Ook komt er direct na een i geen trema (omdat die i dan meestal ongeveer als een j wordt uitgesproken): officieel en eieren zijn daar voorbeelden van.

Oefenen in de les

Het is goed mogelijk dat cursisten hier vanzelf een keer naar vragen – zoals ook bij mij gebeurde. Afhankelijk van het niveau kun je er dan veel of weinig uitleg over geven. Omdat mijn cursisten nog op weg zijn naar A2, heb ik alleen gezegd dat het trema een nieuwe lettergreep aangeeft, omdat al die e’s naast elkaar verwarrend kunnen zijn. Op B1 of B2 zou je er – als daar behoefte aan is – wat meer aandacht aan kunnen besteden. Laat je cursisten dan woorden bedenken – of opzoeken – waarin dit fenomeen optreedt. Kunnen ze beredeneren waarom een woord wel of geen trema heeft? Vervolgens kun je bijvoorbeeld een woorddictee geven.

Je kunt het ook omdraaien. Geef je cursisten een lijst met woorden, en laat ze die indelen in drie groepen: woorden zonder trema, afleidingen met trema en ongelede woorden met trema. Zorg ervoor dat ook de woorden zonder trema afleidingen of ongelede woorden zijn – anders krijg je te veel verwarring met samenstellingen. Laat dan bekijken welke combinaties wel een trema krijgen en welke niet.

Onderstaande woorden komen voor het merendeel uit de lijst met 5000 meest frequente woorden van Hazenberg & Hulstijn. Deze woorden zou je kunnen gebruiken.

aaien, beïnvloeden, biologisch, categorieën, chaos, cliënt, cocaïne, coöperatie, coördinator, criterium, discussiëren, draaien, essentiële, februari, geantwoord, geëindigd, geërgerd, geïnformeerd, ideaal, ideeën, individueel, industrieën, initiatief, intellectueel, internationaal, januari, materiaal, milieu, officiële, oliën, patiënt, poëzie, reactie, reageren, realiseren, ruïne, traditioneel, tweeën, voltooien, waaien, weeën, zwaaien

Interessant zijn ook duo’s als officieel – officiële, individueel – individuele. Het toevoegen van de buigings-e kan invloed hebben op het wel of niet schrijven van het trema. Begrijpen je cursisten ook waarom?

Gebruik van de apostrof

gebruik van de apostrof

Wanneer gebruik je een apostrof?

De belangrijkste functie van de apostrof (ook wel ‘hoge komma’ genoemd, maar dat is niet de officiële term), is de juiste uitspraak van een woord waarborgen. Dat speelt bijvoorbeeld bij meervouden en verkleinvormen. Maar in andere gevallen is het gebruik van de apostrof eerder een kwestie van gewoonte. Hieronder volgt een korte toelichting op de verschillende soorten woorden waarbij we een apostrof gebruiken.

Meervouden en bezitsvormen

Het meervoud of de bezitsvorm van een woord dat in het enkelvoud eindigt op een aiou of y krijgt een apostrof: foto’scamera’sbaby’sAnna’s fietsRomeo’s serenade. Als het woord eindigt op een toonloze e of een é komt er geen apostrof: horlogesBenthes laptopcafésRenés beslissing. Zie ook dit advies op Onze Taal

Bij namen die op een s of ander sisklank eindigen, komt er alleen een apostrof, en niet ook nog een s: Iris’ truiLorance’ inzetMulisch’ boek. Meer uitleg over bezitsvormen vind je ook op Onze Taal.

Verkleinvormen

Ook in sommige verkleinwoorden gebruiken we de apostrof. Dat is het geval bij woorden die eindigen op een y (behalve als er een andere klinker voorstaat) of op een u die als [oe] wordt uitgesproken: baby’tjesudoku’tje. Ook hierover heeft Onze Taal een advies. 

Afkortingen, losse letters, cijfers, enz.

Als je afleiding maakt van een afkorting, een losse letter of cijfer, dan doe je dat ook met een apostrof: zzp’er6’jea’tje. Let erop dat je in samenstellingen van dit typ een streepje gebruikt: zzp-regelingA4-papier. Ook in werkwoorden met afkortingen verschijnt deze apostrof, maar alleen ná de afkorting. Na het voorvoegsel ge van het voltooid deelwoord komt een streepje: cc’enhij cc’tge-cc’d. Zie ook de adviezen van Onze Taal over afkortingen en werkwoorden.

Oefenen in de les

Introduceer al deze categorieën in je lessen als je ze tegen komt. Als je het meervoud behandelt, benoem je dus ook de vorm met apostrof. Dat is de enige vorm die je al bij beginners tegenkomt; alle overige zijn voor veel verder gevorderden (B1 en hoger). Als je een B2-groep hebt, kan het zinvol zijn om al deze regels eens op een rijtje te zetten; dat geeft overzicht. Vervolgens kun je bijvoorbeeld oefenen met een (woord)dictee. Ook quizzen, bijvoorbeeld met Kahoot, lenen zich heel goed voor allerlei spellingonderwerpen.

Spelling van woorden met b-p, d-t, v-f en z-s

Spelling van woorden met b-p, d-t, v-f en z-s

Waarom schrijven we hond en niet hont?

Spelling van woorden met de duo’s b-p, d-t, v-f en z-s is voor NT2-cursistn vaak lastig. Het verschil tussen d en t aan het eind van een woord is niet te horen, maar toch schrijven we hond en niet honden. Waarom is dat?

Uitgangspunten van de spelling

De Nederlandse spelling heeft drie belangrijke uitgangspunten:

  1. de standaarduitspraak
  2. de herkomst van woorden
  3. vormovereenkomst

De spelling van het woord hond heeft met dat laatste uitgangspunt te maken. Dat we kijken naar vormovereenkomst betekent dat we een woord of woorddeel steeds op dezelfde manier schrijven, ook in afleidingen of samenstellingen. Dus omdat we in het meervoud honden duidelijk een d zeggen, schrijven we die ook bij het enkelvoud hond. Op deze manier zijn woorden makkelijker herkenbaar. Hetzelfde geldt bij woorden die op een b eindigen: heb – hebben (niet hep en hebben). 
Toch zijn er op deze regel ook uitzondering: je schrijft niet huiz maar huis (en wel huizen) en niet reiz maar reis (en wel reizen). Dat heeft te maken met een andere regel: een Nederlands woord eindigt nooit op een z of een v. Alleen sommige vrij recente leenwoorden kunnen wel op die letters eindigen.

Stemloos en stemhebbend

Helemaal toevallig is het niet dat dit probleem nou juist bij deze klanken speelt. Even op een rijtje: het gaat om de klanken s – f – t – p. Deze vormen samen met k en ch een bekend groepje: de medeklinkers van soft ketchup (of ’t kofschip voor Nederlanders). Dit zijn allemaal stemloze medeklinkers: als je deze uitspreekt, trillen je stembanden niet mee. De eerste vier hebben stemhebbende tegenhangers, waarbij de stembanden wel meetrillen (z – v – d – b). In het Standaardnederlands hebben de k en ch zo’n tegenhanger niet, maar in sommige dialecten is de g stemhebbend (en rijmen lachen en vlaggen dus niet echt op elkaar).

Oefenen in de les

Voor NT2-leerders geeft een woord als hond of heb problemen bij het uitspreken en bij het schrijven. Om met de uitspraak te beginnen: je moet je cursisten dus leren dat woorden in het Nederlands nooit op stemhebbende klanken eindigen. In simpeler Nederlands: een d spreek je aan het eind van een woord uit als t, en een b als p

Maar dan het schrijven. Allereerst moet je je cursisten leren dat de uitspraak en spelling van een woord niet altijd met elkaar kloppen. Het laten zien van enkelvoud en meervoud geeft vaak veel inzicht. Hond naast honden en heb naast hebben ziet er immer logisch uit. Maar je moet je cursisten ook leren dat woorden niet eindigen op een v of z, en dat die dus veranderen in een f of s

Je zou een kleine lessenserie rondom deze klanken kunnen maken, waarin je elke keer één klank centraal zet. Voor de b kan dat er zo uitzien:

  • Zeg de woorden heb, club, krab, bieb, rib, eb en laat die nazeggen.
  • Schrijf de woorden op het bord (of zet ze in een PowerPoint) en laat ze voorlezen.
  • Zeg de woorden en laat ze opschrijven. Je kunt eventueel enkele woorden in het meervoud zetten of ook wat woorden die wél op een p eindigen toevoegen.

Voor de andere klanken kun je vergelijkbare lesjes maken. Je kunt er overigens ook voor kiezen om per aspect te oefenen: dus eerst de uitspraak, dan voorlezen en tot slot schrijven.

Korte uitleg van de werkwoordspelling

korte uitleg van de werkwoordspelling

Hoe zit het ook alweer met de d’s en t’s?

Hoewel veel mensen werkwoordspelling erg lastig vinden, zijn de regels eigenlijk heel duidelijk, en zijn er weinig uitzonderingen. Belangrijk is vooral dat je weet met welke werkwoordsvorm je te maken hebt, zodat je weet welke regel je moet toepassen. Een korte uitleg van de werkwoordspelling.

Presens

In het presens zijn bijna alle werkwoorden regelmatig. De ik-vorm is direct afgeleid van de stam van het werkwoord; soms zijn deze twee hetzelfde, soms zijn er aanpassingen in de spelling (denk aan enkele en dubbele letters en de wisseling van v naar f en van z naar s). In de jij-, u- en hij-vorm komt daar een t achter. Meer over het verschil tussen de stam en de ik-vorm lees je op mijn algemene website.

infinitiefstamik-vormhij-vorm
werkenwerkwerkwerkt
bellenbellbelbelt
stakenstakstaakstaakt
reizenreizreisreist
levenlevleefleeft
meldenmeldmeldmeldt

Onregelmatig in het presens zijn de werkwoorden hebben en zijn en de modale werkwoorden mogenkunnenzullenwillen en moeten.

Imperfectum en perfectum

In de verleden tijden zijn er veel meer onregelmatige werkwoorden. Deze zullen cursisten uit hun hoofd moeten leren. Over het algemeen gaat het om hoogfrequente werkwoorden, wat het leren vergemakkelijkt.

Voor de regelmatige werkwoorden gebruiken we in het Nederlands vaak het ezelsbruggetje van ’t kofschip; in de NT2 is dat meestal soft ketchup. Let erop dat het hier om een ezelsbruggetje gaat, en niet om de regel zelf. De regel is een klankregel, die te maken heeft met stemloze en stemhebbende klanken. Bij stemhebbende klanken trillen je stembanden. Dat is te voelen aan je keel als je bijvoorbeeld de [z] langer aanhoudt. Als de stam van een werkwoord op zo’n stemhebbende klank eindigt, schrijf je in de verleden tijden een (stemhebbende) d. Anders schrijf je een t. De stemloze klanken zijn de kfschp en tLees hier meer over het gebruik van ’t kofschip of de soft ketchup.

Voor de spelling van deze vormen moeten cursisten dus verschillende stappen zetten:

  1. Bepalen wat de infinitief is.
  2. Bepalen wat de stam is en of die eindigt op een van de medeklinkers uit soft ketchup.
  3. De juiste uitgang achter de ik-vorm zetten.  
infinitiefstamik-vormimperfectumparticipium
werkenwerkwerkwerktegewerkt
bellenbellbelbeldegebeld
stakenstakstaakstaaktegestaakt
reizenreizreisreisdegereisd
levenlevleefleefdegeleefd
meldenmeldmeldmelddegemeld
Oefenen in de les

Het is handig om vanaf het begin onderscheid te maken tussen de stam en de ik-vorm van werkwoorden; dat maakt het later makkelijker om de spellingregels toe te passen. Wijs je cursisten ook al snel op enkele eigenaardigheden, zoals de wisseling tussen v en f en z en s. Ook kan het handig zijn om te wijzen op de dt bij werkwoorden waarvan de ik-vorm op een d eindigt.

Bij het aanleren van het imperfectum en het perfectum kun je ook direct de spellingregels hiervoor behandelen. Het ezelsbruggetje van soft ketchup werkt meestal goed. Leg goed uit dat ze voor de keuze tussen d en t moeten kijken naar de stam, maar in de spelling de ik-vorm als basis gebruiken. 

Het kan handig zijn om specifiek te oefenen met de spelling van deze woorden, bijvoorbeeld door een rijtje werkwoorden op te geven en daarvan het imperfectum en participium (het voltooid deelwoord) te laten opschrijven. Ook kun je de juiste vorm laten invullen in zinnen. Verder geef je bij fouten hierin in schrijfopdrachten natuurlijk feedback. In het begin kun je prima de juiste vorm geven, maar als je ergens mee geoefend hebt, is het zinvoller om alleen aan te geven dat het woord niet juist is geschreven, en de cursist zelf te laten opzoeken wat wel de juiste vorm is. Op die manier slijt de kennis van de regels beter in.

Vooral werkwoorden als beloven en gebeuren zijn lastig, omdat het presens en het participium daarvan hetzelfde klinken

Wat zijn samenstellingen?

wat zijn samenstellingen

Wat weet je over een woord als het een samenstelling is?

Een samenstelling is een woord (meestal een zelfstandig naamwoord), dat bestaat uit twee of meer woorden die ook als zelfstandig woord in het Nederlands voorkomen. Zo is koffiekopje een samenstelling van koffie en kopje en slaapkamer van slaap en kamer. Meestal is de betekenis van een samenstelling vrij eenvoudig uit de losse delen vast te stellen – uitzonderingen daargelaten. Hoe de twee delen met elkaar samenhangen verschilt nogal.

Een samenstelling zien we als één woord, dat we zonder spaties schrijven. Dat is ook zo bij lange samenstellingen als hogesnelheidstrein. Wel kan het nodig zijn om een streepje te zetten, bijvoorbeeld als het woord een afkorting bevat, of als er sprake is van klinkerbotsing

In samenstellingen komen vaak tussenklanken voor: de e(n) of s. Voor beide klanken geldt dat het kan gaan om resten van naamvalsuitgangen, meervouden of overgangsklanken. De spellingregels voor de tussen-n zijn vrij ingewikkeld; de tussen-s schrijf je als je hem uitspreekt. De officiële regels voor de tussen-n vind je in het Groene Boekje

Het laatste deel van de samenstelling bepaalt het woordgeslacht van het hele woord: de koffie + het kopje = het koffiekopje. De klemtoon verschuift juist weer vaak naar voren. Vergelijk de uitspraak van kopje koffie en koffiekopje.

Oefenen in de les

Voor cursisten is het belangrijk om vertrouwd te raken met samenstellingen. Je kunt hier rond niveau A2 mee beginnen. Belangrijk voor hen is om in elk geval het volgende te weten:

  • Je kunt de betekenis afleiden uit de delen van het woord.
  • Het laatste deel van de samenstelling bepaalt het lidwoord, en de meervoudsvorm.
  • De klemtoon ligt (meestal) op het eerste deel van de samenstelling.

Je kunt bijvoorbeeld een rijtje samenstellingen met je cursisten bespreken. Kies daarbij woorden die ze nog niet kennen, maar waarvan ze de losse delen wel kennen. Gebruik een mix van de– en het-woorden, en zet er ook een paar in het meervoud. Gebruik ook rustig een woord met drie delen (zoals hogesnelheidstrein). Laat je cursisten bedenken welke delen ze herkennen en wat dan de betekenis van het hele woord is. Vraag daarbij ook steeds wat het lidwoord van de samenstelling zal zijn. Op deze manier komen cursisten erachter dat ze van zulke lange woorden vaak zelf de betekenis en het woordgeslacht kunnen achterhalen. Je kunt ook in een tekst uit de methode die je gebruikt op zoek gaan naar samenstellingen. Begrijpen ze wat die betekenen?

Op hogere niveaus kun je meer aandacht besteden aan de spelling van de samenstellingen, waarbij je eventueel ook lastige gevallen kunt behandelen. Veel uitleg vind je op de website van Onze Taal.

Los hiervan kun je oefenen met de uitspraak van samenstellingen: horen ze waar de klemtoon ligt? En kunnen ze dat goed nazeggen?

Wanneer gebruik je hoofdletters?

wanneer gebruik je hoofdletters

Welke woorden krijgen in het Nederlands hoofdletters?

Hoofdletters markeren in het Nederlands dat er ‘iets’ is met een woord. Het gaat dus altijd om een bijzonder woord; daarom schrijven we niet zo veel hoofdletters. De officiële regels voor het gebruik van hoofdletters vind je in het Groene Boekje. Op de website van Onze Taal vind je uitleg over veel losse kwesties. Onze Taal wijkt in sommige gevallen af van de officiële spelling maar vermeldt dat altijd. Ik geef hier de belangrijkste regels.

Met hoofdletter

Een hoofdletter gebruik je in de volgende gevallen:

  1. Bij het eerste woord van een zin.
  2. Bij namen van personen en dieren (de aanspreeknaam: dus: Onze poes heet Poekie).
  3. Bij aardrijkskundige namen. Dat zijn dus namen van plaatsen, provincies, landen, rivieren, bergen, maar ook talen en volkeren.
  4. Bij namen van unieke instellingen, merken, bedrijven en titels. Enkele voorbeelden: de Hoge RaadCoca-ColaAV TaaltrainingDe naam van de roos

Zonder hoofdletter

In de volgende gevallen gebruik je een kleine letter:

  1. Bij algemene aanduidingen voor plaatsen en bedrijven: een pleineen postkantoor
  2. Bij soortnamen van dieren: een papegaai
  3. Bij soortnamen die zijn afgeleid van personen, aardrijkskundige aanduidingen of merken: Die auto rijdt op dieselHij drinkt een glas bordeauxZij doet de luxaflex dicht.
  4. Bij benamingen van godsdienstige, maatschappelijke of artistieke stromingen en hun aanhangers: christendom, marxisme, kubisme, moslim
  5. Bij functienamen: docent, directeur, accountmanager
  6. Bij dagen van de week en maanden van het jaar (en in de officiële spelling ook bij historische periodes): maandag, september, middeleeuwen
Oefenen in de les

Hoe je dit behandelt, hangt erg af van je doelgroep en het soort cursus dat je geeft. Ik geef soms trainingen schrijfvaardigheid op B1 of B2, en dan besteed ik altijd (een deel van) een les aan het gebruik van hoofdletters, waarin ik juist ook inga op wat ongebruikelijkere gevallen. Bij algemene cursussen tot A2 behandel ik wat er ter sprake komt. Dat wil zeggen: als we het hebben over dagen en maanden, vertel ik er meteen bij dat we die in het Nederlands met kleine letters schrijven. Verder geef ik meestal feedback op het moment dat ik zie dat het nodig is.

Als je werkt met cursisten die pas net gealfabetiseerd zijn, zou je af en toe specifiek aandacht kunnen besteden aan een bepaalde regel, en dan bijvoorbeeld een (woord)dictee geven. Ook kun je een tekstje geven waarin je alle hoofdletters hebt weggehaald, en de cursisten laten aanstrepen welke woorden met een hoofdletter moeten. En natuurlijk kun je een schrijfopdracht geven, waarin ze de hoofdletters op de juiste manier moeten gebruiken. Je kunt ze bijvoorbeeld iets over hun land van herkomst laten vertellen (wat zijn belangrijke steden, hoe heten de provincies of deelstaten, welke talen worden er gesproken, enz.) Dan komen er vanzelf redelijk wat woorden aan bod die wel of geen hoofdletter moeten hebben.

Het meervoud vormen

het meervoud vormen

Hoe vorm je het meervoud van zelfstandig naamwoorden?

In het Nederlands zijn er twee manieren om het meervoud van een zelfstandig naamwoord te vormen: je voegt -en of -s toe aan het enkelvoud. Volgens de spellingregels is het soms nodig om een apostrof voor die -s te zette, wat veel methodes onderscheiden als aparte meervoudsvorm. Ook zijn er enkele onregelmatige meervoudsvormen.

De meeste zelfstandige naamwoorden hebben een meervoud op -en. Daarbij kan wel het een en ander veranderen in de spelling.

  • raam – ramen
  • vis – vissen

Zie ook het advies over enkele en dubbele letters.

In veel woorden is ook een wisseling van f naar v en van s naar z.

  • brief – brieven
  • huis – huizen

Woorden die een meervoud met -s krijgen zijn: verkleinwoorden, persoonsnamen op -ier, vrouwelijke persoonsnamen op -e en -ster.

  • kopje – kopjes
  • koerier – koeriers
  • secretaresse – secretaresses
  • verpleegster – verpleegsters

Daarnaast zijn er nog enkele (mannelijke) persoonsaanduidingen die in het meervoud een -s krijgen.

  • broer – broers
  • oom – ooms
  • zoon – zoons (zonen komt alleen in formeel taalgebruik voor)
  • kok – koks
  • bruidegom – bruidegoms

Daarnaast krijgen woorden die uit andere talen zijn geleend meestal ook een meervoud op -s.

  • film – films
  • computer – computers

Ook woorden die eindigen op een van de volgende onbeklemtoonde lettergrepen hebben meestal een meervoud op -s (maar soms komen beide vormen voor).

  • -el: tafels
  • -en:gegevens 
  • -er: komkommer
  • -em: bezems
  • -erd: lieverds

Bij woorden op -e komen vaak beide vormen voor: ziekten – ziektes, gemeente – gemeenten.

Woorden die eindigen op een klinker krijgen ook een meervoud op -s. Vanwege de spellingsregels komt hier een apostrof voor:

  • oma – oma’s
  • foto – foto’s
  • taxi – taxi’s
  • menu – menu’s
  • baby – baby’s

Tot slot zijn er enkele onregelmatige meervouden. In sommige gevallen is de klinker in het enkelvoud kort en in het meervoud lang.

  • dag – dagen
  • weg – wegen
  • slot – sloten

Soms verandert de klinker.

  • lid – leden
  • stad – steden

In sommige gevallen krijgt het meervoud de uitgang -eren.

  • kind – kinderen
  • ei – eieren
  • lied – liederen

Helemaal volledig is dit overzicht niet; zie daarvoor bijvoorbeeld de Grammatica voor anderstaligen, van A.M. Fontein en A. Pescher-ter Meer.

Oefenen in de les

Veel meervoudsvormen komen op heel natuurlijke vorm voor je in je les, omdat je die nu eenmaal veel gebruikt. Als het onderwerp in je methode wordt behandeld, of als er vragen over komen van je cursisten, kun je wat meer vertellen over de regels. Dat doe ik overigens nooit zo gedetailleerd als hierboven. Vooral over de uitzonderingen ben ik veel korter. Ik benoem enkele woorden die we al gehad hebben. Wel wijs ik erop dat het lidwoord in het meervoud altijd de is, ook bij woorden die in het enkelvoud het hebben.

De werkvorm die ik het meest gebruik voor het oefenen met meervouden (afgezien van gesprekken waarin ze voorkomen) is deze: Ik geef ze een stapel met kaartjes waarop woorden staan die we al gehad hebben, en vraag ze daarbij het meervoud te bepalen. Dat doe ik meestal in duo’s. 

Je kunt ook hele zinnen in het meervoud laten zetten, dan oefen je meteen ook de werkwoordsvormen nog een keer. Geef dan zinnen als ‘Hij heeft een boek’, waar van de cursisten moeten maken ‘Zij hebben twee boeken’ (of laat ze variëren met de telwoorden om die weer eens te oefenen).

Enkele en dubbele letters

enkele en dubbele letters

Wanneer schrijf je in het Nederlands enkele of dubbele letters?

De keuze tussen één of twee letters heeft veel te maken met uitspraak, wat meteen verklaart waarom dit voor zoveel NT2-leerders lastig is. Om te weten of je man of maan schrijft, moet je namelijk het verschil tussen die twee goed kunnen horen. Als dat lukt, moet je vervolgens weten dat de meervoudsvormen van deze worden mannen en manen zijn. Dat is best lastig (ook voor Nederlandse kinderen trouwens, weet iedereen die jonge kinderen in zijn of haar omgeving heeft (gehad)). Er zijn een paar dingen die je moet weten om de juiste spelling te bepalen.

  1. Hoor je een open of een gesloten klank?
  2. Hoeveel lettergrepen heeft het woord? Er is verschil tussen woorden van één lettergreep en langere woorden.
  3. Is de lettergreep open of gesloten? Een open lettergreep eindigt op een klinker, een gesloten lettergreep op een medeklinker.

Even tussendoor: in het Nederlandse onderwijs gebruiken we meestal de termen ‘lange’ en ‘korte’ klinker, maar dat zijn eigenlijk geen goede termen. De klanken zijn namelijk even lang. Open en gesloten zijn voor NT2-cursisten vaak inzichtelijker, omdat die refereren aan de stand van je mond. Bij de [aa] is je mond veel verder open dan bij de [a]. Vandaar dat ik een voorkeur heb voor deze termen.

Vervolgens kun je de volgende regels toepassen:

  • Een gesloten klinker schrijf je altijd met één letter: pet, kat
  • Als een woord meerdere lettergrepen heeft, verdubbel je de medeklinker na een korte klank: petten, katten
  • Een open klinker in een gesloten lettergreep schrijf je met twee letters: maan, vrienden
  • Een open klinker in een open lettergreep schrijf je met één letter, behalve de ee aan het eind van een woord: manen, lopen, zee.
  • Bij meer gevorderde cursisten kun je nog wijzen op de uitzondering voor woorden die eindigen op -el, -em, -es, -ik, -il, -it en -um, Bij die woorden verdubbelt de medeklinker niet in meervouden of werkwoorden: engelen, monniken, stencilen.
Oefenen in de les

Eigenlijk kun je dit al benoemen zodra je begint met het behandelen van open en gesloten klinkers. Zeker hogeropgeleiden die de taal veelal ook van schrift leren, merken immers al snel dat ze de uitspraak van woorden slecht kunnen voorspellen op basis van de spelling. Ik leg dit dan ook altijd al uit in de eerste lessen met zo’n groep of cursist. Dat doe ik door te beginnen met het oefenen van de open en gesloten klinkers. Als ze dat verschil niet horen, is het immers heel lastig om de juiste spelling aan te leren. Vervolgens moeten ze een woord in lettergrepen kunnen opdelen. Dat kun je makkelijk oefenen door woorden te klappen. De volgende stap is: is de lettergreep open of gesloten? Aan deze kennis kun je dan de uitleg van de regels ophangen. En daarna is het natuurlijk een kwestie van veel blijven oefenen en herhalen.

Via de knop hieronder kun je een pdf downloaden met een beslisboom voor de keuze tussen één of twee letters.