schrijven

‘U’ of ‘jij’?

u of jij in zakelijke mail

Gebruik je u of jij in een zakelijke mail?

Of je in een brief of mail u gebruikt, hangt vooral af van hoe formeel of informeel de context is. Een sollicitatiebrief of een eerste contact met een potentiële klant is vaak formeel; daarbij past u. Ook in de juridische en financiële wereld wordt nog vrij veel u gebruikt in contact tussen een professional en een klant. In de meeste andere situaties is in Nederland je gepaster, zeker zodra je elkaar ook al ontmoet of gesproken hebt en er geen groot verschil in hiërarchie is.

Helemaal zwart-wit is deze kwestie natuurlijk niet; de een zegt vaker u dan de ander. Belangrijk is ook wat bij de schrijver past.

Consequent

In alle zakelijke teksten is het belangrijk om consequent te zijn, dus ook hierbij. Schrijf je u, dan hoort daar ook een formele aanhef (met achternaam) bij. Bij je past bijvoorbeeld Beste Achraf. Ook in de rest van de tekst moet je consequent zijn, dus steeds u of je. Maar wat nou als je ook een meervoud wilt gebruiken? Jullie is een informeel meervoud; dat past dus niet bij u. Daarbij gebruik je dan toch weer u; daar kun je ook meerdere personen mee bedoelen. Als je dat niet duidelijk genoeg vindt, kun je ook kiezen voor de naam van het bedrijf. Vergelijk deze voorbeelden:

Beste Achraf,
Graag kom ik terug op je mail van vorige week. […] Ik zie dat jullie nog een tweede order geplaatst hebben.

Geachte heer Ammoudi,
Graag kom ik terug op uw mail van vorige week. […] Ik zie dat u nog een tweede order geplaatst hebt.

Geachte heer Ammoudi,
Graag kom ik terug op uw mail van vorige week. […] Ik zie dat Company X nog een tweede order geplaatst heeft.

Oefenen in de les

Je kunt hier natuurlijk feedback op geven bij schrijfopdrachten, maar je kunt er ook actiever mee aan de gang in een les. Bijvoorbeeld op de volgende manieren:

  • Schets verschillende korte scenario’s en laat je cursisten bedenken wat de beste keuze is in een mail.
  • Laat cursisten een lijstje maken met mensen aan wie ze weleens mailen: wanneer zouden ze u moeten gebruiken, en wanneer jij?
  • Leg je cursisten een u-versie en een jij-versie van dezelfde mail voor. Welke vinden ze gepaster?
  • Geef je cursisten een mail waarin u en jij door elkaar zijn gebruikt, en laat ze die verbeteren.

Het woord ‘voor’

het gebruik van voor

Ik woon ‘voor’ vijf jaar in Nederland

Voor is geen makkelijk woord om te leren, doordat het veel verschillende betekenissen kan hebben (de Dikke Van Dale geeft er 16!). Bovendien lijkt het in vorm (en soms in betekenis) erg op het Engelse for. Ik werk veel met mensen die het Engels als moedertaal of belangrijkste voertaal hebben, wat de verwarring alleen maar groter maakt.

Het Nederlandse voor kan natuurlijk een locatie aanduiden, maar ook bijvoorbeeld een volgorde (a komt voor b), de duur waarvoor iets geldt (dat is genoeg geld voor een week) en kan betekenen ‘het genoemde in aanmerking genomen (het is koud voor de tijd van het jaar). Sommige van die betekenissen en gebruikswijzen zijn gelijk aan het Engelse for, maar dat kan daarnaast ook weer andere betekenissen hebben. Het kan bijvoorbeeld goed een doel aanduiden (a grant for studying medicine) en een tijdsperiode (I’ve lived here for five years).

Oefenen in de les

Die Engelse betekenissen zie en hoor ik vaak terug bij cursisten. Ze maken bijvoorbeeld zinnen als: 

  • Als het niet voor jou lukt om het te doen voor je vakantie […]
  • Ik vind het goed om de uitnodiging te maken voor een gesprek te hebben. 
  • Bedankt voor dit hebben gecheckt.
  • Ik woon voor vijf jaar in Nederland.

De lastigheid is dat wij hier in het Nederlands vaak heel andere constructies gebruiken. Om dit soort fouten af te leren (of te voorkomen), is het belangrijk je cursisten aan te leren om zo min mogelijk te vertalen. Dus niet in het Engels bedenken wat je wilt zeggen, en dat dan opschrijven, maar meteen in het Nederlands formuleren. Oefen bepaalde formuleringen ook regelmatig. Stel vragen als: ‘Hoe lang woon je in Nederland?’ ‘Hoe lang werk je bij bedrijf X?’ ‘Hoe lang zit je op Nederlandse les?’ Door steeds dezelfde formulering te moeten gebruiken, slijt die na verloop van tijd in.

Voor fouten die minder frequent voorkomen (zoals Bedankt voor dit hebben gecheckt) kan het helpen om de goede formulering te geven, en die te laten verwerken in een (schrijf)opdracht.

Gebruik van maar, eens, even

maar eens even

Op welke plek staat ‘maar’ in de zin?

De Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) onderscheid twee soorten partikels: focuspartikels als ookzelfsalleenalnog en pas en schakeringspartikels als tochdanmaarnoueens en even. De plaatsing in de zin is voor deze groepen niet helemaal hetzelfde.

Focuspartikels

Waar een focuspartikel in de zin staat, hangt af van waar het partikel iets over zegt. Als het over het werkwoordelijk gezegde gaat, staat het zo ver mogelijk naar achter in de zin. Dat wil zeggen: voor de laatste werkwoorden of voor de zinsdelen die heel nauw met het werkwoord verbonden zijn (bijvoorbeeld met een vast voorzetsel).

  • Wacht maar even, dat komt nog.
  • Ze zegt dat ze er om zeven uur al was.
  • Ze zijn om drie uur pas naar huis gegaan.

In andere gevallen staat het focuspartikel bij voorkeur vlak bij het zinsdeel waar het iets over zegt. Als het zinsdeel bepaald is, staat het partikel vaak ná dit zinsdeel. Bij onbepaalde zinsdelen komt het er makkelijker voor. Heel vast zijn deze regels niet.

  • Heb je dat boek al gelezen?
  • Ik heb deze zomer al drie boeken gelezen.
  • Zullen we die éne aflevering nog kijken?
  • Zullen we nog die éne aflevering kijken?

Oordeelspartikels

De plaats van de oordeelspartikels komt grotendeels overeen met die van de focuspartikels. Ook hier speelt een rol of het zinsdeel (vaak een lijdend voorwerp) bepaald is of niet.

  • Doe de deur maar dicht.
  • Geef mij maar rode wijn.

Ook de vorm van het meewerkend voorwerp speelt trouwens mee. Als het meewerkend voorwerp een voorzetsel bevat, kan dit ook helemaal aan het eind van de zin staan.

  • Geef haar maar rode wijn.
  • Geef Emma maar rode wijn.
  • Geef aan Emma / haar maar rode wijn.
  • Geef maar rode wijn aan Emma / haar.

Meer uitleg over de volgorde van het lijdend en meewerkend voorwerp vind je hier.

Oefenen in de les

In je uitleg kun je je beperken tot het verschil tussen bepaald en onbepaald. Verder is het vooral een kwestie van veel voorbeelden laten zien. Zoals met alle kwesties die met woordvolgorde te maken hebben, kun je dit goed oefenen met zinsdelen op losse kaartjes (of digitaal met Flippity – manipulatives). Ook kun je natuurlijk je cursisten zelf zinnen laten maken, waarbij je let op de woordvolgorde. Denk er daarbij aan dat dit niet alleen maar speelt bij de gebiedende wijs, maar ook in mededelende en vragende zinnen.

Ook leuk om te laten zien is dit rijtje van Wim Daniëls:

Alleen hij zei dat hij van haar hield.
Hij alleen zei dat hij van haar hield.
Hij zei alleen dat hij van haar hield.
Hij zei dat alleen hij van haar hield.
Hij zei dat hij alleen van haar hield.
Hij zei dat hij van alleen haar hield.
Hij zei dat hij van haar alleen hield.
Hij zei dat hij van haar hield, alleen …

Volle en gereduceerde vormen

volle en gereduceerde vormen

De volle en gereduceerde vormen van voornaamwoorden

Veel persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden hebben twee vormen: een volle en een gereduceerde vorm. 

  • Karlijn is beter in Frans dan jij.
  • M’n telefoon is weg. Ik had ‘m net nog in m’n hand.
  • Weet jij waar Simon is? Nee, is-ie misschien in de keuken?

In onderstaande tabel staan de volle en gereduceerde vormen, geordend op persoon (eerste, tweede, derde). 

volle vormgereduceerde vorm
ik, mij, mijn’k, me, m’n
jij, jou, jouwje (voor alle vormen)
hij, hem, zijn-ie, ’m, z’n
zij, haarze, d’r
het, zijn’t, z’n
wijwe
zijze

Zoals je ziet hebben hebben niet alle voornaamwoorden een gereduceerde vorm: ujullie en ons/onze niet. En het is de vraag in hoeverre je ze als gereduceerde vorm van hun/hen kunt zien. Ook met het is wat aan de hand: dat kun je weer eigenlijk niet als volle vorm zien. Dat wil zeggen: het persoonlijk voornaamwoord het kan nooit nadruk krijgen, dan gebruik je dat (of eventueel dit).

Gebruik van de vormen

De volle vorm gebruiken we vooral al het voornaamwoord nadruk krijgt. Dat is bijvoorbeeld het geval als er een duidelijke tegenstelling tussen twee personen is, of in een aanspreking. Verder gebruik je de volle vorm na dan en als, als een niet-voorwerpsvorm deel uitmaakt van het eerste zinsdeel, en als hij vooraan de zin staat, kun je ook alleen de volle vorm gebruiken. Een vollediger overzicht staat in de ANS (Algemene Nederlandse Spraakkunst).

  • Nee, ik bedoel niet jou, maar hem!
  • Jij daar, wat zei je?
  • Rogier weet daar meer van dan jij.
  • Met mij gaat het goed, en met jou?
  • Hij bedoelt het goed.

Gereduceerde vormen gebruik je verplicht als je naar niet-personen verwijst, als je iemand identificeert en als ethische datief.

  • Zij liggen op bed. (kan alleen over mensen gaan)
  • Ze liggen op bed. (kan over mensen gaan, maar ook over bijvoorbeeld kledingstukken)
  • Dat was me wat zeg!

Spreektaal en schrijftaal

De gereduceerde vormen zijn zeker in spreektaal heel gewoon; we gebruiken ze dan eigenlijk altijd in onbeklemtoonde posities. In schrijftaal gebruiken we dan ook vaak de volle vorm, zelfs als we die bij het voorlezen niet zo uitspreken. Vormen als -ie‘m en d’r komen in schrijftaal maar weinig voor, en ook z’n en m’n worden als erg informeel gezien. Dat wil zeggen: je kunt ze wel gebruiken in een WhatsApp-chat, maar niet in een zakelijke e-mail. Vormen als jeme en ze kunnen zonder meer ook in (formele) schrijftaal gebruikt worden.

Oefenen in de les

NT2-cursisten krijgen eigenlijk vanaf het begin al te maken met het verschil tussen bijvoorbeeld jij en je. Dat zijn immers vormen die je in de eerste lessen al tegenkomt. Het begrip nadruk is dan nog niet altijd makkelijk uit te leggen. Ondersteuning van intonatie en handgebaren (ik wijs bij jij vaak ook iemand echt aan met mijn vinger) kan dan helpen. Bij cursisten die bijvoorbeeld Spaans of Italiaans spreken maak ik weleens de vergelijking tussen het wel of niet uitspreken van het voornaamwoord in hun eigen taal – dat doe je ook alleen maar als je het voornaamwoord nadruk wilt geven.

Ik vind het belangrijk om vanaf het begin af aan de voornaamwoorden natuurlijk uit te spreken, en cursisten dus ook te laten wennen aan een vorm als d’r of -ie – dat zijn immers vormen die ze ook bij andere Nederlanders veel zullen horen. Bovendien klinken ze zelf ook natuurlijker als de voornaamwoorden niet altijd in de volle vorm gebruiken. Ik schrijf in voorbeeldzinnen dan ook bij voorkeur ze of we en niet zij of wij.

Je kunt er ook een uitspraaklesje aan wijden: zorg bijvoorbeeld voor een tekst waar veel voornaamwoorden in staan, en lees die voor. Laat je cursisten de voornaamwoorden onderstrepen. Vervolgens laat je cursisten voorlezen, waarbij je feedback geeft op de uitspraak van de voornaamwoorden. Je kunt ook met een dictee werken: lees een tekst of zin voor en laat die opschrijven. Let er daarbij op dat een vorm als d’r het best opgeschreven kan worden als haar.

Opsommingen maken

opsommingen maken

Hoe schrijf je een opsomming?

Opsommingen zijn een goede manier om informatie overzichtelijk te presenteren. Maar hoe zit het met het gebruik van hoofdletters en kleine letters? Er zijn drie manieren om opsommingen te maken: in steekwoorden, in delen van zinnen en in hele zinnen. Elke vorm heeft zijn eigen regels. Het is het duidelijkst om deze vormen niet te mixen, maar bij elke opsomming voor één soort te kiezen.

Steekwoorden

Een opsomming in steekwoorden kan ‘in lopende tekst’ staan, als onderdeel van een zin, of onder elkaar met opsommingstekens (‘bullets’). Als de opsomming in lopende tekst zet, zet je komma’s tussen de onderdelen en het woord en voor het laatste onderdeel. Voor de opsomming begint, zet je een dubbele punt.

Het examen bestaat uit vier onderdelen: lezen, luisteren, spreken en schrijven.

Als je de opsomming onder elkaar zet, zet je ook een dubbele punt na de inleidende zin. De delen van de opsomming schrijf je met kleine letters. Je gebruikt geen leestekens.

Het examen bestaat uit vier onderdelen:

  • lezen
  • luisteren
  • spreken
  • schrijven

Delen van zinnen

Een opsomming kan ook uit delen van zinnen bestaan. Zo’n opsomming zet je altijd onder elkaar met opsommingstekens. Boven de opsomming staat een inleidende zin, die eindigt met een dubbele punt. Zorg ervoor dat de delen van de opsomming grammaticaal aansluiten bij de inleidende zin. De onderdelen van de opsomming beginnen met een kleine letter en eindigen met een punt. Het laatste onderdeel eindigt met een punt.

In deze training leert u:

  • wat het belang van non-verbale communicatie is in salesgesprekken;
  • hoe u structuur geeft aan een salesgesprek;
  • hoe u aarzelende mensen overtuigt om een aankoop te doen;
  • welke fouten veel mensen maken in een salesprek.

Hele zinnen

Een opsomming met hele zinnen kan bestaan uit vragen of uit mededelende zinnen. Het is het best om deze niet te mixen. De inleidende zin eindigt op een punt. De onderdelen van de opsomming beginnen met een hoofdletter en eindigen met een punt of vraagteken.

Om tot een goed advies te komen, moeten we het antwoord hebben op de volgende vragen.

  • Welk budget is beschikbaar?
  • Aan welke eisen moet de software voldoen?
  • Hoeveel mensen moeten (gelijktijdig) met de software werken?

U kunt aan het onderzoek deelnemen als u voldoet aan de volgende voorwaarden.

  • U verkeert in goede gezondheid.
  • U bent ouder dan 18 jaar.
  • U woont meer dan 5 jaar in de gemeente X.

Oefenen in de les

Een opsomming in steekwoorden kun je al door beginners laten maken (denk bijvoorbeeld aan een recept), maar de andere vormen zul je denk ik pas vanaf B1 tegenkomen. Je kunt bijvoorbeeld verschillende opsommingen laten zien en cursisten laten kijken naar de verschillen, waarbij je let op het gebruik van hoofdletters, leestekens en zinsbouw. Op die manier ontdekken cursisten zelf een groot deel van de regels.

Vervolgens kun je zelf opsommingen laten maken. Vaak gaat dat makkelijker als je aangeeft waar de opsomming over moet gaan. Daarvoor kun je aansluiten bij het onderwerp van je methode, maar ook bij het werk van je cursisten. Je kunt ze bijvoorbeeld laten vertellen wat de vereisten zijn voor de functie die ze hebben, of wat de belangrijkste werkzaamheden zijn. Laat ze vervolgens elkaar feedback geven op de opsommingen. 

Passieve zinnen

passieve zinnen

De passieve vorm

De passieve vorm is een manier van formuleren waarin de nadruk ligt op het resultaat van de actie en niet op de actie zelf. Als je een actieve zin passief maakt, gebeurt het grammaticaal het volgende: het lijdend voorwerp van de actieve zin wordt het onderwerp van de passieve zin en het onderwerp wordt een door-bepaling, of blijft helemaal weg.

  • Gosia repareert de printer. (actieve zin; Gosia is het onderwerp, de printer is het lijdend voorwerp)
  • De printer wordt gerepareerd door Gosia. (passieve zin; de printer is het onderwerp, door Gosia is een door-bepaling, die je ook kunt weglaten)

De passieve vorm maak je met een hulpwerkwoord (worden of zijn) en een voltooid deelwoord. Als er geen ‘echt’ onderwerp is in een passieve zin, dan vult er die plaats.

  • Er wordt weleens getwijfeld aan zijn bedoelingen. (passieve zin met er als onderwerp)

Passieve vorm met worden

Passieve zinnen met worden staan in de onvoltooid tegenwoordige tijd (het presens) of de onvoltooid verleden tijd (het imperfectum). De nadruk ligt op de overgang naar een bepaalde toestand. 

  • De uitslag wordt morgen bekendgemaakt.
  • Vorige week werd (door de medewerkers) over de kwestie gestemd.
  • De laatste dozen worden na het weekend overgebracht naar de nieuwe locatie.

Passieve vorm met zijn

Passieve zinnen met zijn staan in de voltooid tegenwoordige tijd (het perfectum) of de voltooid verleden tijd (het plusquamperfectum). Deze zinnen geven vooral een resultaat weer. 

  • De onderzoeksresultaten zijn niet vrijgegeven.
  • Het hele huis is vorig jaar geschilderd.
  • De boot was niet goed vastgebonden en dreef weg.

De passieve vorm met zijn is voor veel mensen moeilijker te herkennen dan die met wordenZijn kan immers ook het hulpwerkwoord van tijd zijn in de actieve voltooide tijd. Maar in actieve vorm luiden bovenstaande zinnen als volgt:

  • De commissie heeft de onderzoeksresultaten niet vrijgegeven.
  • Dat bedrijf heeft vorig jaar het hele huis geschilderd.
  • Thijmen heeft de boot niet goed vastgebonden, waardoor die wegdreef.

Oefenen in de les

Bij passieve zinnen is het vooral belangrijk dat cursisten ze goed begrijpen, en dat ze weten dat ze dit soort zinnen niet al te veel moeten gebruiken als ze zelf teksten schrijven.

Je kunt het passief bijvoorbeeld als volgt oefenen:

  1. Geef een aantal passieve zinnen en laat daarvan kijken naar de vorm. Welke werkwoorden staan er in de zinnen? Kies hierbij voor zinnen met een duidelijk onderwerp, dus nog niet met er
  2. Geef de uitleg over het passief en geef voorbeelden van de verschillende tijden.
  3. Geef een tekst waarin passieve zinnen staan en laat die opzoeken. Bespreek van de passieve zinnen de betekenis. Ik gebruik hiervoor bijvoorbeeld weleens een brief van een gemeente over wegwerkzaamheden.
  4. Laat actieve zinnen omzetten naar passieve zinnen en andersom.
  5. Laat (bijvoorbeeld met het NT2 Taalspel) passieve zinnen maken.

Afhankelijk van je groep kun je dit over twee of drie lessen verspreiden, waarbij je steeds voortborduurt op wat je de vorige les hebt gedaan.

Het perfectum

perfectum

Oefenen met het perfectum

Het Nederlands kent twee verschillende verleden tijden: het imperfectum (de onvoltooid verleden tijd) en het perfectum (de voltooid tegenwoordige tijd).

Het perfectum maken

Het perfectum maken we met twee werkwoorden: het hulpwerkwoord (hebben of zijn) en het voltooid deelwoord (of participium). Het voltooid deelwoord staat aan het eind van de zin.

Het voltooid deelwoord

De meeste werkwoorden hebben een regelmatig gevormd voltooid deelwoord. Die vorm je volgens de regel: ge + ik-vorm + d/t. Let op dat dat ge bij scheidbare werkwoorden in het midden van het werkwoord staat. Ook zijn er wat uitzonderingen: werkwoorden die beginnen met be-ge-her-ont- of ver- krijgen geen gebetaaldgebruiktverteld, enz.

Onregelmatige werkwoorden

Er is ook een grote groep onregelmatige werkwoorden, die cursisten uit hun hoofd moeten leren. Veel methodes hebben hier een lijst van. De meest voorkomende zijn: zijnwordenhebbengaankomendoenstaankrijgengevenlatenvindennemen en houden

Oefenen in de les

Cursisten moeten de volgende zaken weten over het perfectum:

  • dat je het altijd met twee werkwoorden maakt
  • hoe je het voltooid deelwoord maakt
  • waar je het voltooid deelwoord in de zin zet
  • of je hebben of zijn moet gebruiken
  • hoe je het voltooid deelwoord moet schrijven

Dat is behoorlijk wat. Het is dan ook handig om het in stapjes op te bouwen. Ik doe dat meestal als volgt. In de eerste les waarin het over het perfectum heb, leg uit dat je twee werkwoorden moet gebruiken en hoe je het voltooid deelwoord maakt. Dat laat ik vervolgens mondeling oefenen met een rijtje regelmatige werkwoorden. Daarna leg ik de spelling uit, en oefen ik met hetzelfde rijtje werkwoorden, maar nu moeten ze het voltooid deelwoord opschrijven. Vervolgens leg ik nog uit wanneer je hebben of zijn gebruikt, en oefenen we daarmee. Als huiswerk laat ik ze oefeningen uit de methode maken.

De volgende les herhaal ik hier veel van, maar net even anders. Ik heb voor mijn online lessen een oefening uit Nederlands in gang, waarin het perfectum wordt gecombineerd met dagdelen, omgezet in een oefening met Flippity. Daarna laat ik de cursisten in tweetallen praten over een dag uit het recente verleden. Ze moeten daarbij over elk dagdeel iets vertellen. Tot slot schrijven ze dat op, op Padlet. In een klein groepje bespreek ik vaak alle teksten, maar in een grote groep kun je er ook een paar uitkiezen, of ze elkaar feedback laten geven. Let daarbij uiteraard vooral op het gebruik van het perfectum.

‘Want’ of ‘omdat’?

want of omdat

Het verschil tussen ‘want’ of ‘omdat’?

Het verschil tussen want en omdat zit in twee zaken: de woordsoort en de betekenis. Die eerste is het duidelijkst.

Woordsoort

Want en omdat zijn allebei voegwoorden, maar want is nevenschikkend en omdat is onderschikkend. Dat wil zeggen dat je met want twee hoofdzinnen met elkaar verbindt, en met omdat een hoofd- en een bijzin.

  • Sara betaalt de rekening, omdat ze jarig is.
  • Sara betaalt de rekening, want ze is jarig.
  • Hamza kon niet komen, omdat hij moest werken.
  • Hamza kon niet komen, want hij moest werken.

Een verschil dat hiermee samenhangt, is dat je een zin alleen in informeel taalgebruik kunt beginnen met want

Betekenisverschil

Er is een heel subtiel betekenisverschil tussen want en omdatOmdat is objectiever dan want. In veel zinnen is dat verschil niet of nauwelijks duidelijk. Vergelijk bijvoorbeeld:

  • Sven gaat niet mee naar het restaurant, want hij is ziek.
  • Sven gaat niet mee naar het restaurant, omdat hij ziek is.

Er zijn ook zinnen waarin het verschil wel speelt, waardoor maar een van beide woorden mogelijk is, of er in elk geval een sterke voorkeur is voor één van de twee.

  • De buren zijn niet thuis, want er brandt geen licht in de kamer.
  • We moeten doorfietsen, want anders missen we de trein.

Dit betekenisverschil verklaart waarom je want niet goed kunt gebruiken als antwoord op een waarom-vraag.

  • Waarom gaat Sven niet mee naar het restaurant? Want hij is ziek. (niet goed mogelijk)
  • Waarom gaat Sven niet mee naar het restaurant? Omdat hij ziek is. (prima antwoord)

Oefenen in de les

Als je net begint met het maken van samengestelde zinnen is het voldoende om stil te staan bij het verschil in woordsoort en daarbij behorende woordvolgorde. Het betekenisverschil is zo klein dat dat nauwelijks een rol speelt in de zinnen die cursisten op dat niveau gebruiken. Meestal behandel je eerst de nevenschikkende voegwoorden en daarna de onderschikkende. Het kan handig zijn om even los aandacht te besteden aan dit tweetal. Dat kun je bijvoorbeeld doen door een zin afwisselend af te laten maken met want en omdat. Of door zinnen op twee manieren met elkaar te laten verbinden.

Als ik de vraagwoorden behandel, leer ik mijn cursisten ook meteen een antwoord met omdat aan voor waarom-vragen. Ik leer ze dan nog niet een hele hoofdzin en bijzin aan, maar alleen de losse bijzin als antwoord, zoals in het voorbeeld hierboven (Waarom gaat Sven niet mee naar het restaurant? Omdat hij ziek is). Ik vertel dan alleen dat als je begint met omdat je het werkwoord naar het eind van de zin verplaatst. Mijn hoogopgeleide cursisten kunnen dat prima aan. Verwacht je dat je cursisten dat heel lastig vinden, dan kun je er ook voor kiezen om je cursisten dan nog antwoord te laten geven is een hoofdzin: Waarom gaat Sven niet mee naar het restaurant? Hij is ziek.

Duidelijke instructies opschrijven

instructies opschrijven

Waar moet een goede instructie aan voldoen?

Een van de doelen die je met een tekst kunt hebben, is ‘activeren‘: je lezer gaat iets doen na het lezen van je tekst. Een activerende tekst is bijvoorbeeld een instructie, waarin je uitlegt hoe iemand iets moet doen. 

Bij het schrijven van een instructie is het van belang dat je de stappen die de lezer moet zetten duidelijk opschrijft. Je moet dus kiezen voor woorden die je lezer begrijpt (vermijd vaktaal als die niet bekend is bij de lezer) en je zinnen moeten goed te begrijpen zijn. Ook moet je volledig zijn. Als een handeling voor jou heel vanzelfsprekend is, sla je makkelijk stappen over in de beschrijving. Maar een lezer is niet zo vertrouwd met de handeling, en dan kan het makkelijk mis gaan. Kies ook het juiste taalgebruik: in instructies gebruik je vaak de gebiedende wijs. Ook het nummeren van de stappen kan je lezer helpen.

Een logische volgorde

Zorg ook voor een logische volgorde; een zin als ‘Draai de kraan open nadat je er een bakje onder hebt gezet om het water op te vangen’ is niet handig geformuleerd. Makkelijker is natuurlijk: ‘Zet een bakje onder de kraan om het water op te vangen en draai daarna de kraan open.’ Nog duidelijker: ‘1. Pak een bakje. 2. Zet het bakje onder de kraan. 3. Draai de kraan open.’

Oefenen in de les

Een goede instructie schrijven is een oefening voor wat hogere niveaus, B1 of hoger, zou ik zeggen (cursisten die bijna op B1 zitten, lukt het misschien ook wel). Je kunt je cursisten opdracht geven om de stappen van een handeling op te schrijven. Dat kan iets simpels zijn als ‘koffie zetten’, maar het kan ook lastiger, bijvoorbeeld ‘een dvd-speler aansluiten op de televisie’. Je kunt ook aansluiten bij het werk van je cursisten, of ze vragen zelf een onderwerp aan te dragen.

Als je kiest voor algemene opdrachten, is het leuk om na te denken over instructies die cursisten ook werkelijk kunnen uitvoeren (thuis of in de les). Je kunt dan na het schrijven de teksten laten uitwisselen en ze elkaars instructies laten uitvoeren. Geef daarbij duidelijk de opdracht dat ze alleen maar mogen doen wat er in de instructie staat. Als je dit thuis laat doen, kun je vragen of ze een filmpje willen maken van de uitvoering, maar je kunt ze ook vragen om op te schrijven wat er goed ging en wat niet, of welke instructies onduidelijk waren. Bespreek die feedback duidelijk, en trek er met elkaar algemene conclusies uit. Vervolgens kunnen de schrijvers de feedback gebruiken om hun tekst te verduidelijken. Die herschreven versies kun je als docent eventueel nog van feedback voorzien, waarbij je bijvoorbeeld ook taal- en spelfouten aangeeft (al kun je er ook best voor kiezen om alleen naar de inhoud te kijken)

Verschillende soorten werkwoorden

verschillende soorten werkwoorden

Zelfstandige werkwoorden, koppelwerkwoorden en hulpwerkwoorden

In de zin  Mijn zus heeft een huis laten bouwen staan drie  werkwoordenheeftlaten en bouwen. Werkwoorden kunnen op verschillende manieren in groepen worden ingedeeld. De hoofdindeling is die in zelfstandige werkwoorden, koppelwerkwoorden en hulpwerkwoorden.

Zelfstandige werkwoorden

Zelfstandige werkwoorden zijn werkwoorden die de kern van het werkwoordelijk gezegde van de zin vormen; als je het weg zou laten, wordt de zin ongrammaticaal. Kijk maar naar de zin Mijn zus heeft een huis laten bouwen. De werkwoorden heeft en laten kun je weglaten (al verandert de betekenis dan natuurlijk wel), maar zonder bouwen is de zin niet grammaticaal. Een zelfstandig werkwoord kan alleen in de zin voorkomen, maar dat hoeft niet. Bijna alle werkwoorden kunnen als zelfstandig werkwoord gebruikt worden.

Koppelwerkwoorden

Eigenlijk zijn dit ook zelfstandige werkwoorden, maar een belangrijk verschil is dat ze niet in een werkwoordelijk maar in een naamwoordelijk gezegde staan. Het naamwoordelijk gezegde in zijn geheel (dus werkwoord én naamwoordelijk deel) geeft de belangrijkste betekenis van de zin. Het koppelwerkwoord zelf heeft niet zo heel veel betekenis. De koppelwerkwoorden zijn zijnwordenblijvenblijkendunkenhetenlijkenschijnen en voorkomen. Ook sommige werkwoorden die min of meer als synoniemen van zijn en worden gebruikt worden, kunnen koppelwerkwoord zijn. Denk daarbij bijvoorbeeld aan gaankomenstaan en zitten.

Hulpwerkwoorden

De hulpwerkwoorden komen in zowel werkwoordelijke als naamwoordelijke gezegdes voor. Er bestaan verschillende soorten hulpwerkwoorden, afhankelijk van hun functie. 

De meeste hulpwerkwoorden kunnen ook als zelfstandig werkwoord voorkomen. De modale hulpwerkwoorden blijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen en toeschijnen zijn dan koppelwerkwoord.

Oefenen in de les

In de meeste gevallen lijkt het me niet heel zinvol om dit echt met je cursisten te bespreken. Je kunt eventueel de term ‘hoofdwerkwoord’ gebruiken om zelfstandig en koppelwerkwoord samen in te vangen. Het onderscheid hoofdwerkwoord en hulpwerkwoord kan wel zinvol zijn.

De verschillende functies van de hulpwerkwoorden komen natuurlijk wel aan bod. De volgorde daarvan is ruwweg:

  • Modale hulpwerkwoorden: kunnenmoetenhoevenmogenwillenzullen 
  • Hulpwerkwoorden van tijd: hebben en zijn
  • Hulpwerkwoord van het passief: worden
  • Koppelwerkwoorden: blijkenschijnenhetendunkenvoorkomen en toeschijnen
  • Hulpwerkwoorden van causaliteit: doen en laten

Veel NT2-cursisten zullen aan de laatste twee groepen niet of nauwelijks toekomen, of alleen de wat frequentere werkwoorden ervan. Die hoef je zeker niet als aparte groep te behandelen, zoals je dat meestal wel doet bij de eerste groep modale hulpwerkwoorden.