C2

Volgorde meerdere werkwoorden

volgorde meerdere werkwoorden

Wat is de volgorde als een zin eindigt op meerdere werkwoorden?

Sommige zinnen eindigen op meerdere werkwoorden. Dat kunnen er twee zijn, maar ook drie, of zelfs vier – al is dat uitzonderlijk. Wat is dan de onderlinge volgorde van die werkwoorden? Dat hangt af van welke werkwoorden het zijn, en in welke vorm ze staan.

Combinaties van twee of meer infinitieven

Een zin die eindigt op twee of meer infinitieven, heeft het hoofdwerkwoord (dat het belangrijkst is voor de betekenis van de zin) als laatste.

  • We kunnen volgende week wel komen eten.
  • Wat een mooie stad! Hier zou ik wel voor altijd willen blijven wonen!

Combinaties met een persoonsvorm en een of meer infinitieven

Een tweede mogelijkheid is dat een (bij)zin eindigt op een modaal werkwoord en een infinitief. De volgorde is dan vrij. Voor de meeste mensen is het het gewoonst om te beginnen met de infinitief. Bij drie (of meer) werkwoorden komt de persoonsvorm als eerste en het hoofdwerkwoord als laatste.

  • Ik vroeg wat ze wilde drinken.
  • Ik vroeg wat ze drinken wilde.
  • Ik vroeg wat zou willen drinken.

Als een van de werkwoorden komen, blijven, laten, doen, horen, zien, helpen of leren is, dan staat dit meestal voor de andere infinitieven.

  • Heb jij hem dat horen zeggen?
  • Hij beloofde dat hij haar zou helpen verhuizen.

Combinaties met een voltooid deelwoord

Als een (bij)zin eindigt op een persoonsvorm en een voltooid deelwoord, dan is de volgorde vrij. Er is geen voorkeur voor een van beide volgordes, en er is ook geen betekenisverschil.

  • Ik boek mijn vakantie als ik mijn salaris heb gekregen.
  • Ik boek mijn vakantie als ik mijn salaris gekregen heb.

Als er nog een derde werkwoord bij staat, is dat altijd een modaal werkwoord. Je hebt dan dus een modaal werkwoord (de persoonsvorm), een infinitief en een voltooid deelwoord. Er zijn dan twee mogelijkheden:

  1. voltooid deelwoord – modaal werkwoord – infinitief: Uit camerabeelden bleek dat dit rond middernacht gebeurd moet zijn.
  2. modaal werkwoord – infinitief – voltooid deelwoord: Uit camerabeelden bleek dat dit rond middernacht moet zijn gebeurd.

De eerste van die twee mogelijkheden komt in spreektaal het meest voor.

Oefenen in de les

Voor een groot deel hoef je dit pas te behandelen als je cursisten er echt naar vragen. Dat gebeurt vaak op het moment dat ze een – voor hen – onverwachte volgorde tegenkomen, bijvoorbeeld een zin als Ik boek mijn vakantie als ik mijn salaris gekregen heb. Die ‘botst’ met de regel dat het voltooid deelwoord aan het eind van de zin staat. Ik probeer er zelf op te letten dat ik deze volgorde pas vanaf B1 aanbied, maar in boeken staat hij weleens, en ook in andere teksten of in gesprekken kunnen ze de volgorde gekregen heb tegenkomen. Meestal volsta ik met de uitleg dat beide volgordes mogelijk zijn.

Als jij – en je cursisten – het leuk vinden, kun je natuurlijk zinnen verzinnen met zo veel mogelijk werkwoorden achter elkaar. De regels hierboven kunnen je dan helpen om aan je cursisten uit te leggen welke volgordes goed zijn, en welke niet.

Concreet schrijven

concreet schrijven

Wat is concreet schrijven en waarom is het belangrijk?

Hoe vaak is vaak? En regelmatig? Veel mensen die deze termen gebruiken denken dat ze duidelijk zijn, maar dat is niet zo. Uit onderzoek van de universiteiten van Leiden en Groningen is gebleken dat er grote verschillen in interpretatie zijn. Dat betekent dat er een grote kans is op miscommunicatie. Het is dus belangrijk om preciezer te zijn. Vergelijk onderstaande zinnen met elkaar:

1a. In dit rapport werken we een aantal scenario’s verder uit.
1b. In dit rapport werken we vier scenario’s verder uit.

2a. Wij nemen binnenkort contact met u op om de verdere voortgang van het project te bespreken.
2b. Wij nemen over twee weken contact met u op om de verdere voortgang van het project te bespreken.

3a. Enkele deelnemers kwamen helaas te laat doordat hun trein flinke vertraging had.
3b. Vijf deelnemers kwamen helaas te laat doordat hun trein twee uur vertraging had.

4a. Het is belangrijk om regelmatig je wachtwoord te veranderen.
4b. Het is belangrijk om regelmatig je wachtwoord te veranderen, bijvoorbeeld elk half jaar.

Helder schrijven

Een van de aspecten van een goede tekst is dat hij helder is. Dat wil zeggen dat je lezer goed begrijpt wat je bedoelt, en dat wat je zegt niet voor andere uitleg vatbaar is. Daarvoor is het belangrijk dat je zinsbouw overzichtelijk is, maar ook dat je concreet formuleert. Een tekst met veel vage woorden, is onduidelijker en geeft minder informatie.

Oefenen in de les

Je kunt met je cursisten eens kijken hoe vaag zulke woorden eigenlijk zijn. Zet bijvoorbeeld de woorden altijd – soms – vaak – regelmatig – bijna nooit – nooit  op volgorde van frequentie. Je kunt dit natuurlijk ook doen met woorden van hoeveelheid. Waarschijnlijk zie je dan al interpretatieverschillen.

Verder kun je natuurlijk vage zinnen laten herschrijven tot concrete zinnen, en er feedback op geven als je zulke vage woorden in de teksten van je cursisten ziet.

Voor- en achtervoegsels

voorvoegsels achtervoegsels

Een berg (be)klimmen

Er zijn verschillende manieren waarop je in het Nederlands woorden van andere woorden kunt afleiden. Een afleiding bestaat uit een grondwoord met een voorvoegsel (prefix) of achtervoegsel (suffix). Voor- en achtervoegsels veranderen vaak de betekenis van het grondwoord of de manier waarop het gebruikt kan worden. Zo kan een onovergankelijk werkwoord door het toevoegen van het voorvoegsel be- overgankelijk worden. Dat wil zeggen dat je er een lijdend voorwerp bij kunt zetten. Klimmen is bijvoorbeeld onovergankelijk – je kunt niet iets of iemand klimmen, maar beklimmen is overgankelijk. Je kunt bijvoorbeeld een berg beklimmen.

Productief

Niet alle voor- en achtervoegsels zijn productief. Dat wil zeggen dat je ze niet allemaal kunt gebruiken om nieuwe woorden mee te maken. Zo is het achtervoegsel -ig (‘lijkend op’) productief; je kunt het achter allerlei zelfstandige naamwoorden plakken. Maar het voorvoegsel ont-, dat een tegenstelling aangeeft, is niet productief. Naast bestaande werkwoorden als ontladenontsluiten en ontspannen kun je er geen nieuwe werkwoorden mee vormen.

Via de knop hieronder kun je een overzicht downloaden van de meestvoorkomende voor- en achtervoegsels. Daarin staat ook wat de betekenis is en enkele voorbeelden. Een vollediger overzicht vind je in de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS).

Download het overzicht van voor- en achtervoegsels

Oefenen in de les

Begrip van woordvorming maakt het makkelijker om nieuwe woorden te leren. Het is dus goed voor de woordenschat om te bespreken hoe woorden gevormd zijn. Maar het heeft niet zo veel zin om je cursisten alle voor- en achtervoegsels uit hun hoofd te laten leren; beperk je tot de voor- en achtervoegsel die veel voorkomen en die een duidelijke betekenis hebben. Denk bijvoorbeeld aan -baaront--ig en -ing en natuurlijk de verkleinvormen. De verkleinvormen leren cursisten vaak al redelijk snel, andere afleidingen komen pas op hogere niveaus. Je kunt dan een rijtje woorden geven en de cursisten laten bedenken wat het grondwoord is, en wat de betekenis van de afleiding is.

Als je cursisten al een aantal achtervoegsels kennen, kun je ook alleen grondwoorden geven, en ze laten bedenken welke achtervoegsels ze hieraan kunnen toevoegen om nieuwe woorden te vormen. Of laat ze zoveel mogelijk woorden noemen die beginnen of eindigen met een bepaald voor- of achtervoegsel.

Lezergericht schrijven

lezergericht schrijven

Hoe pas je je taalgebruik aan aan je lezer?

Een van de dingen die een tekst ‘goed‘ maken, is dat hij goed aansluit bij de lezer. Die moet je tekst goed begrijpen, prettig vinden om te lezen en zich aangesproken voelen. Dat bereik je door voor je gaat schrijven enkele vragen over de lezer te beantwoorden. Stel jezelf bijvoorbeeld deze vragen:

  • Is het een formele of informele situatie?
  • Is het bericht zakelijk of persoonlijk?
  • Ken je de lezer persoonlijk, of niet?
  • Weet je lezer evenveel over het onderwerp waar je over schrijft als jij?

Nadenken over deze zaken helpen met de keuze tussen u en jij, maar ook met de vraag hoeveel je ergens over moet uitleggen, hoe moeilijk de woorden en zinnen zijn die je kunt gebruiken, enz. In een formele en zakelijke tekst zijn de woorden en zinnen vaak moeilijker; zinnen zijn ook langer. In een tekst voor een vakgenoot zie je vaktermen, die niet uitgelegd worden – in een tekst over eenzelfde onderwerp, maar voor buitenstaanders, wordt zo’n begrip (meestal) wel uitgelegd. 

Oefenen in de les

Om te beginnen kun je je cursisten vragen om wat brieven of e-mails mee te nemen die zij zelf hebben gekregen. Je kunt natuurlijk ook zelf een verzameling voorbeelden aanleggen. Laat ze vervolgens in die teksten op zoek gaan naar tekenen van bijvoorbeeld formeel of informeel taalgebruik, of woorden waaruit blijkt dat de tekst voor een bepaalde doelgroep is geschreven (denk daarbij aan vaktaal, gebruik van ‘moeilijke woorden’ en lange zinnen, enz.). Je kunt ook samen woordparen opstellen van formele en informele woorden. Laat vervolgens twee teksten schrijven over hetzelfde onderwerp, maar een andere doelgroep. Bijvoorbeeld zo:

  • Stel: je hebt een nieuw huis gevonden, en gaat dus verhuizen. Schrijf een e-mail aan een goede vriend of vriendin.
  • Stel: je hebt een nieuw huis gevonden, en gaat dus verhuizen. Schrijf een e-mail aan een verhuisbedrijf.

Bij een wat grotere groep kun je ook de helft van de groep de ene en de andere helft van de groep de andere opdracht geven. Laat de teksten schrijven, en dan delen via een padlet. Let bij het nabespreken vooral op de vraag of de e-mail past bij de gegeven situatie. Taalfouten zijn bij deze opdracht minder belangrijk – tenzij een zin echt onbegrijpelijk wordt.

Bij wat meer gevorderde cursisten kun je ook met andere teksten werken. Neem wat teksten mee voor verschillende doelgroepen: jongeren, ouderen, mannen, vrouwen, kinderen, een bepaald vakgebied, enz. Wat kunnen ze bij die teksten zeggen over de doelgroep? Welke stijlkenmerken zie je in welke teksten? Leg vervolgens zes doelgroepen voor in termen van leeftijd, geslacht en hobby of vakgebied (bijvoorbeeld: ‘een jongen van 15 die erg van gamen houdt’, ‘een vrouw van 45 die arts is’). Je kunt deze groepen zelf van tevoren bedenken, of samen met je groep. Door middel van lootjes, een dobbelsteen, of met een rad in Wheeldecide wijs je vervolgens iedereen doelgroep toe (bij lootjes en Wheeldecide moet je het aantal doelgroepen misschien aanpassen), en je vertelt over welk onderwerp ze iets moeten schrijven, of je geeft de eerste zin. Als je gaat nabespreken vertel je dat de schrijver niet mag zeggen wie de doelgroep was, dat moet de rest raden aan de hand van de tekst. Zo’n raadspel levert een hoop gespreksstof op over de kenmerken van een tekst.

Combineren en samenvallen van er

combineren en samenvallen van er

Er in ‘Er zijn er drie’

Het woordje er is voor veel cursisten één van de lastigste woorden van het Nederlands. Je kunt het op vier verschillende manieren gebruiken: presentatief, locatief, prepositioneel en kwantitatief. En dan zijn er nog zinnen waarin die vormen gecombineerd worden of samenvallen.

In sommige zinnen lijkt het lastig om vast te stellen met welk er je precies te maken hebt. Kijk bijvoorbeeld naar onderstaande gesprekjes.

  • Wat ligt er op de tafel? Er liggen kranten op.
  • Hoeveel kaarsen hebben we nog? Er liggen er drie in de kast.

In de eerste zin is er zowel presentatief als prepositioneel. In de tweede zin staat twee keer er: het eerste is presentatief en het tweede is kwantitatief. De Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) beschrijft verschillende mogelijkheden voor het combineren en samenvallen van er.

Als er het eerste woord van de zin is, kan presentatief er samenvallen met locatief of prepositioneel er.

  • Hoe kom ik in Noordwijk? Er gaat een bus naartoe. (presentatief en prepositioneel)
  • Ik keek in de kast en er lag niets. (presentatief en locatief)

Als je presentatief er op de eerste zinsplaats wilt combineren met kwantitatief er, komt er twee keer er in de zin. Die twee kunnen niet direct na elkaar staan.

  • Hoeveel bekers zijn er? Er zijn er drie.

Als er op een andere plek op de zin staat, zijn er veel meer mogelijkheden. Er kan dan twee of zelfs drie functies tegelijk hebben.

  • Hoeveel bekers heb je nodig? Hier staan er zeven. (presentatief + kwantitatief)
  • Rome heeft heel veel kerken. Zeker 900 zijn er. (presentatief + locatief)
  • Hoe kom ik in Noordwijk? Een bus gaat er vast wel naartoe. (presentatief + prepositioneel)
  • In onze straat zijn veel bakfietsen. Wel tien heb ik er geteld. (kwantitatief + locatief)
  • Gaston Dorren schrijft veel boeken over taal. Hij heeft er zeker vijf over geschreven. (kwantitatief + prepositioneel)
  • Gisteren waren er nog een heleboel koekjes in de trommel. Nu zijn er nog maar drie. (presentatief + locatief + kwantitatief)
  • De deelnemers haakten een voor een af. Aan het eind van de dag waren er nog maar twee over. (presentatief + kwantitatief + prepositioneel)
Oefenen in de les

Het is de vraag of het echt nodig is om aandacht te besteden aan het samenvallen van meerdere soorten er, maar het is als docent wel goed om je bewust te zijn van het fenomeen. Als er vragen over komen van cursisten, kun je die in elk geval beantwoorden.

Het is wél goed om aandacht te besteden aan het feit dat er ook twee keer in een zin kan staan. Om daarmee te oefenen kun je vragen gebruiken waarin je een onbepaald subject combineert met een aantal.

In het boekje Wat is er? van Martine Pirreault staan ook hiervoor oefenzinnetjes, in het hoofdstuk ‘gemengde oefeningen’. Je kunt ook inspiratie opdoen op deze website. De vragen daar zijn wel in het Engels, maar ze zijn makkelijk om te zetten naar Nederlands.

Als je alle vormen van er behandeld hebt, is het goed om die ook door elkaar te gebruiken. Je kunt bijvoorbeeld een korte tekst geven waarin er steeds is weggelaten. Kunnen de cursisten bedenken waar het zou moeten staan? Of leg ze zinnen met en zonder er voor en vraag of die goed of fout zijn. Uiteindelijk is het natuurlijk niet belangrijk dat je cursisten alle functies van er precies kunnen benoemen, maar wel dat ze het woord goed kunnen gebruiken. Leg daar altijd de nadruk op.

Kwantitatief ‘er’

kwantitatief er

Er in ‘Ik heb er twee gegeten’

Het woordje er is voor veel cursisten één van de lastigste woorden van het Nederlands. Je kunt het op vier verschillende manieren gebruiken: presentatief, locatief, prepositioneel en kwantitatief. Ook kunnen verschillende vormen van er gecombineerd worden.

Bij het gebruik van het kwantitatieve er zijn er nogal wat regionale verschillen. In de standaardtaal verwijst dit er naar een zelfstandig naamwoord, en staat het in de buurt van een telwoord. Je kunt dit er niet vervangen door hier of daar, zoals bij het locatieve er. Voorbeelden zijn:

  • Hoeveel cadeautjes krijgt zij? Ze krijgt er tien.
  • Heb je de vijf verschillen al gevonden? Nee, ik zie er maar drie.
  • We hebben nu drie aanmeldingen, maar we hebben er meer nodig.

De hoeveelheid kun je aanduiden met een hoofdtelwoord (zoals tien en drie), maar ook met onbepaalde voornaamwoorden, zoals enkelewatgenoegvoldoende. Ook woorden als een heleboel of geen kunnen met het kwantitatieve er voorkomen.

  • Hebben we nog mandarijnen? Ja, we hebben er een heleboel.
  • Hebben we nog mandarijnen? Nee, we hebben er geen meer.

Voor de hoeveelheidsbepaling kun je met een woord als nogmaaralwel of meer een oordeel over het aantal geven. 

  • Hoeveel koekjes heb je gegeten? Ik heb er maar twee gegeten.
  • Hoeveel koekjes heb je gegeten? Ik heb er wel twee gegeten.
  • Hoeveel koekjes heb je gegeten? Ik heb er nog maar twee gegeten.

Soms staat er in de zin ook nog een nabepaling; de hoeveelheidsaanduiding kan dan ook achterwege blijven.

  • Ik heb geen boeken over geschiedenis, maar ik heb er wel (veel) over sport.

Zoals gezegd zijn er regionale verschillen; in België en het zuiden van Nederland vinden veel mensen de volgende zinnen ook juist. ‘Boven de rivieren’ zijn deze zinnen voor de meeste Nederlanders niet mogelijk:

  • Gisteren heb ik appels gekocht bij de groenteboer, maar vandaag ga ik er kopen in de supermarkt.
  • Heb je ballen bij je? Ja, ik heb er bij me.
  • Telkens als jij vallende sterren ziet, zie ik er ook.

Meer over deze regionale verschillen vind je in de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS).

Plek in de zin

Ook het kwantitatieve er staat in hoofdzinnen meteen na de persoonsvorm. In hoofdzinnen met inversie en bijzinnen staat het na het onderwerp. Maar in zinnen met een wederkerend voornaamwoord staat het pas na dat voornaamwoord.

  • Ik zie maar twee pakken koffie, terwijl ik er drie had gekocht.
  • Weet jij nog alle namen van je klasgenoten op de basisschool? Even denken … Ik kan me er drie herinneren.

Een ontkenning staat na er, en voor de hoeveelheidsaanduiding.

  • Hebben we nog mandarijnen? Nee, we hebben er geen meer.
  • Ik zie twee pakken koffie, maar hadden we er niet drie?
Oefenen in de les

Het kwantitatieve er is voor cursisten relatief goed te leren, hoewel ze erg moeten wennen aan het idee dat het grammaticaal nodig is. Maar de duidelijke verwijzing helpt bij het leren. Wijs daar bij het oefenen ook op. Je kunt dit natuurlijk goed oefenen door allerlei vraag-antwoordoefeningen over telbare zaken. Je kunt cursisten zelf vragen laten bedenken, of werken met plaatjes of bijvoorbeeld een tool als Wheeldecide.

In het boekje Wat is er? van Martine Pirreault staan ontzettend veel zinnetjes waarmee je kunt oefenen. Je kunt ook inspiratie opdoen op deze website. De vragen daar zijn wel in het Engels, maar ze zijn makkelijk om te zetten naar Nederlands.

Let erop dat je ook oefent met inversie en bijzinnen, en als je cursisten wat verder gevorderd zijn, is het leuk (en goed) om te experimenteren met de gevoelswaarde van toevoegingen als nogmaar en al.

Prepositioneel ‘er’

prepositioneel er

Er in ‘Ik hou er niet van’

Het woordje er is voor veel cursisten één van de lastigste woorden van het Nederlands. Je kunt het op vier verschillende manieren gebruiken: presentatief, locatief, prepositioneel en kwantitatief. Ook kunnen verschillende vormen van er gecombineerd worden.

Prepositioneel er staat altijd samen met een voorzetsel in de zin. Samen vormen zij wat officieel een ‘voornaamwoordelijk bijwoord’ wordt genoemd. Dit is een combinatie van een bijwoord als erhierdaarwaarnergens of ergens en een voorzetselbijwoord (een voorzetsel met de functie van een bijwoord). Voorbeelden van voornaamwoordelijke bijwoorden zijn eraanhierbij en waarvoor. In functie lijken voornaamwoordelijke bijwoorden op voornaamwoorden: ze verwijzen naar een ander woord, of naar een bijzin die nog volgt. 

  • Wil je een stukje marsepein? Nee dank je, ik hou er niet van.
  • We zullen er volgende keer aan denken.
  • Heb jij nog munten met Beatrix erop?
  • We zorgen ervoor dat alles op tijd geregeld is.

Deze combinaties verwijzen altijd naar zaken of naar dieren. Om naar mensen te verwijzen, gebruik je de combinatie van een voorzetsel en een voornaamwoord.

  • Wacht je op Marieke? Ja, ik wacht op haar.
  • Zit Soufyan naast Diego? Ja, hij zit naast hem.

Er zijn ook een aantal vaste verbindingen waarin het voornaamwoordelijk bijwoord geen verwijzende functie heeft, maar een algemenere betekenis.

  • Je bent er gloeiend bij!
  • We trokken er met zijn allen opuit.
  • De stoute kinderen kregen ervanlangs.

Goede informatie over prepositioneel er vind je ook in de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS)

Plek in de zin

Net als het locatieve en presenatieve er komt het prepositionele er meteen na de persoonsvorm. In hoofdzinnen met inversie en bijzinnen staat het meestal na het onderwerp. Maar in zinnen met een wederkerend voornaamwoord of als het lijdend of meewerkend voorwerp veel nadruk krijgt, kan het ook pas daarna staan. 

  • We kunnen er ons niets van herinneren.
  • We kunnen ons er niets van herinneren.
  • Ze hebben er het vólgende op gevonden.
  • Ze hebben het vólgende erop gevonden.

Als het lijdend of meewerkend voorwerp een gereduceerde vorm van het persoonlijk voornaamwoord is of het, staat er hierna.

  • Je hebt het er wel over, toch?
  • Ik zal ‘m er goed voor betalen.

Het voorzetselbijwoord staat aan het eind van de zin, of voor het laatste werkwoord als er meerdere werkwoorden zijn. In ontkennende zinnen staat niet voor het voorzetselbijwoord.

  • Toen we bij het meer kwamen, sprongen we er meteen in.
  • We zullen er volgende keer aan denken.
  • Je moet er niet op rekenen.
Oefenen in de les

Het prepositionele er is voor veel cursisten lastig te leren. Het makkelijkst zijn de zinnen waarin de verwijzing heel duidelijk is. Het is dan ook handig om daarmee te beginnen. Je kunt bijvoorbeeld een klein balletje (of ander klein voorwerp) en een doosje meenemen naar de les, en daarmee het onderwerp introduceren. Je laat het balletje en het doosje zien, en doet het balletje erin. Dan vraag je: Waar is het balletje? Antwoord Het is erin. Daarna kun je andere posities laten zien: erboveneronderernaasterachter, enz. Je kunt ook plaatjes laten zien waarmee je dit kunt oefenen (de combinatie van een kat en een doos doet het dan bijvoorbeeld goed). Vervolgens kun je oefenen met combinaties van vragen en antwoorden met een duidelijk zelfstandig naamwoord in de vraag. Oefen ook met ontkennende zinnen, zodat ze leren dat niet voor het voorzetsel komt. Begin met korte zinnen, maar oefen ook met langere zinnen als We zullen het er straks, na de pauze, over hebben. Ook is het belangrijk om te oefenen met bijzinnen.
Nog wat andere werkvormen:

  • Maak in Wheeldecide een rad met werkwoorden met vaste voorzetsels en laat daarmee zinnen met er maken.
  • Geef een dictee met zinnen met en zonder er. Lees dat op natuurlijke toon voor; benadruk er dus niet. Horen ze het?
  • Laat een cursist een voorwerp in gedachten nemen (of wijs er één toe). De anderen moeten raden welk voorwerp het is door gesloten vragen te stellen als Kun je ermee schrijven?Kun je erop zitten?

In het boekje Wat is er? van Martine Pirreault staan ontzettend veel zinnetjes waarmee je kunt oefenen. Je kunt ook inspiratie opdoen op deze website. De vragen daar zijn wel in het Engels, maar ze zijn makkelijk om te zetten naar Nederlands.

Locatief ‘er’

locatief er

Er in ‘Je kan er boeken lenen’

Het woordje er is voor veel cursisten één van de lastigste woorden van het Nederlands. Je kunt het op vier verschillende manieren gebruiken: presentatief, locatief, prepositioneel en kwantitatief. Ook kunnen verschillende vormen van er gecombineerd worden.

Locatief er verwijst altijd naar een plaats die eerder in de context is genoemd. of die duidelijk is uit de context. Goede informatie hierover vind je ook in de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS)

De plaatsbepaling waar je met er naar verwijst kan van alles zijn, zolang er maar sprake is van een duidelijke verwijzing. Enkele voorbeelden:

  • Ken jij Rotterdam goed? Ja, ik heb er tien jaar gewoond.
  • Wat kan je doen in de bibliotheek? Je kan er boeken lenen.
  • Waarom ga je naar de markt? Om er vis te kopen.

Dit locatieve er kun je vervangen door hier of daar als je meer nadruk aan de plaats wilt geven.

  • Kun je in dit restaurant met kinderen eten? Ja, hier kun je goed met kinderen eten. 
  • Welke talen spreken ze in België? Daar spreken ze Nederlands, Frans en Duits.

De plaats waar je naar verwijst kan ook duidelijk zijn uit context.

  • Ik ben er morgen niet!
  • (in de bibliotheek) Is het nieuwe boek van Marieke Lucas Rijneveld er?

Plek in de zin

Locatief er kan niet op de eerste plaats van de zin staan, hier of daar wel. In hoofdzinnen staat er direct na de persoonsvorm. In zinnen met inversie en in bijzinnen staat het na het onderwerp.

  • Ben je volgende week nog op kantoor? Ja, volgende week ben ik er nog.
  • Waarom wil je niet naar het centrum? Omdat het er te druk is.
Oefenen in de les

Het locatieve er is voor cursisten relatief makkelijk te leren, omdat het zo’n duidelijke verwijzing heeft. Toch blijft het lastig, en is het belangrijk voldoende tijd te besteden aan oefeningen.

Om dit er te oefenen, kun je goed een plaats centraal stellen: bijvoorbeeld waar cursisten wonen, maar iets als een bibliotheek, park of bos kan heel goed. Vervolgens kun je praten over wat er allemaal is (of niet is) op die locatie, of wat je er kunt doen. Om ook bijzinnen te oefenen, kun je ook waarom-vragen stellen. 

Het is ook leuk om het om te draaien: laat een cursist een gedachten nemen en 2 dingen vertellen die er zijn of die je er kunt doen. De rest van de groep mag aanvullende vragen stellen (met er, uiteraard) en moet proberen om te raden aan welke plaats de eerste cursist denkt. Je kan ook als docent van tevoren een hoop locaties op kaartjes zetten, en degene die aan de beurt is een kaartje laten trekken. 

Het is ook goed om zinnen te gebruiken met zowel een plaats- als een tijdsbepaling. Daarmee kun je oefenen dat in er voor de tijdsbepaling staat (en niet, zoals de plaatsbepaling erachter): Wanneer ben je weer in de bibliotheek? Ik ben er volgende week weer. Ook kun je de tijdsbepalingen goed gebruiken om zinnen met inversie te oefenen. Geef je cursisten dan de opdracht om hun antwoord met de tijdsbepaling te beginnen. Doe dat wel pas als ze al redelijk vertrouwd zijn met het gebruik van er in de gewone volgorde.

In het boekje Wat is er? van Martine Pirreault staan ontzettend veel zinnetjes waarmee je kunt oefenen. Je kunt ook inspiratie opdoen op deze website. De vragen daar zijn wel in het Engels, maar ze zijn makkelijk om te zetten naar Nederlands.

Presentatief ‘er’

presentatief er

Er in ‘Is er nog genoeg melk?’

Het woordje er is voor veel cursisten één van de lastigste woorden van het Nederlands. Je kunt het op vier verschillende manieren gebruiken: presentatief, locatief, prepositioneel en kwantitatief. Ook kunnen verschillende vormen van er gecombineerd worden.

Presentatief er komt in verschillende soorten zinnen voor, en met verschillende onderwerpen. Een uitgebreid overzicht vind je in de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS)

Presentatief er komt veel voor in zinnen met een onbepaald onderwerp, dat verderop in de zin staat. Dit kan zowel een hoofd- als een bijzin zijn.

  • Er loopt een man op straat.
  • Vanavond is er een leuke film op tv.
  • Is er nog genoeg melk?
  • We gingen snel naar huis, omdat er een leuke film op televisie was.

In uitzonderlijke gevallen kan het onderwerp wél bepaald zijn. Dat is bijvoorbeeld zo als het bepaalde onderwerp vervangen kan worden door een onbepaald onderwerp met dezelfde betekenis, in opsommingen en als je een gewoonte of gebruik beschrijft met woorden als dezelfdebekendweer, enz.

  • Er bestaat de kans dat het vanmiddag gaat regenen. (een kans kan ook)
  • Er waren aanwezig: de burgemeester, de wethouders en de leden van de gemeenteraad.
  • Er werden weer dezelfde argumenten aangevoerd als altijd.

In vragen die met een vraagwoord beginnen staat ook vaak er. Het eigenlijke onderwerp ontbreekt dan.

  • Wat is er?
  • Wat is er gebeurd?

In passieve zinnen zonder onderwerp of met een bijzin als onderwerp:

  • Er werd nog lang nagepraat over het incident.
  • Er is net voor je gebeld.
  • Er wordt beweerd dat die buurt niet veilig is.

Plek in de zin

Presentatief er staat in mededelende zinnen op de eerste plaats van de zin, of, bij inversie, na de persoonsvorm. In vragen staat er ook na de persoonsvorm. In bijzinnen staat er direct na het voegwoord. 

Als er niet op de eerste plaats van de zin staat, kan het vaak worden weggelaten. Hier zijn geen heel vaste regels voor. Er komt nooit voor in algemene mededelingen (Appels groeien aan bomen). In zinnen die beginnen met een plaatsaanduiding wordt er in schrijftaal vaak weggelaten, maar in spreektaal veel minder: 

  • Op de snelweg is een ongeluk gebeurd.
  • Op de snelweg is er een ongeluk gebeurd.

Heel vaak is de zin zowel met als zonder er juist. De zin met er is dan vaak wat informeler, maar nog steeds prima in alle situaties te gebruiken.

In zinnen met een onbepaald onderwerp, kan ook dat onderwerp op de eerste plaats staan: Een man loopt op straat. Dat kan lang niet altijd, omdat het vaak lastig is om zo’n onbepaald element op de eerste zinsplaats te zetten.

Oefenen in de les

Het juiste gebruik van er is voor veel cursisten heel lastig te leren. Het is in elk geval handig om één soort er per keer te introduceren. Ook is herhaling ontzettend belangrijk. 

Je kunt bijvoorbeeld vragen stellen en die laten beantwoorden. Denk aan combinaties als:

  • Is er iets gebeurd? Ja, er is iets gebeurd.
  • Is er iemand thuis? Nee, er is niemand thuis.
  • Is er koffie? Ja, er is koffie.

In het boekje Wat is er? van Martine Pirreault staan ontzettend veel zinnetjes waarmee je kunt oefenen. Je kunt ook inspiratie opdoen op deze website. De vragen daar zijn wel in het Engels, maar ze zijn makkelijk om te zetten naar Nederlands.

De eerste keer is het handig om de vragen (en antwoorden, afhankelijk van hoe sterk je groep is) op te schrijven. Later kun je zo’n oefening helemaal mondeling doen. Varieer met de zinnen die je maakt; gebruik ook zinnen met inversie.

Je kunt ook enkele woorden geven, en daar een zin mee laten maken. Bijvoorbeeld: kat – tuin – lopen: Er loopt een kat in de tuin. Je kunt daarvoor bijvoorbeeld Flippity (randomizer) gebruiken. Hier vind je een voorbeeld dat ik heb gemaakt.

Om te oefenen met bijzinnen kun je bijvoorbeeld cursist A een zin met er laten voorlezen. Cursist B moet die herhalen en beginnen met ‘A zegt dat …’ Bij een privéles neem je zelf de rol van cursist A op je.

Enkelvoud of meervoud bij ‘een paar’, ‘aantal’, enz.

Gebruik je bij ‘een paar schoenen’ een enkelvoud of een meervoud? En bij ‘een aantal’?

Meestal is het vrij duidelijk of de persoonsvorm in een zin in het enkelvoud of het meervoud moet staan, maar er zijn wat twijfelgevallen. Dat is bijvoorbeeld zo bij zinnen waar het onderwerp woorden als aantal of soort bevat. In zinnen waarin het onderwerp bestaat uit een zogenoemde ‘groepsaanduiding’ (woorden als aantalgroepheleboel en massa) en een meervoudig zelfstandig naamwoord staat de persoonsvorm soms in het enkelvoud en soms in het meervoud. Dat hangt ervan af welke groepsaanduiding je gebruikt.

Altijd enkelvoud

De persoonsvorm moet altijd in het enkelvoud staan als de groepsaanduiding duidelijk een zelfstandig naamwoord is. Dat zorgt ervoor dat het gehele onderwerp als één groep wordt opgevat. Het gaat hierbij om de volgende woorden: groephoeveelheidkuddemenigtereeksrijstapelverzameling. Juist zijn dus zinnen als: 

  • Een groep mensen demonstreert in Den Haag.
  • Voor de winkel staat een rij wachtenden.
  • Die stapel tijdschriften kan naar het oud papier.

Altijd meervoud

Er zijn ook groepsaanduidingen die geen zelfstandig naamwoorden, maar telwoorden zijn. Net als ‘gewone’ telwoorden hebben die geen invloed op de persoonsvorm. Het gaat dan om boelheleboelhoop en tal van. Voorbeelden:

  • Tal van maatregelen moeten de opwarming van de aarde tegengaan.
  • Ieder jaar vallen een heleboel kinderen van hun fiets.

Enkelvoud en meervoud kunnen allebei

Bij de laatste groep zijn enkelvoud en meervoud allebei juist. Het gaat hier om groepsaanduidingen die je zowel als zelfstandig naamwoord als als telwoord kunt opvatten. In de spreektaal is in de meeste gevallen het meervoud het gewoonst. Een uitgebreide uitleg hierover vind je ook op de website van Onze Taal. Voorbeelden:

  • Op ons kantoor werkt / werken een aantal collega’s uit andere landen.
  • Dit soort situaties is / zijn voor veel mensen erg lastig.

Een bijzonder geval is paar, waarbij een duidelijk betekenisverschil is. Bij de betekenis ‘een bij elkaar horend tweetal’ gebruik je enkelvoud, bij de betekenis ‘enkele’ meervoud:

  • Er staat een paar schoenen in de gang.
  • Er zijn altijd een paar mensen te laat.
Oefenen in de les

De meeste van deze constructies kom je pas tegen op hogere niveaus. Het is zeker niet per se nodig om aandacht te besteden aan de verschillen in woordgroep. Je kunt ook gewoon de drie groepen behandelen en het enkelvoud of meervoud koppelen aan de betekenis.

Een voorbeeld van een les hierover:
Geef de cursisten enkele zinnen waarin deze constructies voorkomen (bijvoorbeeld de voorbeeldzinnen van hierboven), met door elkaar enkelvoud en meervoud. Laat ze opzoeken wat het onderwerp van de zin is en kijk of ze kunnen bedenken waarom de persoonsvorm in het enkelvoud of juist in het meervoud staat. Geef dan alle bovengenoemde woorden en laat die indelen in drie categorieën, of doe dat samen met de groep. Laat vervolgens met alle woorden zinnen maken.