C1

Enkelvoud of meervoud bij ‘een paar’, ‘aantal’, enz.

Gebruik je bij ‘een paar schoenen’ een enkelvoud of een meervoud? En bij ‘een aantal’?

Meestal is het vrij duidelijk of de persoonsvorm in een zin in het enkelvoud of het meervoud moet staan, maar er zijn wat twijfelgevallen. Dat is bijvoorbeeld zo bij zinnen waar het onderwerp woorden als aantal of soort bevat. In zinnen waarin het onderwerp bestaat uit een zogenoemde ‘groepsaanduiding’ (woorden als aantalgroepheleboel en massa) en een meervoudig zelfstandig naamwoord staat de persoonsvorm soms in het enkelvoud en soms in het meervoud. Dat hangt ervan af welke groepsaanduiding je gebruikt.

Altijd enkelvoud

De persoonsvorm moet altijd in het enkelvoud staan als de groepsaanduiding duidelijk een zelfstandig naamwoord is. Dat zorgt ervoor dat het gehele onderwerp als één groep wordt opgevat. Het gaat hierbij om de volgende woorden: groephoeveelheidkuddemenigtereeksrijstapelverzameling. Juist zijn dus zinnen als: 

  • Een groep mensen demonstreert in Den Haag.
  • Voor de winkel staat een rij wachtenden.
  • Die stapel tijdschriften kan naar het oud papier.

Altijd meervoud

Er zijn ook groepsaanduidingen die geen zelfstandig naamwoorden, maar telwoorden zijn. Net als ‘gewone’ telwoorden hebben die geen invloed op de persoonsvorm. Het gaat dan om boelheleboelhoop en tal van. Voorbeelden:

  • Tal van maatregelen moeten de opwarming van de aarde tegengaan.
  • Ieder jaar vallen een heleboel kinderen van hun fiets.

Enkelvoud en meervoud kunnen allebei

Bij de laatste groep zijn enkelvoud en meervoud allebei juist. Het gaat hier om groepsaanduidingen die je zowel als zelfstandig naamwoord als als telwoord kunt opvatten. In de spreektaal is in de meeste gevallen het meervoud het gewoonst. Een uitgebreide uitleg hierover vind je ook op de website van Onze Taal. Voorbeelden:

  • Op ons kantoor werkt / werken een aantal collega’s uit andere landen.
  • Dit soort situaties is / zijn voor veel mensen erg lastig.

Een bijzonder geval is paar, waarbij een duidelijk betekenisverschil is. Bij de betekenis ‘een bij elkaar horend tweetal’ gebruik je enkelvoud, bij de betekenis ‘enkele’ meervoud:

  • Er staat een paar schoenen in de gang.
  • Er zijn altijd een paar mensen te laat.
Oefenen in de les

De meeste van deze constructies kom je pas tegen op hogere niveaus. Het is zeker niet per se nodig om aandacht te besteden aan de verschillen in woordgroep. Je kunt ook gewoon de drie groepen behandelen en het enkelvoud of meervoud koppelen aan de betekenis.

Een voorbeeld van een les hierover:
Geef de cursisten enkele zinnen waarin deze constructies voorkomen (bijvoorbeeld de voorbeeldzinnen van hierboven), met door elkaar enkelvoud en meervoud. Laat ze opzoeken wat het onderwerp van de zin is en kijk of ze kunnen bedenken waarom de persoonsvorm in het enkelvoud of juist in het meervoud staat. Geef dan alle bovengenoemde woorden en laat die indelen in drie categorieën, of doe dat samen met de groep. Laat vervolgens met alle woorden zinnen maken.

Titel en tussenkopjes

titel en tussenkopjes

Aan welke eisen moeten een titel en tussenkopjes voldoen?

Een goede titel en duidelijke tussenkopjes helpen de lezer van een (zakelijke) tekst erg bij het begrijpen van die tekst. Titels gebruik je vooral bij wat langere documenten, zoals artikelen, notities en rapporten. Zorg er daarbij voor dat de titel voldoende informatie geeft over de inhoud van je stuk. Alleen Rapportage is te vaag. Vaak kun je goed je doel in de titel verwerken: Advies over de aanschaf van nieuw softwarepakketEvaluatie eerste kwartaal 2020. Je kunt eventueel ook een ondertitel gebruiken. Titels formuleer je meestal in telegramstijl, dus zonder werkwoorden en lidwoorden.

Tussenkopjes

Zodra een tekst meer dan drie alinea’s heeft, adviseer ik om tussenkopjes te gebruiken. Een tussenkopje is niet langer dan ongeveer 5 woorden en legt kort uit waar het volgende deel van de tekst over gaat. Ook hierbij gaat duidelijkheid voor alles. Je wilt je lezer helpen om je tekst goed te begrijpen of om bepaalde informatie snel (terug) te vinden. Ook een tussenkopje formuleer je in telegramstijl. Wel kun je in informatieve teksten soms vragen als tussenkopjes gebruiken.

Het is niet altijd nodig om bij elke alinea een tussenkopje te zetten; zeker in langere teksten hebben vaak meerdere alinea’s hetzelfde deelonderwerp. Door tussenkopjes kun je die duidelijk groeperen.

Belangrijk is wel dat de tekst ook zonder tussenkopjes leesbaar moet zijn. Ik zie bijvoorbeeld wel dat de naam van een regeling als tussenkopje wordt gebruikt boven de tekst waarin die regeling wordt uitgelegd. Dat is natuurlijk prima, maar herhaal die naam dan ook in de eerste zin nog en begin die niet met ‘Deze regeling houdt in dat …’

Titel en tussenkopjes in e-mail

Ook in langere zakelijke mails kan het heel goed werken om een titel en tussenkopjes te gebruiken. Of nou ja, een titel. Dat is natuurlijk je onderwerpregel. Tussenkopjes kun je in de mail zelf goed gebruiken. In de bevestigingsmail die ik stuur als ik een training verstuur, gebruik ik bijvoorbeeld de tussenkopjes Data en locatieBetaling en Lessen verzetten.

Oefenen in de les

Je kunt een les hierover beginnen met een leesopdracht. Neem wat teksten mee naar de les of gebruik teksten uit je methode, en bekijk de titel en tussenkopjes. Waar verwachten ze dat de tekst over gaat? Lees dan de tekst en kijk of de voorspellingen kloppen. Zijn het goede tussenkopjes? Bekijk ook samen de lengte en formulering van tussenkopjes: kunnen je cursisten daar zelf de vereisten over lengte en telegramstijl uit halen? Eventueel kun je natuurlijk helpen.

Vervolgens kun je iedereen dezelfde tekst geven, waar je de titel en tussenkopjes van verwijderd hebt (geef wel aan wáár de tussenkopjes stonden), en laat je cursisten, individueel of in groepjes, bedenken wat een goede titel en goede tussenkopjes zouden zijn.

Tot slot kun je natuurlijk zelf een tekst laten schrijven. Je kunt ze dat op twee manieren laten aanpakken: eerst de tussenkopjes bedenken, en dan pas de tekst schrijven, of eerst de tekst schrijven en dan de tussenkopjes bedenken. Wat vinden ze makkelijker? En wat levert betere tussenkopjes op?

Woordgeslacht zelfstandig naamwoorden

woordgeslacht zelfstandig naamwoorden

Wat zijn mannelijke en vrouwelijke woorden?

Het Nederlands heeft twee bepaalde lidwoorden: de en het. Maar Nederlandse zelfstandig naamwoorden hebben drie woordgeslachten: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. We verdelen dat zo: woorden met de zijn mannelijk of vrouwelijk (of beide) en woorden met het zijn onzijdig. 

Naamvallen

Ooit – honderden jaren geleden – had het Nederlands, net als het Duits naamvallen. Die naamvallen waren verschillend voor mannelijke en vrouwelijke woorden, en ook het lidwoord paste zich aan. In de nominatief (onderwerp) was het altijd die. Dat is afgezwakt tot de, en de naamvallen verdwenen. Maar het woordgeslacht verdween niet; als je met een bezittelijk voornaamwoord wilt verwijzen naar een zelfstandig naamwoord, moet je nog steeds weten of het woord mannelijk of vrouwelijk is. Daar zijn wel wat vuistregels voor, maar geen heel vaste regels.

Verwijswoorden

Zoals gezegd: als je wilt verwijzen naar een zelfstandig naamwoord moet je eigenlijk weten of het woord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is. Ook de functie van je verwijswoord speelt mee.

functie verwijswoordmannelijkvrouwelijkonzijdig
onderwerphijzijhet
ander zinsdeelhemhaarhet
bezittelijk voornaamwoordzijnhaarzijn

Enkele voorbeelden:

  • Waar is mijn telefoonHij lag net op mijn bureau, maar nu zie ik hem niet.
  • De commissie vergadert hier volgende week over. Ze zal dan een beslissing nemen, en die bespreken met haar achterban.
  • Ik heb dat boek gelezen. Het was heel spannend. Ik vond het heel goed.

Spreektaal en schrijftaal

In de praktijk is er een groot verschil tussen de spreektaal en schrijftaal. In spreektaal wordt eigenlijk alleen naar vrouwelijke personen en dieren met zij en haar verwezen; bij andere zelfstandig naamwoorden gebruiken we vrijwel altijd hijhem en zijn. Sommige mensen verwijzen ook naar abstracte begrippen met zij en haar, maar dat is lang niet altijd correct volgens de officiële regels: de gemeenteraad is bijvoorbeeld mannelijk en het kabinet onzijdig. In (officiële) schrijftaal hanteren we het onderscheid nog wel.

Oefenen in de les

Bij beginners hoef je alleen maar uit te leggen dat het Nederlands twee bepaalde lidwoorden heeft: de en het.  Als je zinnen gaat behandelen waarin je verwijst naar een zelfstandig naamwoord, kun je volstaan met het systeem in spreektaal: hijhem en zijn bij de-woorden en het en zijn bij het-woorden. Je kunt hiermee oefenen door ze vragen te laten en stellen beantwoorden over voorwerpen in de klas of thuis. Ook kun je bijvoorbeeld een aantal woorden op een wheeldecide zetten (bijvoorbeeld vocabulaire van het thema waar je mee bezig bent) en dat als basis voor een zin gebruiken.

Pas als cursisten op B2 zitten, kan het handig zijn om de officiële regels voor schrijftaal te bespreken. Leg ze daarbij ook uit dat ze in het spreken niets hoeven aan te passen, maar dat deze regel alleen in schrijftaal geldt. En dan nog is het een regel die ik alleen bespreek in specifieke cursussen over zakelijke schrijfvaardigheid of bij cursisten die voor hun werk veel in het Nederlands moeten schrijven. Belangrijk is om cursisten dan te wijzen op websites als woordenlijst.org en spellingsite.nu, waar ze het woordgeslacht kunnen opzoeken. Je kunt dan werken met bijvoorbeeld invuloefeningen of ze zinnen laten herformuleren. Ook kun je een tekstje laten schrijven waarin ze bijvoorbeeld vijf keer zo’n verwijswoord moeten gebruiken.

Samentrekking

Wat is een samentrekking?

Samentrekking betekent dat je een of meer elementen weglaat die je anders dubbel zou gebruiken. Een voorbeeld is: ‘De cursisten hebben een museum bezocht en daar een verslag van gemaakt.’ Na en is hier de cursisten hebben weggelaten.

Er zijn een paar vereisten waar zo’n samentrekking aan moet voldoen, wil je een grammaticaal correcte zin overhouden. Wat je weglaat moet namelijk dezelfde betekenis, vorm, plaats in de zin en functie hebben. De zin ‘De cursisten hebben een museum bezocht en daar een verslag van gemaakt’ voldoet aan deze eisen. 

Betekenis

Dat is niet zo in de titel van het verkiezingsprogramma van D66: ‘Laat iedereen vrij, maar niemand vallen’. Hier worden vrijlaten en laten vallen gebruikt. Laten heeft daarin een heel andere betekenis, waardoor de samentrekking vreemd klinkt. Deze constructie wordt wel een ‘zeugma’ genoemd, met als klassiek voorbeeld: ‘Hier zet men thee en over.’

Woordvolgorde

Ook de woordvolgorde kan voor problemen zorgen, zeker als er inversie is in het eerste deel van een samengestelde zin.

  • In de zomervakantie gaan we kamperen en ruimen we de zolder op.
  • Misschien bouwen we volgende keer een huis van lego en spelen we een spelletje.

In deze zinnen veroorzaken in de zomervakantie en misschien de inversie. Omdat deze zinsdelen ook betrekking hebben op het tweede deel van de zin (en daar dus zijn samengetrokken), krijg je ook daar inversie. Je zou hier zelfs ook nog het onderwerp weg kunnen laten, omdat dat twee keer op dezelfde plek staat.

  • In de zomervakantie gaan we kamperen en ruimen de zolder op.
  • Misschien bouwen we volgende keer een huis van lego en spelen een spelletje.

Die inversie is niet juist als het zinsdeel dat de inversie veroorzaakt níét in het tweede deel van de zin past.

  • Vorig jaar is hij afgestudeerd en heeft hij nog steeds geen nieuwe baan gevonden.

Vorig jaar kan hier niet zijn weggelaten uit het tweede deel van de zin, waardoor in dat deel geen inversie kan zijn. Ook weglaten van het onderwerp is dan niet mogelijk.

  • Vorig jaar is hij afgestudeerd en heeft nog steeds geen nieuwe baan gevonden.

Deze constructie heeft de mooie naam ‘tante betje

Oefenen in de les

Veel cursisten passen zelf samentrekkingen toe, omdat dit in veel talen kan. Als je merkt dat iemand herhalende zinsdelen niet weglaat, kun je hem of haar erop wijzen dat je elementen in de zin die twee keer hetzelfde zijn, kunt weglaten.

Tantebetjezinnen kom je vooral in geschreven taal weleens tegen. Laat de cursist dan goed kijken naar de constructie van de zin. Is er inversie mogelijk? Maakt een cursist de fout vaak, dan is het zinvol om hier wat dieper op in te gaan, en expliciet mee te oefenen, bijvoorbeeld door een aantal zinnen te laten beoordelen en waar nodig verbeteren. 

‘U’ of ‘jij’?

u of jij in zakelijke mail

Gebruik je u of jij in een zakelijke mail?

Of je in een brief of mail u gebruikt, hangt vooral af van hoe formeel of informeel de context is. Een sollicitatiebrief of een eerste contact met een potentiële klant is vaak formeel; daarbij past u. Ook in de juridische en financiële wereld wordt nog vrij veel u gebruikt in contact tussen een professional en een klant. In de meeste andere situaties is in Nederland je gepaster, zeker zodra je elkaar ook al ontmoet of gesproken hebt en er geen groot verschil in hiërarchie is.

Helemaal zwart-wit is deze kwestie natuurlijk niet; de een zegt vaker u dan de ander. Belangrijk is ook wat bij de schrijver past.

Consequent

In alle zakelijke teksten is het belangrijk om consequent te zijn, dus ook hierbij. Schrijf je u, dan hoort daar ook een formele aanhef (met achternaam) bij. Bij je past bijvoorbeeld Beste Achraf. Ook in de rest van de tekst moet je consequent zijn, dus steeds u of je. Maar wat nou als je ook een meervoud wilt gebruiken? Jullie is een informeel meervoud; dat past dus niet bij u. Daarbij gebruik je dan toch weer u; daar kun je ook meerdere personen mee bedoelen. Als je dat niet duidelijk genoeg vindt, kun je ook kiezen voor de naam van het bedrijf. Vergelijk deze voorbeelden:

Beste Achraf,
Graag kom ik terug op je mail van vorige week. […] Ik zie dat jullie nog een tweede order geplaatst hebben.

Geachte heer Ammoudi,
Graag kom ik terug op uw mail van vorige week. […] Ik zie dat u nog een tweede order geplaatst hebt.

Geachte heer Ammoudi,
Graag kom ik terug op uw mail van vorige week. […] Ik zie dat Company X nog een tweede order geplaatst heeft.

Oefenen in de les

Je kunt hier natuurlijk feedback op geven bij schrijfopdrachten, maar je kunt er ook actiever mee aan de gang in een les. Bijvoorbeeld op de volgende manieren:

  • Schets verschillende korte scenario’s en laat je cursisten bedenken wat de beste keuze is in een mail.
  • Laat cursisten een lijstje maken met mensen aan wie ze weleens mailen: wanneer zouden ze u moeten gebruiken, en wanneer jij?
  • Leg je cursisten een u-versie en een jij-versie van dezelfde mail voor. Welke vinden ze gepaster?
  • Geef je cursisten een mail waarin u en jij door elkaar zijn gebruikt, en laat ze die verbeteren.

Het woord ‘voor’

het gebruik van voor

Ik woon ‘voor’ vijf jaar in Nederland

Voor is geen makkelijk woord om te leren, doordat het veel verschillende betekenissen kan hebben (de Dikke Van Dale geeft er 16!). Bovendien lijkt het in vorm (en soms in betekenis) erg op het Engelse for. Ik werk veel met mensen die het Engels als moedertaal of belangrijkste voertaal hebben, wat de verwarring alleen maar groter maakt.

Het Nederlandse voor kan natuurlijk een locatie aanduiden, maar ook bijvoorbeeld een volgorde (a komt voor b), de duur waarvoor iets geldt (dat is genoeg geld voor een week) en kan betekenen ‘het genoemde in aanmerking genomen (het is koud voor de tijd van het jaar). Sommige van die betekenissen en gebruikswijzen zijn gelijk aan het Engelse for, maar dat kan daarnaast ook weer andere betekenissen hebben. Het kan bijvoorbeeld goed een doel aanduiden (a grant for studying medicine) en een tijdsperiode (I’ve lived here for five years).

Oefenen in de les

Die Engelse betekenissen zie en hoor ik vaak terug bij cursisten. Ze maken bijvoorbeeld zinnen als: 

  • Als het niet voor jou lukt om het te doen voor je vakantie […]
  • Ik vind het goed om de uitnodiging te maken voor een gesprek te hebben. 
  • Bedankt voor dit hebben gecheckt.
  • Ik woon voor vijf jaar in Nederland.

De lastigheid is dat wij hier in het Nederlands vaak heel andere constructies gebruiken. Om dit soort fouten af te leren (of te voorkomen), is het belangrijk je cursisten aan te leren om zo min mogelijk te vertalen. Dus niet in het Engels bedenken wat je wilt zeggen, en dat dan opschrijven, maar meteen in het Nederlands formuleren. Oefen bepaalde formuleringen ook regelmatig. Stel vragen als: ‘Hoe lang woon je in Nederland?’ ‘Hoe lang werk je bij bedrijf X?’ ‘Hoe lang zit je op Nederlandse les?’ Door steeds dezelfde formulering te moeten gebruiken, slijt die na verloop van tijd in.

Voor fouten die minder frequent voorkomen (zoals Bedankt voor dit hebben gecheckt) kan het helpen om de goede formulering te geven, en die te laten verwerken in een (schrijf)opdracht.

Opsommingen maken

opsommingen maken

Hoe schrijf je een opsomming?

Opsommingen zijn een goede manier om informatie overzichtelijk te presenteren. Maar hoe zit het met het gebruik van hoofdletters en kleine letters? Er zijn drie manieren om opsommingen te maken: in steekwoorden, in delen van zinnen en in hele zinnen. Elke vorm heeft zijn eigen regels. Het is het duidelijkst om deze vormen niet te mixen, maar bij elke opsomming voor één soort te kiezen.

Steekwoorden

Een opsomming in steekwoorden kan ‘in lopende tekst’ staan, als onderdeel van een zin, of onder elkaar met opsommingstekens (‘bullets’). Als de opsomming in lopende tekst zet, zet je komma’s tussen de onderdelen en het woord en voor het laatste onderdeel. Voor de opsomming begint, zet je een dubbele punt.

Het examen bestaat uit vier onderdelen: lezen, luisteren, spreken en schrijven.

Als je de opsomming onder elkaar zet, zet je ook een dubbele punt na de inleidende zin. De delen van de opsomming schrijf je met kleine letters. Je gebruikt geen leestekens.

Het examen bestaat uit vier onderdelen:

  • lezen
  • luisteren
  • spreken
  • schrijven

Delen van zinnen

Een opsomming kan ook uit delen van zinnen bestaan. Zo’n opsomming zet je altijd onder elkaar met opsommingstekens. Boven de opsomming staat een inleidende zin, die eindigt met een dubbele punt. Zorg ervoor dat de delen van de opsomming grammaticaal aansluiten bij de inleidende zin. De onderdelen van de opsomming beginnen met een kleine letter en eindigen met een punt. Het laatste onderdeel eindigt met een punt.

In deze training leert u:

  • wat het belang van non-verbale communicatie is in salesgesprekken;
  • hoe u structuur geeft aan een salesgesprek;
  • hoe u aarzelende mensen overtuigt om een aankoop te doen;
  • welke fouten veel mensen maken in een salesprek.

Hele zinnen

Een opsomming met hele zinnen kan bestaan uit vragen of uit mededelende zinnen. Het is het best om deze niet te mixen. De inleidende zin eindigt op een punt. De onderdelen van de opsomming beginnen met een hoofdletter en eindigen met een punt of vraagteken.

Om tot een goed advies te komen, moeten we het antwoord hebben op de volgende vragen.

  • Welk budget is beschikbaar?
  • Aan welke eisen moet de software voldoen?
  • Hoeveel mensen moeten (gelijktijdig) met de software werken?

U kunt aan het onderzoek deelnemen als u voldoet aan de volgende voorwaarden.

  • U verkeert in goede gezondheid.
  • U bent ouder dan 18 jaar.
  • U woont meer dan 5 jaar in de gemeente X.

Oefenen in de les

Een opsomming in steekwoorden kun je al door beginners laten maken (denk bijvoorbeeld aan een recept), maar de andere vormen zul je denk ik pas vanaf B1 tegenkomen. Je kunt bijvoorbeeld verschillende opsommingen laten zien en cursisten laten kijken naar de verschillen, waarbij je let op het gebruik van hoofdletters, leestekens en zinsbouw. Op die manier ontdekken cursisten zelf een groot deel van de regels.

Vervolgens kun je zelf opsommingen laten maken. Vaak gaat dat makkelijker als je aangeeft waar de opsomming over moet gaan. Daarvoor kun je aansluiten bij het onderwerp van je methode, maar ook bij het werk van je cursisten. Je kunt ze bijvoorbeeld laten vertellen wat de vereisten zijn voor de functie die ze hebben, of wat de belangrijkste werkzaamheden zijn. Laat ze vervolgens elkaar feedback geven op de opsommingen. 

Passieve zinnen

passieve zinnen

De passieve vorm

De passieve vorm is een manier van formuleren waarin de nadruk ligt op het resultaat van de actie en niet op de actie zelf. Als je een actieve zin passief maakt, gebeurt het grammaticaal het volgende: het lijdend voorwerp van de actieve zin wordt het onderwerp van de passieve zin en het onderwerp wordt een door-bepaling, of blijft helemaal weg.

  • Gosia repareert de printer. (actieve zin; Gosia is het onderwerp, de printer is het lijdend voorwerp)
  • De printer wordt gerepareerd door Gosia. (passieve zin; de printer is het onderwerp, door Gosia is een door-bepaling, die je ook kunt weglaten)

De passieve vorm maak je met een hulpwerkwoord (worden of zijn) en een voltooid deelwoord. Als er geen ‘echt’ onderwerp is in een passieve zin, dan vult er die plaats.

  • Er wordt weleens getwijfeld aan zijn bedoelingen. (passieve zin met er als onderwerp)

Passieve vorm met worden

Passieve zinnen met worden staan in de onvoltooid tegenwoordige tijd (het presens) of de onvoltooid verleden tijd (het imperfectum). De nadruk ligt op de overgang naar een bepaalde toestand. 

  • De uitslag wordt morgen bekendgemaakt.
  • Vorige week werd (door de medewerkers) over de kwestie gestemd.
  • De laatste dozen worden na het weekend overgebracht naar de nieuwe locatie.

Passieve vorm met zijn

Passieve zinnen met zijn staan in de voltooid tegenwoordige tijd (het perfectum) of de voltooid verleden tijd (het plusquamperfectum). Deze zinnen geven vooral een resultaat weer. 

  • De onderzoeksresultaten zijn niet vrijgegeven.
  • Het hele huis is vorig jaar geschilderd.
  • De boot was niet goed vastgebonden en dreef weg.

De passieve vorm met zijn is voor veel mensen moeilijker te herkennen dan die met wordenZijn kan immers ook het hulpwerkwoord van tijd zijn in de actieve voltooide tijd. Maar in actieve vorm luiden bovenstaande zinnen als volgt:

  • De commissie heeft de onderzoeksresultaten niet vrijgegeven.
  • Dat bedrijf heeft vorig jaar het hele huis geschilderd.
  • Thijmen heeft de boot niet goed vastgebonden, waardoor die wegdreef.

Oefenen in de les

Bij passieve zinnen is het vooral belangrijk dat cursisten ze goed begrijpen, en dat ze weten dat ze dit soort zinnen niet al te veel moeten gebruiken als ze zelf teksten schrijven.

Je kunt het passief bijvoorbeeld als volgt oefenen:

  1. Geef een aantal passieve zinnen en laat daarvan kijken naar de vorm. Welke werkwoorden staan er in de zinnen? Kies hierbij voor zinnen met een duidelijk onderwerp, dus nog niet met er
  2. Geef de uitleg over het passief en geef voorbeelden van de verschillende tijden.
  3. Geef een tekst waarin passieve zinnen staan en laat die opzoeken. Bespreek van de passieve zinnen de betekenis. Ik gebruik hiervoor bijvoorbeeld weleens een brief van een gemeente over wegwerkzaamheden.
  4. Laat actieve zinnen omzetten naar passieve zinnen en andersom.
  5. Laat (bijvoorbeeld met het NT2 Taalspel) passieve zinnen maken.

Afhankelijk van je groep kun je dit over twee of drie lessen verspreiden, waarbij je steeds voortborduurt op wat je de vorige les hebt gedaan.

Duidelijke instructies opschrijven

instructies opschrijven

Waar moet een goede instructie aan voldoen?

Een van de doelen die je met een tekst kunt hebben, is ‘activeren‘: je lezer gaat iets doen na het lezen van je tekst. Een activerende tekst is bijvoorbeeld een instructie, waarin je uitlegt hoe iemand iets moet doen. 

Bij het schrijven van een instructie is het van belang dat je de stappen die de lezer moet zetten duidelijk opschrijft. Je moet dus kiezen voor woorden die je lezer begrijpt (vermijd vaktaal als die niet bekend is bij de lezer) en je zinnen moeten goed te begrijpen zijn. Ook moet je volledig zijn. Als een handeling voor jou heel vanzelfsprekend is, sla je makkelijk stappen over in de beschrijving. Maar een lezer is niet zo vertrouwd met de handeling, en dan kan het makkelijk mis gaan. Kies ook het juiste taalgebruik: in instructies gebruik je vaak de gebiedende wijs. Ook het nummeren van de stappen kan je lezer helpen.

Een logische volgorde

Zorg ook voor een logische volgorde; een zin als ‘Draai de kraan open nadat je er een bakje onder hebt gezet om het water op te vangen’ is niet handig geformuleerd. Makkelijker is natuurlijk: ‘Zet een bakje onder de kraan om het water op te vangen en draai daarna de kraan open.’ Nog duidelijker: ‘1. Pak een bakje. 2. Zet het bakje onder de kraan. 3. Draai de kraan open.’

Oefenen in de les

Een goede instructie schrijven is een oefening voor wat hogere niveaus, B1 of hoger, zou ik zeggen (cursisten die bijna op B1 zitten, lukt het misschien ook wel). Je kunt je cursisten opdracht geven om de stappen van een handeling op te schrijven. Dat kan iets simpels zijn als ‘koffie zetten’, maar het kan ook lastiger, bijvoorbeeld ‘een dvd-speler aansluiten op de televisie’. Je kunt ook aansluiten bij het werk van je cursisten, of ze vragen zelf een onderwerp aan te dragen.

Als je kiest voor algemene opdrachten, is het leuk om na te denken over instructies die cursisten ook werkelijk kunnen uitvoeren (thuis of in de les). Je kunt dan na het schrijven de teksten laten uitwisselen en ze elkaars instructies laten uitvoeren. Geef daarbij duidelijk de opdracht dat ze alleen maar mogen doen wat er in de instructie staat. Als je dit thuis laat doen, kun je vragen of ze een filmpje willen maken van de uitvoering, maar je kunt ze ook vragen om op te schrijven wat er goed ging en wat niet, of welke instructies onduidelijk waren. Bespreek die feedback duidelijk, en trek er met elkaar algemene conclusies uit. Vervolgens kunnen de schrijvers de feedback gebruiken om hun tekst te verduidelijken. Die herschreven versies kun je als docent eventueel nog van feedback voorzien, waarbij je bijvoorbeeld ook taal- en spelfouten aangeeft (al kun je er ook best voor kiezen om alleen naar de inhoud te kijken)

Verschillende soorten werkwoorden

verschillende soorten werkwoorden

Zelfstandige werkwoorden, koppelwerkwoorden en hulpwerkwoorden

In de zin  Mijn zus heeft een huis laten bouwen staan drie  werkwoordenheeftlaten en bouwen. Werkwoorden kunnen op verschillende manieren in groepen worden ingedeeld. De hoofdindeling is die in zelfstandige werkwoorden, koppelwerkwoorden en hulpwerkwoorden.

Zelfstandige werkwoorden

Zelfstandige werkwoorden zijn werkwoorden die de kern van het werkwoordelijk gezegde van de zin vormen; als je het weg zou laten, wordt de zin ongrammaticaal. Kijk maar naar de zin Mijn zus heeft een huis laten bouwen. De werkwoorden heeft en laten kun je weglaten (al verandert de betekenis dan natuurlijk wel), maar zonder bouwen is de zin niet grammaticaal. Een zelfstandig werkwoord kan alleen in de zin voorkomen, maar dat hoeft niet. Bijna alle werkwoorden kunnen als zelfstandig werkwoord gebruikt worden.

Koppelwerkwoorden

Eigenlijk zijn dit ook zelfstandige werkwoorden, maar een belangrijk verschil is dat ze niet in een werkwoordelijk maar in een naamwoordelijk gezegde staan. Het naamwoordelijk gezegde in zijn geheel (dus werkwoord én naamwoordelijk deel) geeft de belangrijkste betekenis van de zin. Het koppelwerkwoord zelf heeft niet zo heel veel betekenis. De koppelwerkwoorden zijn zijnwordenblijvenblijkendunkenhetenlijkenschijnen en voorkomen. Ook sommige werkwoorden die min of meer als synoniemen van zijn en worden gebruikt worden, kunnen koppelwerkwoord zijn. Denk daarbij bijvoorbeeld aan gaankomenstaan en zitten.

Hulpwerkwoorden

De hulpwerkwoorden komen in zowel werkwoordelijke als naamwoordelijke gezegdes voor. Er bestaan verschillende soorten hulpwerkwoorden, afhankelijk van hun functie. 

De meeste hulpwerkwoorden kunnen ook als zelfstandig werkwoord voorkomen. De modale hulpwerkwoorden blijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen en toeschijnen zijn dan koppelwerkwoord.

Oefenen in de les

In de meeste gevallen lijkt het me niet heel zinvol om dit echt met je cursisten te bespreken. Je kunt eventueel de term ‘hoofdwerkwoord’ gebruiken om zelfstandig en koppelwerkwoord samen in te vangen. Het onderscheid hoofdwerkwoord en hulpwerkwoord kan wel zinvol zijn.

De verschillende functies van de hulpwerkwoorden komen natuurlijk wel aan bod. De volgorde daarvan is ruwweg:

  • Modale hulpwerkwoorden: kunnenmoetenhoevenmogenwillenzullen 
  • Hulpwerkwoorden van tijd: hebben en zijn
  • Hulpwerkwoord van het passief: worden
  • Koppelwerkwoorden: blijkenschijnenhetendunkenvoorkomen en toeschijnen
  • Hulpwerkwoorden van causaliteit: doen en laten

Veel NT2-cursisten zullen aan de laatste twee groepen niet of nauwelijks toekomen, of alleen de wat frequentere werkwoorden ervan. Die hoef je zeker niet als aparte groep te behandelen, zoals je dat meestal wel doet bij de eerste groep modale hulpwerkwoorden.