bijvoeglijk naamwoord

Wel of geen e bij de overtreffende trap?

overtreffende trap met of zonder e

Wanneer komt er een e bij de zelfstandig gebruikte overtreffende trap?

De overtreffende trap kan natuurlijk direct voor een zelfstandig naamwoord staan, maar hij wordt ook vaak zelfstandig gebruikt.

  • Wat vind jij de mooiste stad ter wereld?
  • Wie van jullie is het oudste?
  • In de lente is Rome op zijn mooist.
  • Sara is het slimste van haar hele klas.
  • De jongens renden om het hardst.

Voor veel NT2-cursisten is het gebruik van de e bij bijvoeglijke naamwoorden in het algemeen lastig. Als een overtreffende trap direct voor een zelfstandig naamwoord staat, volg je de gewone regels voor de buigings-e. Bij zelfstandig gebruik is het wat makkelijker.

Als voor het bijvoeglijk naamwoord het staat, is zowel de vorm met als zonder e juist. Over het algemeen komt de vorm met e meer voor in schrijftaal, en die zonder meer in spreektaal. Juist zijn dus:

  • Wie van jullie is het oudste?
  • Wie van jullie is het oudst?
  • Sara is het slimste van haar hele klas.
  • Sara is het slimst van haar hele klas.

Op zijn + overtreffende trap

In de constructie op + bezittelijk voornaamwoord + overtreffende trap komt alleen de vorm zonder e voor. Het bezittelijk voornaamwoord moet hier (uiteraard) corresponderen met het onderwerp van de zin.

  • In de lente is Rome op zijn mooist.
  • Het meisje schreeuwde op haar hardst.

Om het + overtreffende trap

De constructie om het + overtreffende trap geeft aan dat er iets van competitie gaande is. Ook hier is de vorm met e vooral gebruikelijk in schrijftaal. Als er niets meer volgt na het bijvoeglijk naamwoord, komt er geen e. Deze constructie komt niet heel veel voor.

  • De jongens renden om het hardst.
  • Ze gooiden om het verst.
Oefenen in de les

Het is zeker goed om te oefenen met het zelfstandig gebruik van de overtreffende trap. Leer je cursisten de vorm zonder e aan – eventueel met de toevoeging dat die met e ook goed is. Meestal is het makkelijker om één vorm te leren. Je kunt natuurlijk allerlei zinnen laten maken waarin ze deze vorm moeten toepassen. Ook kun je een foto of filmpje gebruiken om dingen met elkaar te vergelijken. Besteed ook wat aandacht aan de constructie op + bezittelijk voornaamwoord + overtreffende trap. Het kan nodig zijn om goed te letten op de juiste keuze van het bezittelijk voornaamwoord.

Trappen van vergelijking

Hoe maak je de trappen van vergelijking?

Bij de bijvoeglijke naamwoorden horen de trappen van vergelijking: de stellende trap (of ‘positief’, maar beide termen worden weinig gebruikt), de vergrotende trap (of ‘comparatief’) en de overtreffende trap (of ‘superlatief’): klein – kleiner – kleinst.

Bij verreweg de meeste bijvoeglijke naamwoorden maak je de vergrotende trap met -er en de overtreffende met -st. Let daarbij wel op veranderingen in spelling. Bij bijvoeglijke naamwoorden die op een r eindigen, komt in de vergrotende trap een extra d.

  • groter – groter – grootst
  • doof – dover – doofst
  • duur – duurder – duurst

Eindigt het bijvoeglijk naamwoord op een -s, dan komt er bij de overtreffende trap alleen een -t achter.

  • vies – viezer – viest
  • vers – verser – verst

Onregelmatig zijn:

  • goed – beter – best
  • graag – liever – liefst
  • veel – meer – meest
  • weinig – minder – minst
  • dichtbij – dichterbij – dichtstbij (of: dichtstbijzijnde)

Sommige bijvoeglijke naamwoorden krijgen een omschrijving met meer en meest. Dat is het geval bij de overtreffende trap van woorden die eindigen op -de-isch-sd-sk-st. Ook kan meer of meest extra nadruk geven, en het komt vaak voor bij bijvoeglijk gebruikte voltooid deelwoorden.

  • stupide – stupider – meest stupide
  • problematisch – problematischer – meest problematisch
  • verbaasd – verbaasder – meest verbaasd
  • bruusk – bruusker – meest bruusk
  • verrast – verraster – meest verrast
  • De méést originele inzendingen worden beloond.
  • Dit zijn de meest gelezen boeken van vorig jaar.

Niet alle bijvoeglijke naamwoorden hebben trappen van vergelijking. Ze ontbreken bijvoorbeeld bij de stofnamen, en bij bijvoeglijke naamwoorden als kwijt, linker, rechter, mondeling, bloedrood, hemelsblauw, hypermoder, oersterk, enz. Meer over die categorieën lees je in de ANS.

Oefenen in de les

De eenvoudige gevallen behandel je vaak al redelijk snel. Cursisten komen deze vormen snel tegen, dus het is handig als ze ze kunnen begrijpen en gebruiken. Leer ook meteen de onregelmatige vormen aan: dat is maar een klein groepje, en ze zijn erg frequent. 

Je kunt natuurlijk allerlei zaken in de klas met elkaar vergelijken, of zelfs je cursisten zelf: wie is ouder / jonger / langer / korter, woont verder weg of dichter bij? Ook een goede oefenvorm is een tabel maken met eigenschappen van bijvoorbeeld drie verschillende voorwerpen die je via Marktplaats wilt kopen. Ze verschillen van elkaar in prijs, leeftijd, en nog een of twee andere eigenschappen. Laat cursisten vertellen of met elkaar praten over die verschillen.

Het rijtje graag – liever – liefst kun je bijvoorbeeld oefenen met eten en drinken, maar ook met muziekstijlen of artiesten, filmgenres of vakantiebestemmingen. Maak een rad (bij Wheeldecide of Flippity) met op elk puntje drie woorden. De cursist die aan de beurt is, mag zelf een volgorde kiezen om ze in te zetten met de trappen van vergelijking. Ze maken dan zinnen van het type: ik eet graag pizza – ik eet liever stamppot – ik eet het liefst sushi.

De buigings-e bij het bijvoeglijk naamwoord

buigings-e bij bijvoeglijk naamwoord

Wanneer komt er een e achter een bijvoeglijk naamwoord?

De buigings-e bij het bijvoeglijk naamwoord is een van de moeilijkst te leren dingen van het Nederlands. Dat dat zo is, heeft een paar oorzaken. Ten eerste gaat het om een heel korte, onbeklemtoonde klank. In spontane spraak is die moeilijk te horen; dat maakt ook het leren ervan moeilijker. Ten tweede hangt het gebruik van de e samen met het lidwoord, en kennis daarvan is voor de meeste mensen heel lastig te verwerven.

Hoe zit het? Het Nederlands kent drie lidwoorden: de bepaalde lidwoorden de en het en het onbepaalde lidwoord een. Na een bepaald lidwoord, of dat nu de of het is krijgt het bijvoeglijk naamwoord altijd een e. Na het onbepaald lidwoord is dat anders. Als daarna er dan na het bijvoeglijk naamwoord een enkelvoudig het-woord staat, komt er géén buigings-e. Kijk maar in onderstaande tabel.

 De-woordenHet-woordenPluralis
BepaaldDe mooie tafel
De rode jas
Het mooie boek
Het rode T-shirt
De mooie tafels
De rode jassen
De mooie boeken
De rode T-shirts
OnbepaaldEen mooie tafel
Een rode jas
Een mooi boek
Een rood T-shirt
Mooie tafels
Rode jassen
Mooie boeken
Rode T-shirts
Oefenen in de les

Zoals gezegd, is dit lastig te leren. Toch komt het in alle methodes aan bod, vaak al heel vroeg. Dat is omdat NT2-leerders het verschijnsel vaak al vroeg tegenkomen in de teksten uit het boek. Ik krijg er soms al in de tweede les vragen over. 

Bij die beginners laat ik vaak bovenstaand schema zien met een korte toelichting. Daarbij benadruk ik dat het voor hoe goed ze begrepen worden, of voor de betekenis van wat ze zeggen niet zo veel uitmaakt of ze dit goed doen. En, misschien wel belangrijker: ik geef ze een aantal vaste zinnen, die ze vaak gebruiken, in de goede vorm: Fijn weekend, Fijne avond, Goed idee! Dit soort zinnen laat ik ze als geheel leren; dan gaat het altijd goed.

Bij wat verder gevorderden leg ik vaak de regel nogmaals uit. Ik voeg er dan aan toe dat de meeste woorden de-woorden zijn (of nou ja, dat herhaal ik; dat vertel ik ze al zodra het over de en het gaat), en dat er dus in de meeste gevallen een e achter het bijvoeglijk naamwoord komt. Oftewel: in geval van twijfel, met e

Om de buigings-e onder de knie te krijgen, is het belangrijk dat cursisten het lidwoord van de zelfstandige naamwoorden goed kennen. Dat is een kwestie van veel herhaling. Er zijn ook apps waarmee cursisten dit kunnen oefenen. Wat ook helpt, is om telkens als je vaste combinaties met of zonder e tegenkomt, die expliciet zo te laten oefenen. Denk daarbij bijvoorbeeld ook aan zinnetjes als ‘Wat een mooie film!’ ‘Wat een mooi boek!’ Je kunt je cursisten ook laten luisteren naar een tekst of dialoog en ze de bijvoeglijke naamwoorden in een gatentekst laten invullen: horen ze de e?