A2

Wel of geen e bij de overtreffende trap?

overtreffende trap met of zonder e

Wanneer komt er een e bij de zelfstandig gebruikte overtreffende trap?

De overtreffende trap kan natuurlijk direct voor een zelfstandig naamwoord staan, maar hij wordt ook vaak zelfstandig gebruikt.

  • Wat vind jij de mooiste stad ter wereld?
  • Wie van jullie is het oudste?
  • In de lente is Rome op zijn mooist.
  • Sara is het slimste van haar hele klas.
  • De jongens renden om het hardst.

Voor veel NT2-cursisten is het gebruik van de e bij bijvoeglijke naamwoorden in het algemeen lastig. Als een overtreffende trap direct voor een zelfstandig naamwoord staat, volg je de gewone regels voor de buigings-e. Bij zelfstandig gebruik is het wat makkelijker.

Als voor het bijvoeglijk naamwoord het staat, is zowel de vorm met als zonder e juist. Over het algemeen komt de vorm met e meer voor in schrijftaal, en die zonder meer in spreektaal. Juist zijn dus:

  • Wie van jullie is het oudste?
  • Wie van jullie is het oudst?
  • Sara is het slimste van haar hele klas.
  • Sara is het slimst van haar hele klas.

Op zijn + overtreffende trap

In de constructie op + bezittelijk voornaamwoord + overtreffende trap komt alleen de vorm zonder e voor. Het bezittelijk voornaamwoord moet hier (uiteraard) corresponderen met het onderwerp van de zin.

  • In de lente is Rome op zijn mooist.
  • Het meisje schreeuwde op haar hardst.

Om het + overtreffende trap

De constructie om het + overtreffende trap geeft aan dat er iets van competitie gaande is. Ook hier is de vorm met e vooral gebruikelijk in schrijftaal. Als er niets meer volgt na het bijvoeglijk naamwoord, komt er geen e. Deze constructie komt niet heel veel voor.

  • De jongens renden om het hardst.
  • Ze gooiden om het verst.
Oefenen in de les

Het is zeker goed om te oefenen met het zelfstandig gebruik van de overtreffende trap. Leer je cursisten de vorm zonder e aan – eventueel met de toevoeging dat die met e ook goed is. Meestal is het makkelijker om één vorm te leren. Je kunt natuurlijk allerlei zinnen laten maken waarin ze deze vorm moeten toepassen. Ook kun je een foto of filmpje gebruiken om dingen met elkaar te vergelijken. Besteed ook wat aandacht aan de constructie op + bezittelijk voornaamwoord + overtreffende trap. Het kan nodig zijn om goed te letten op de juiste keuze van het bezittelijk voornaamwoord.

Aanwijzend voornaamwoord

aanwijzend voornaamwoord

Wat is het verschil tussen die, deze, dit en dat?

Diedezedit en dat zijn aanwijzende voornaamwoorden. Je kunt ze zowel direct voor een zelfstandig naamwoord zetten als zelfstandig gebruiken om te verwijzen naar een zelfstandig naamwoord.

  • Dit boek is erg goed.
  • Deze tafel hebben we vorige week gekocht.
  • Heb jij dit boek al gelezen? Ja, dat heb ik gelezen.
  • (Wijzend naar een tafel) Die wil ik hebben!

Die en deze horen bij de-woorden (enkelvoud en meervoud) en personen, en dit en dat bij het-woorden (alleen enkelvoud).

Verschillen tussen deze/dit en die/dat

De keuze tussen deze/dit en die/dat is niet altijd eenvoudig. Vaak zijn beide mogelijk zonder dat er veel betekenisverschil is. Er zijn ook gevallen waarin er wel verschil is.

Deze en dit gebruik je als iets dichtbij is (‘hier’), en die en dat als iets ver weg is (‘daar’): Gaan we naar dit of naar dat restaurant? Je kunt deze variatie ook gebruiken zonder dat er verschil is in afstand, maar om twee zaken van elkaar te onderscheiden: Wil je die appel of deze?

Deze en dit zijn over het algemeen nadrukkelijker; daarom komen deze vormen ook meer voor in schrijftaal. Je hebt daarin immers geen intonatie en mimiek om je bedoeling duidelijker te maken. Die en dat hebben vaak zo weinig nadruk dat ze bijna gelijk zijn aan de lidwoorden.

Tot slot kunnen die en dat ook gebruikt worden in combinatie met een voorzetsel: Ik vind dit idee beter dan dat van Irene.

Oefenen in de les

Cursisten komen de aanwijzende voornaamwoorden al vrij snel tegen, zeker de onzelfstandige variant. Ze hoeven dan alleen nog maar te leren dat deze en die bij de-woorden horen en dit en dat bij het-woorden. Dat is natuurlijk al moeilijk genoeg, omdat de woordgeslachten zo lastig te leren zijn. Gebruik dan ook vooral duidelijke voorbeelden, van woorden die ze goed kennen.
Als je begint met het zelfstandige gebruik, kun je ook het best beginnen met zinnen waarin uit de zin al duidelijk is of je met een de- of een het-woord te maken hebt. Pas later komen moeilijkere gevallen.

Voor het onderscheid tussen deze/dit en die/dat kun je beginnen met het verschil in afstand en het vergelijken van twee dingen. Het verschil in nadruk is echt iets voor hogere niveaus. In spreektaal zijn die en dat het gewoonst, dus je kunt je cursisten ook vooral met deze vormen laten oefenen.

Je kunt hiervoor natuurlijk invuloefeningen gebruiken, maar leuker is picture talk. Je laat dan een foto zien, en stelt daar vragen over. Dat werkt het best als er gelijksoortige voorwerpen staan (een paar stoelen bijvoorbeeld). Stel vragen als ‘Welke stoel vind je mooi: deze groene of die blauwe?’ Je kunt ook twee foto’s met hetzelfde thema naast elkaar laten zien, en die met elkaar laten vergelijken. In een face-to-face les kun je gebruikmaken van de ruimte in het lokaal om dichtbij en ver weg mee te laten spelen in de keuze tussen bijvoorbeeld die en dat.

Sterke, zwakke en onregelmatige werkwoorden

sterke zwakke en onregelmatige werkwoorden

Wat betekenen de termen ‘sterk’, ‘zwak’ en ‘onregelmatig’ als het over werkwoorden gaat?

Werkwoorden hebben verschillende vervoegingen in de verschillende tijden. Bij de meeste werkwoorden is duidelijk herkenbaar wat hun infinitief is, omdat ze alleen een andere uitgang krijgen. Maar er zijn ook werkwoorden waarvan de klinker en/of de medeklinker verandert. Die verschillen beschrijven we met de termen ‘sterke’, ‘zwakke’ en ‘onregelmatige’ werkwoorden.

Zwakke werkwoorden

De meeste werkwoorden zijn regelmatig: werken – werkte – gewerktreizen – reisde – gereisd. Deze werkwoorden zijn duidelijk herkenbaar; de verleden tijd en het voltooid deelwoord worden volgens vaste patronen gevormd. In het Nederlandse onderwijs noemen we dit ‘zwakke werkwoorden’.

Half-regelmatige werkwoorden

Een kleine groep is half-regelmatig: de verleden tijd is regelmatig, maar het voltooid deelwoord eindigt op -en

Sterke werkwoorden

Bij een vrij grote groep werkwoorden verandert in de verleden tijd de klinker; het voltooid deelwoord eindigt op -en. Voorbeelden zijn: drijven – dreef – gedreven, ruiken – rook – geroken. Er zijn ook wat werkwoorden die alleen in de verleden tijd een andere klinker hebben. Voorbeelden daarvan zijn: dragen – droeg gedragenlopen – liep – gelopen. Er zijn werkwoorden met 2, 3 of 4 verschillende klinkers. In het Nederlandse onderwijs worden deze werkwoorden meestal ‘sterke werkwoorden’ genoemd.

Daarnaast is er een kleinere groep werkwoorden waarvan zowel de klinker als de medeklinker verandert, zoals bij kopen – kocht – gekocht en houden – hield – gehouden. In deze groep is het voltooid deelwoord vrij onvoorspelbaar. Dat kan op -en eindigen, maar ook op -d/-t. En ook de vormen gegaangestaan en gedaan vallen in deze groep. Meestal worden deze werkwoorden ook tot de sterke werkwoorden gerekend.

Onregelmatige werkwoorden

Tot slot is er een kleine groep onregelmatige werkwoorden. Deze werkwoorden zijn ook in de tegenwoordige tijd onregelmatig. Het gaat om het rijtje hebbenkunnenmogenmoetenwillenzullenzijn.

Je kunt werkwoorden ook indelen naar de manier waarop ze in zinnen gebruikt worden.

Oefenen in de les

In NT2-methodes wordt meestal alleen het onderscheid regelmatig – onregelmatig gehanteerd. Voordeel daarvan is dat je minder tijd kwijt bent aan het uitleggen van grammaticale termen. Een nadeel is echter dat het daardoor vaak een grote brij aan werkwoorden wordt. Het kan overzichtelijker te zijn om de werkwoorden in groepen te oefenen. Welke termen je daarbij hanteert, is dan niet zo belangrijk.

Je kunt hieronder een overzicht downloaden met de half-regelmatige en sterke werkwoorden. Het zijn niet alle werkwoorden – de heel ongebruikelijk (zoals krijten en ontginnen) heb ik eruit weggelaten.

Veel van deze werkwoorden zijn heel frequent, waardoor cursisten ze vaak tegenkomen. Dat vergemakkelijkt het onthouden natuurlijk erg. Je kunt er ook voor kiezen om steeds te oefenen met een stukje van de lijst, door de betreffende werkwoorden (klassikaal) in te oefenen, ze te verwerken in oefeningen die je doet, enz.

‘Aan het’ + infinitief

aan het infinitief

Hoe gebruik je de constructie aan het + infinitief?

De constructie aan het + infinitief heet ook wel een duratief. Dat wil zeggen dat het gaat om een handeling die enige tijd duurt, en waar niet per se een eind aan zit. De infinitief moet ook echt een handeling uitdrukken. De volgende zinnen zijn bijvoorbeeld niet mogelijk:

  • Ik ben een televisie aan het hebben. (hebben is niet iets wat je doet)
  • Hij was de finish om 14.03 aan het bereiken. (dit duurt niet enige tijd)

Het hulpwerkwoord bij aan het + infinitief is meestal zijn, maar ook de werkwoorden blijken, lijken, schijnen, blijven, gaan, raken, slaan, brengen, maken, krijgen, zetten, hebben¸ houden, horen, zien en vinden zijn mogelijk. Enkele voorbeelden:

  • Haar vraag bracht me aan het twijfelen.
  • Na veel gedoe kregen we de motor weer aan het draaien.
  • De matrozen sloegen aan het muiten.

Als er nog een lijdend voorwerp bij staat, komt dat meestal voor aan het, maar als het lijdend voorwerp nauw verbonden is met de infinitief, kan het er ook wel tussen komen, maar heel gewoon is dat niet.

  • Zijn jullie nou alweer aan het ruzie maken!
  • Simon is aan het koffie zetten.

Engels

Deze constructie lijkt erg op de Engelse -ing-vorm (het gerundium of de present continuous), maar ze zijn niet helemaal hetzelfde. De constructie aan het+ infinitief is altijd gekoppeld aan een specifiek moment, nu of in het verleden, bij het Engelse gerundium is dat niet per se het geval.

  • Het is aan het regenen, dus ik blijf binnen.
  • Ik ben aan het koken, dus ik kan de deur niet opendoen.
  • Ik wilde op de fiets gaan, maar het was aan het regenen.
Oefenen in de les

Je kunt deze constructie het best introduceren tussen A1 en A2 in, met alleen het hulpwerkwoord zijn. De andere mogelijkheden komen echt pas op B1 of B2. Je kunt dit heel goed oefenen met een praatplaat of bijvoorbeeld een schilderij. Denk bijvoorbeeld eens aan Jan Steen (kan je meteen het gezegde ‘een huishouden van Jan Steen’ bespreken) of Hendrick Avercamp. Eigenlijk is elke afbeelding waarop veel mensen verschillende dingen aan het doen zijn goed. Zoek vooral iets wat aansluit bij het thema van je les.

Om de verleden tijd te oefenen kun je vragen naar gisteren: ‘Wat deed je gisteren om 8.00 uur?’ ‘Om 8.00 uur was ik aan het ontbijten.’

Ook een leuke oefening, uit het boek Zichtbaar Nederlands: werk in duo’s en laat cursisten om de beurt uitbeelden dat ze iets doen. De ander vraagt: ‘Ben je iets aan het eten?’ ‘Ja, maar wat?’ ‘Ben je een appel aan het eten?’ ‘Nee.’ ‘Ben je taart aan het eten?’, enz. tot het geraden is. Daarna ruil je om.

Het imperfectum

imperfectum

Hoe maak en gebruik je het imperfectum?

Het Nederlands kent twee verschillende verleden tijden: het imperfectum (de onvoltooid verleden tijd) en het perfectum (de voltooid tegenwoordige tijd). Hier lees je meer over de keuze tussen die twee tijden.

Vorm

Om een zin in het imperfectum te zetten, heb je geen extra werkwoord nodig. Je verandert alleen de vervoeging van de persoonsvorm. Bij samengestelde zinnen verander je meestal alle persoonsvormen, maar daar kunnen uitzonderingen op zijn.

  • De jongens maken het eten klaar.
  • De jongens maakten het eten klaar.
  • De jongens maken het eten klaar terwijl hun ouders wandelen.
  • De jongens maakten het eten klaar terwijl hun ouders wandelden.
  • De vrouw zegt dat de jongens het eten klaarmaken.
  • De vrouw zegt dat de jongens het eten klaarmaakten.

In het imperfectum hebben Nederlandse werkwoorden maar twee vormen: enkelvoud en meervoud. Dat geldt voor álle werkwoorden, zwak, sterk en onregelmatig. De meeste werkwoorden zijn zwak. Die vorm je door de uitgang -de(n) of -te(n) achter de ik-vorm van het werkwoord te zetten. Voor de keuze tussen d en t kun je gebruikmaken van ’t kofschip (of soft ketchup). Van de onregelmatige en zwakke werkwoorden zijn geen vaste regels te geven; die moet je per stuk leren.

Gebruik

De Nederlandse benaming voor het imperfectum is, zoals gezegd ‘onvoltooid verleden tijd’. Dat ‘onvoltooid’ geeft al aan dat de handeling als niet-voltooid, of langer durend wordt gezien. Je gebruikt het imperfectum dan ook bij beschrijvingen, bijvoorbeeld als je vertelt waar een boek of film over ging, of over iets wat je vroeger deed. In langere teksten is er een neiging om het imperfectum te gebruiken voor bijkomstigheden, en het perfectum voor belangrijke elementen.

Oefenen in de les

Voor zover ik weet, behandelen alle NT2-methodes eerst het perfectum en daarna het imperfectum. Dat is ook logisch, omdat het perfectum veel meer gebruikt wordt. Een paar heel frequente vormen, zoals was en had hebben veel cursisten dan trouwens al opgepikt.

Bij het imperfectum begin ik vaak met de vorm. Geef bijvoorbeeld wat zinnen met zwakke werkwoorden in het imperfectum en bespreek aan de hand daarvan de vorm met je cursisten. Zien ze zelf hoe deze vorm is afgeleid van de infinitief? En het verschil tussen enkelvoud en meervoud? Het is handig om je cursisten te wijzen op het feit dat perfectum en imperfectum altijd beide een d of beide een krijgen. De meervoudsvorm is ook nog weleens lastig, omdat de slot-n niet wordt uitgesproken.

Het kan goed zijn om eerst even expliciet de vorm te oefenen. Geef bijvoorbeeld tien werkwoorden en laat die in het imperfectum zetten. Laat daarna ook zinnen maken. Dat kun je op verschillende manieren doen. Je kunt een rad maken (bijvoorbeeld met Wheeldecide of Flippity) met daarin een aantal bekende werkwoorden en daar zinnen mee laten maken. Je kunt ook voor een verhaalvorm kiezen. Laat bijvoorbeeld iets vertellen over vroeger. Of kijk een grappig filmpje en laat navertellen wat er gebeurde. Ook kun je een verhaal (in het presens) lezen en dat laten navertellen in het imperfectum. Maak een mix van mondelinge en schriftelijke oefeningen, zodat je alle vaardigheden oefent en meer afwisseling hebt.

Een heel leuk liedje om te gebruiken voor het imperfectum is Heel lang geleden van Yentl en De Boer. Daar zitten veel onregelmatige werkwoorden in.

Trappen van vergelijking

Hoe maak je de trappen van vergelijking?

Bij de bijvoeglijke naamwoorden horen de trappen van vergelijking: de stellende trap (of ‘positief’, maar beide termen worden weinig gebruikt), de vergrotende trap (of ‘comparatief’) en de overtreffende trap (of ‘superlatief’): klein – kleiner – kleinst.

Bij verreweg de meeste bijvoeglijke naamwoorden maak je de vergrotende trap met -er en de overtreffende met -st. Let daarbij wel op veranderingen in spelling. Bij bijvoeglijke naamwoorden die op een r eindigen, komt in de vergrotende trap een extra d.

  • groter – groter – grootst
  • doof – dover – doofst
  • duur – duurder – duurst

Eindigt het bijvoeglijk naamwoord op een -s, dan komt er bij de overtreffende trap alleen een -t achter.

  • vies – viezer – viest
  • vers – verser – verst

Onregelmatig zijn:

  • goed – beter – best
  • graag – liever – liefst
  • veel – meer – meest
  • weinig – minder – minst
  • dichtbij – dichterbij – dichtstbij (of: dichtstbijzijnde)

Sommige bijvoeglijke naamwoorden krijgen een omschrijving met meer en meest. Dat is het geval bij de overtreffende trap van woorden die eindigen op -de-isch-sd-sk-st. Ook kan meer of meest extra nadruk geven, en het komt vaak voor bij bijvoeglijk gebruikte voltooid deelwoorden.

  • stupide – stupider – meest stupide
  • problematisch – problematischer – meest problematisch
  • verbaasd – verbaasder – meest verbaasd
  • bruusk – bruusker – meest bruusk
  • verrast – verraster – meest verrast
  • De méést originele inzendingen worden beloond.
  • Dit zijn de meest gelezen boeken van vorig jaar.

Niet alle bijvoeglijke naamwoorden hebben trappen van vergelijking. Ze ontbreken bijvoorbeeld bij de stofnamen, en bij bijvoeglijke naamwoorden als kwijt, linker, rechter, mondeling, bloedrood, hemelsblauw, hypermoder, oersterk, enz. Meer over die categorieën lees je in de ANS.

Oefenen in de les

De eenvoudige gevallen behandel je vaak al redelijk snel. Cursisten komen deze vormen snel tegen, dus het is handig als ze ze kunnen begrijpen en gebruiken. Leer ook meteen de onregelmatige vormen aan: dat is maar een klein groepje, en ze zijn erg frequent. 

Je kunt natuurlijk allerlei zaken in de klas met elkaar vergelijken, of zelfs je cursisten zelf: wie is ouder / jonger / langer / korter, woont verder weg of dichter bij? Ook een goede oefenvorm is een tabel maken met eigenschappen van bijvoorbeeld drie verschillende voorwerpen die je via Marktplaats wilt kopen. Ze verschillen van elkaar in prijs, leeftijd, en nog een of twee andere eigenschappen. Laat cursisten vertellen of met elkaar praten over die verschillen.

Het rijtje graag – liever – liefst kun je bijvoorbeeld oefenen met eten en drinken, maar ook met muziekstijlen of artiesten, filmgenres of vakantiebestemmingen. Maak een rad (bij Wheeldecide of Flippity) met op elk puntje drie woorden. De cursist die aan de beurt is, mag zelf een volgorde kiezen om ze in te zetten met de trappen van vergelijking. Ze maken dan zinnen van het type: ik eet graag pizza – ik eet liever stamppot – ik eet het liefst sushi.

Combineren en samenvallen van er

combineren en samenvallen van er

Er in ‘Er zijn er drie’

Het woordje er is voor veel cursisten één van de lastigste woorden van het Nederlands. Je kunt het op vier verschillende manieren gebruiken: presentatief, locatief, prepositioneel en kwantitatief. En dan zijn er nog zinnen waarin die vormen gecombineerd worden of samenvallen.

In sommige zinnen lijkt het lastig om vast te stellen met welk er je precies te maken hebt. Kijk bijvoorbeeld naar onderstaande gesprekjes.

  • Wat ligt er op de tafel? Er liggen kranten op.
  • Hoeveel kaarsen hebben we nog? Er liggen er drie in de kast.

In de eerste zin is er zowel presentatief als prepositioneel. In de tweede zin staat twee keer er: het eerste is presentatief en het tweede is kwantitatief. De Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) beschrijft verschillende mogelijkheden voor het combineren en samenvallen van er.

Als er het eerste woord van de zin is, kan presentatief er samenvallen met locatief of prepositioneel er.

  • Hoe kom ik in Noordwijk? Er gaat een bus naartoe. (presentatief en prepositioneel)
  • Ik keek in de kast en er lag niets. (presentatief en locatief)

Als je presentatief er op de eerste zinsplaats wilt combineren met kwantitatief er, komt er twee keer er in de zin. Die twee kunnen niet direct na elkaar staan.

  • Hoeveel bekers zijn er? Er zijn er drie.

Als er op een andere plek op de zin staat, zijn er veel meer mogelijkheden. Er kan dan twee of zelfs drie functies tegelijk hebben.

  • Hoeveel bekers heb je nodig? Hier staan er zeven. (presentatief + kwantitatief)
  • Rome heeft heel veel kerken. Zeker 900 zijn er. (presentatief + locatief)
  • Hoe kom ik in Noordwijk? Een bus gaat er vast wel naartoe. (presentatief + prepositioneel)
  • In onze straat zijn veel bakfietsen. Wel tien heb ik er geteld. (kwantitatief + locatief)
  • Gaston Dorren schrijft veel boeken over taal. Hij heeft er zeker vijf over geschreven. (kwantitatief + prepositioneel)
  • Gisteren waren er nog een heleboel koekjes in de trommel. Nu zijn er nog maar drie. (presentatief + locatief + kwantitatief)
  • De deelnemers haakten een voor een af. Aan het eind van de dag waren er nog maar twee over. (presentatief + kwantitatief + prepositioneel)
Oefenen in de les

Het is de vraag of het echt nodig is om aandacht te besteden aan het samenvallen van meerdere soorten er, maar het is als docent wel goed om je bewust te zijn van het fenomeen. Als er vragen over komen van cursisten, kun je die in elk geval beantwoorden.

Het is wél goed om aandacht te besteden aan het feit dat er ook twee keer in een zin kan staan. Om daarmee te oefenen kun je vragen gebruiken waarin je een onbepaald subject combineert met een aantal.

In het boekje Wat is er? van Martine Pirreault staan ook hiervoor oefenzinnetjes, in het hoofdstuk ‘gemengde oefeningen’. Je kunt ook inspiratie opdoen op deze website. De vragen daar zijn wel in het Engels, maar ze zijn makkelijk om te zetten naar Nederlands.

Als je alle vormen van er behandeld hebt, is het goed om die ook door elkaar te gebruiken. Je kunt bijvoorbeeld een korte tekst geven waarin er steeds is weggelaten. Kunnen de cursisten bedenken waar het zou moeten staan? Of leg ze zinnen met en zonder er voor en vraag of die goed of fout zijn. Uiteindelijk is het natuurlijk niet belangrijk dat je cursisten alle functies van er precies kunnen benoemen, maar wel dat ze het woord goed kunnen gebruiken. Leg daar altijd de nadruk op.

Kwantitatief ‘er’

kwantitatief er

Er in ‘Ik heb er twee gegeten’

Het woordje er is voor veel cursisten één van de lastigste woorden van het Nederlands. Je kunt het op vier verschillende manieren gebruiken: presentatief, locatief, prepositioneel en kwantitatief. Ook kunnen verschillende vormen van er gecombineerd worden.

Bij het gebruik van het kwantitatieve er zijn er nogal wat regionale verschillen. In de standaardtaal verwijst dit er naar een zelfstandig naamwoord, en staat het in de buurt van een telwoord. Je kunt dit er niet vervangen door hier of daar, zoals bij het locatieve er. Voorbeelden zijn:

  • Hoeveel cadeautjes krijgt zij? Ze krijgt er tien.
  • Heb je de vijf verschillen al gevonden? Nee, ik zie er maar drie.
  • We hebben nu drie aanmeldingen, maar we hebben er meer nodig.

De hoeveelheid kun je aanduiden met een hoofdtelwoord (zoals tien en drie), maar ook met onbepaalde voornaamwoorden, zoals enkelewatgenoegvoldoende. Ook woorden als een heleboel of geen kunnen met het kwantitatieve er voorkomen.

  • Hebben we nog mandarijnen? Ja, we hebben er een heleboel.
  • Hebben we nog mandarijnen? Nee, we hebben er geen meer.

Voor de hoeveelheidsbepaling kun je met een woord als nogmaaralwel of meer een oordeel over het aantal geven. 

  • Hoeveel koekjes heb je gegeten? Ik heb er maar twee gegeten.
  • Hoeveel koekjes heb je gegeten? Ik heb er wel twee gegeten.
  • Hoeveel koekjes heb je gegeten? Ik heb er nog maar twee gegeten.

Soms staat er in de zin ook nog een nabepaling; de hoeveelheidsaanduiding kan dan ook achterwege blijven.

  • Ik heb geen boeken over geschiedenis, maar ik heb er wel (veel) over sport.

Zoals gezegd zijn er regionale verschillen; in België en het zuiden van Nederland vinden veel mensen de volgende zinnen ook juist. ‘Boven de rivieren’ zijn deze zinnen voor de meeste Nederlanders niet mogelijk:

  • Gisteren heb ik appels gekocht bij de groenteboer, maar vandaag ga ik er kopen in de supermarkt.
  • Heb je ballen bij je? Ja, ik heb er bij me.
  • Telkens als jij vallende sterren ziet, zie ik er ook.

Meer over deze regionale verschillen vind je in de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS).

Plek in de zin

Ook het kwantitatieve er staat in hoofdzinnen meteen na de persoonsvorm. In hoofdzinnen met inversie en bijzinnen staat het na het onderwerp. Maar in zinnen met een wederkerend voornaamwoord staat het pas na dat voornaamwoord.

  • Ik zie maar twee pakken koffie, terwijl ik er drie had gekocht.
  • Weet jij nog alle namen van je klasgenoten op de basisschool? Even denken … Ik kan me er drie herinneren.

Een ontkenning staat na er, en voor de hoeveelheidsaanduiding.

  • Hebben we nog mandarijnen? Nee, we hebben er geen meer.
  • Ik zie twee pakken koffie, maar hadden we er niet drie?
Oefenen in de les

Het kwantitatieve er is voor cursisten relatief goed te leren, hoewel ze erg moeten wennen aan het idee dat het grammaticaal nodig is. Maar de duidelijke verwijzing helpt bij het leren. Wijs daar bij het oefenen ook op. Je kunt dit natuurlijk goed oefenen door allerlei vraag-antwoordoefeningen over telbare zaken. Je kunt cursisten zelf vragen laten bedenken, of werken met plaatjes of bijvoorbeeld een tool als Wheeldecide.

In het boekje Wat is er? van Martine Pirreault staan ontzettend veel zinnetjes waarmee je kunt oefenen. Je kunt ook inspiratie opdoen op deze website. De vragen daar zijn wel in het Engels, maar ze zijn makkelijk om te zetten naar Nederlands.

Let erop dat je ook oefent met inversie en bijzinnen, en als je cursisten wat verder gevorderd zijn, is het leuk (en goed) om te experimenteren met de gevoelswaarde van toevoegingen als nogmaar en al.

Prepositioneel ‘er’

prepositioneel er

Er in ‘Ik hou er niet van’

Het woordje er is voor veel cursisten één van de lastigste woorden van het Nederlands. Je kunt het op vier verschillende manieren gebruiken: presentatief, locatief, prepositioneel en kwantitatief. Ook kunnen verschillende vormen van er gecombineerd worden.

Prepositioneel er staat altijd samen met een voorzetsel in de zin. Samen vormen zij wat officieel een ‘voornaamwoordelijk bijwoord’ wordt genoemd. Dit is een combinatie van een bijwoord als erhierdaarwaarnergens of ergens en een voorzetselbijwoord (een voorzetsel met de functie van een bijwoord). Voorbeelden van voornaamwoordelijke bijwoorden zijn eraanhierbij en waarvoor. In functie lijken voornaamwoordelijke bijwoorden op voornaamwoorden: ze verwijzen naar een ander woord, of naar een bijzin die nog volgt. 

  • Wil je een stukje marsepein? Nee dank je, ik hou er niet van.
  • We zullen er volgende keer aan denken.
  • Heb jij nog munten met Beatrix erop?
  • We zorgen ervoor dat alles op tijd geregeld is.

Deze combinaties verwijzen altijd naar zaken of naar dieren. Om naar mensen te verwijzen, gebruik je de combinatie van een voorzetsel en een voornaamwoord.

  • Wacht je op Marieke? Ja, ik wacht op haar.
  • Zit Soufyan naast Diego? Ja, hij zit naast hem.

Er zijn ook een aantal vaste verbindingen waarin het voornaamwoordelijk bijwoord geen verwijzende functie heeft, maar een algemenere betekenis.

  • Je bent er gloeiend bij!
  • We trokken er met zijn allen opuit.
  • De stoute kinderen kregen ervanlangs.

Goede informatie over prepositioneel er vind je ook in de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS)

Plek in de zin

Net als het locatieve en presenatieve er komt het prepositionele er meteen na de persoonsvorm. In hoofdzinnen met inversie en bijzinnen staat het meestal na het onderwerp. Maar in zinnen met een wederkerend voornaamwoord of als het lijdend of meewerkend voorwerp veel nadruk krijgt, kan het ook pas daarna staan. 

  • We kunnen er ons niets van herinneren.
  • We kunnen ons er niets van herinneren.
  • Ze hebben er het vólgende op gevonden.
  • Ze hebben het vólgende erop gevonden.

Als het lijdend of meewerkend voorwerp een gereduceerde vorm van het persoonlijk voornaamwoord is of het, staat er hierna.

  • Je hebt het er wel over, toch?
  • Ik zal ‘m er goed voor betalen.

Het voorzetselbijwoord staat aan het eind van de zin, of voor het laatste werkwoord als er meerdere werkwoorden zijn. In ontkennende zinnen staat niet voor het voorzetselbijwoord.

  • Toen we bij het meer kwamen, sprongen we er meteen in.
  • We zullen er volgende keer aan denken.
  • Je moet er niet op rekenen.
Oefenen in de les

Het prepositionele er is voor veel cursisten lastig te leren. Het makkelijkst zijn de zinnen waarin de verwijzing heel duidelijk is. Het is dan ook handig om daarmee te beginnen. Je kunt bijvoorbeeld een klein balletje (of ander klein voorwerp) en een doosje meenemen naar de les, en daarmee het onderwerp introduceren. Je laat het balletje en het doosje zien, en doet het balletje erin. Dan vraag je: Waar is het balletje? Antwoord Het is erin. Daarna kun je andere posities laten zien: erboveneronderernaasterachter, enz. Je kunt ook plaatjes laten zien waarmee je dit kunt oefenen (de combinatie van een kat en een doos doet het dan bijvoorbeeld goed). Vervolgens kun je oefenen met combinaties van vragen en antwoorden met een duidelijk zelfstandig naamwoord in de vraag. Oefen ook met ontkennende zinnen, zodat ze leren dat niet voor het voorzetsel komt. Begin met korte zinnen, maar oefen ook met langere zinnen als We zullen het er straks, na de pauze, over hebben. Ook is het belangrijk om te oefenen met bijzinnen.
Nog wat andere werkvormen:

  • Maak in Wheeldecide een rad met werkwoorden met vaste voorzetsels en laat daarmee zinnen met er maken.
  • Geef een dictee met zinnen met en zonder er. Lees dat op natuurlijke toon voor; benadruk er dus niet. Horen ze het?
  • Laat een cursist een voorwerp in gedachten nemen (of wijs er één toe). De anderen moeten raden welk voorwerp het is door gesloten vragen te stellen als Kun je ermee schrijven?Kun je erop zitten?

In het boekje Wat is er? van Martine Pirreault staan ontzettend veel zinnetjes waarmee je kunt oefenen. Je kunt ook inspiratie opdoen op deze website. De vragen daar zijn wel in het Engels, maar ze zijn makkelijk om te zetten naar Nederlands.

Locatief ‘er’

locatief er

Er in ‘Je kan er boeken lenen’

Het woordje er is voor veel cursisten één van de lastigste woorden van het Nederlands. Je kunt het op vier verschillende manieren gebruiken: presentatief, locatief, prepositioneel en kwantitatief. Ook kunnen verschillende vormen van er gecombineerd worden.

Locatief er verwijst altijd naar een plaats die eerder in de context is genoemd. of die duidelijk is uit de context. Goede informatie hierover vind je ook in de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS)

De plaatsbepaling waar je met er naar verwijst kan van alles zijn, zolang er maar sprake is van een duidelijke verwijzing. Enkele voorbeelden:

  • Ken jij Rotterdam goed? Ja, ik heb er tien jaar gewoond.
  • Wat kan je doen in de bibliotheek? Je kan er boeken lenen.
  • Waarom ga je naar de markt? Om er vis te kopen.

Dit locatieve er kun je vervangen door hier of daar als je meer nadruk aan de plaats wilt geven.

  • Kun je in dit restaurant met kinderen eten? Ja, hier kun je goed met kinderen eten. 
  • Welke talen spreken ze in België? Daar spreken ze Nederlands, Frans en Duits.

De plaats waar je naar verwijst kan ook duidelijk zijn uit context.

  • Ik ben er morgen niet!
  • (in de bibliotheek) Is het nieuwe boek van Marieke Lucas Rijneveld er?

Plek in de zin

Locatief er kan niet op de eerste plaats van de zin staan, hier of daar wel. In hoofdzinnen staat er direct na de persoonsvorm. In zinnen met inversie en in bijzinnen staat het na het onderwerp.

  • Ben je volgende week nog op kantoor? Ja, volgende week ben ik er nog.
  • Waarom wil je niet naar het centrum? Omdat het er te druk is.
Oefenen in de les

Het locatieve er is voor cursisten relatief makkelijk te leren, omdat het zo’n duidelijke verwijzing heeft. Toch blijft het lastig, en is het belangrijk voldoende tijd te besteden aan oefeningen.

Om dit er te oefenen, kun je goed een plaats centraal stellen: bijvoorbeeld waar cursisten wonen, maar iets als een bibliotheek, park of bos kan heel goed. Vervolgens kun je praten over wat er allemaal is (of niet is) op die locatie, of wat je er kunt doen. Om ook bijzinnen te oefenen, kun je ook waarom-vragen stellen. 

Het is ook leuk om het om te draaien: laat een cursist een gedachten nemen en 2 dingen vertellen die er zijn of die je er kunt doen. De rest van de groep mag aanvullende vragen stellen (met er, uiteraard) en moet proberen om te raden aan welke plaats de eerste cursist denkt. Je kan ook als docent van tevoren een hoop locaties op kaartjes zetten, en degene die aan de beurt is een kaartje laten trekken. 

Het is ook goed om zinnen te gebruiken met zowel een plaats- als een tijdsbepaling. Daarmee kun je oefenen dat in er voor de tijdsbepaling staat (en niet, zoals de plaatsbepaling erachter): Wanneer ben je weer in de bibliotheek? Ik ben er volgende week weer. Ook kun je de tijdsbepalingen goed gebruiken om zinnen met inversie te oefenen. Geef je cursisten dan de opdracht om hun antwoord met de tijdsbepaling te beginnen. Doe dat wel pas als ze al redelijk vertrouwd zijn met het gebruik van er in de gewone volgorde.

In het boekje Wat is er? van Martine Pirreault staan ontzettend veel zinnetjes waarmee je kunt oefenen. Je kunt ook inspiratie opdoen op deze website. De vragen daar zijn wel in het Engels, maar ze zijn makkelijk om te zetten naar Nederlands.