A1

Trappen van vergelijking

Hoe maak je de trappen van vergelijking?

Bij de bijvoeglijke naamwoorden horen de trappen van vergelijking: de stellende trap (of ‘positief’, maar beide termen worden weinig gebruikt), de vergrotende trap (of ‘comparatief’) en de overtreffende trap (of ‘superlatief’): klein – kleiner – kleinst.

Bij verreweg de meeste bijvoeglijke naamwoorden maak je de vergrotende trap met -er en de overtreffende met -st. Let daarbij wel op veranderingen in spelling. Bij bijvoeglijke naamwoorden die op een r eindigen, komt in de vergrotende trap een extra d.

  • groter – groter – grootst
  • doof – dover – doofst
  • duur – duurder – duurst

Eindigt het bijvoeglijk naamwoord op een -s, dan komt er bij de overtreffende trap alleen een -t achter.

  • vies – viezer – viest
  • vers – verser – verst

Onregelmatig zijn:

  • goed – beter – best
  • graag – liever – liefst
  • veel – meer – meest
  • weinig – minder – minst
  • dichtbij – dichterbij – dichtstbij (of: dichtstbijzijnde)

Sommige bijvoeglijke naamwoorden krijgen een omschrijving met meer en meest. Dat is het geval bij de overtreffende trap van woorden die eindigen op -de-isch-sd-sk-st. Ook kan meer of meest extra nadruk geven, en het komt vaak voor bij bijvoeglijk gebruikte voltooid deelwoorden.

  • stupide – stupider – meest stupide
  • problematisch – problematischer – meest problematisch
  • verbaasd – verbaasder – meest verbaasd
  • bruusk – bruusker – meest bruusk
  • verrast – verraster – meest verrast
  • De méést originele inzendingen worden beloond.
  • Dit zijn de meest gelezen boeken van vorig jaar.

Niet alle bijvoeglijke naamwoorden hebben trappen van vergelijking. Ze ontbreken bijvoorbeeld bij de stofnamen, en bij bijvoeglijke naamwoorden als kwijt, linker, rechter, mondeling, bloedrood, hemelsblauw, hypermoder, oersterk, enz. Meer over die categorieën lees je in de ANS.

Oefenen in de les

De eenvoudige gevallen behandel je vaak al redelijk snel. Cursisten komen deze vormen snel tegen, dus het is handig als ze ze kunnen begrijpen en gebruiken. Leer ook meteen de onregelmatige vormen aan: dat is maar een klein groepje, en ze zijn erg frequent. 

Je kunt natuurlijk allerlei zaken in de klas met elkaar vergelijken, of zelfs je cursisten zelf: wie is ouder / jonger / langer / korter, woont verder weg of dichter bij? Ook een goede oefenvorm is een tabel maken met eigenschappen van bijvoorbeeld drie verschillende voorwerpen die je via Marktplaats wilt kopen. Ze verschillen van elkaar in prijs, leeftijd, en nog een of twee andere eigenschappen. Laat cursisten vertellen of met elkaar praten over die verschillen.

Het rijtje graag – liever – liefst kun je bijvoorbeeld oefenen met eten en drinken, maar ook met muziekstijlen of artiesten, filmgenres of vakantiebestemmingen. Maak een rad (bij Wheeldecide of Flippity) met op elk puntje drie woorden. De cursist die aan de beurt is, mag zelf een volgorde kiezen om ze in te zetten met de trappen van vergelijking. Ze maken dan zinnen van het type: ik eet graag pizza – ik eet liever stamppot – ik eet het liefst sushi.

Woordgeslacht zelfstandig naamwoorden

woordgeslacht zelfstandig naamwoorden

Wat zijn mannelijke en vrouwelijke woorden?

Het Nederlands heeft twee bepaalde lidwoorden: de en het. Maar Nederlandse zelfstandig naamwoorden hebben drie woordgeslachten: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. We verdelen dat zo: woorden met de zijn mannelijk of vrouwelijk (of beide) en woorden met het zijn onzijdig. 

Naamvallen

Ooit – honderden jaren geleden – had het Nederlands, net als het Duits naamvallen. Die naamvallen waren verschillend voor mannelijke en vrouwelijke woorden, en ook het lidwoord paste zich aan. In de nominatief (onderwerp) was het altijd die. Dat is afgezwakt tot de, en de naamvallen verdwenen. Maar het woordgeslacht verdween niet; als je met een bezittelijk voornaamwoord wilt verwijzen naar een zelfstandig naamwoord, moet je nog steeds weten of het woord mannelijk of vrouwelijk is. Daar zijn wel wat vuistregels voor, maar geen heel vaste regels.

Verwijswoorden

Zoals gezegd: als je wilt verwijzen naar een zelfstandig naamwoord moet je eigenlijk weten of het woord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is. Ook de functie van je verwijswoord speelt mee.

functie verwijswoordmannelijkvrouwelijkonzijdig
onderwerphijzijhet
ander zinsdeelhemhaarhet
bezittelijk voornaamwoordzijnhaarzijn

Enkele voorbeelden:

  • Waar is mijn telefoonHij lag net op mijn bureau, maar nu zie ik hem niet.
  • De commissie vergadert hier volgende week over. Ze zal dan een beslissing nemen, en die bespreken met haar achterban.
  • Ik heb dat boek gelezen. Het was heel spannend. Ik vond het heel goed.

Spreektaal en schrijftaal

In de praktijk is er een groot verschil tussen de spreektaal en schrijftaal. In spreektaal wordt eigenlijk alleen naar vrouwelijke personen en dieren met zij en haar verwezen; bij andere zelfstandig naamwoorden gebruiken we vrijwel altijd hijhem en zijn. Sommige mensen verwijzen ook naar abstracte begrippen met zij en haar, maar dat is lang niet altijd correct volgens de officiële regels: de gemeenteraad is bijvoorbeeld mannelijk en het kabinet onzijdig. In (officiële) schrijftaal hanteren we het onderscheid nog wel.

Oefenen in de les

Bij beginners hoef je alleen maar uit te leggen dat het Nederlands twee bepaalde lidwoorden heeft: de en het.  Als je zinnen gaat behandelen waarin je verwijst naar een zelfstandig naamwoord, kun je volstaan met het systeem in spreektaal: hijhem en zijn bij de-woorden en het en zijn bij het-woorden. Je kunt hiermee oefenen door ze vragen te laten en stellen beantwoorden over voorwerpen in de klas of thuis. Ook kun je bijvoorbeeld een aantal woorden op een wheeldecide zetten (bijvoorbeeld vocabulaire van het thema waar je mee bezig bent) en dat als basis voor een zin gebruiken.

Pas als cursisten op B2 zitten, kan het handig zijn om de officiële regels voor schrijftaal te bespreken. Leg ze daarbij ook uit dat ze in het spreken niets hoeven aan te passen, maar dat deze regel alleen in schrijftaal geldt. En dan nog is het een regel die ik alleen bespreek in specifieke cursussen over zakelijke schrijfvaardigheid of bij cursisten die voor hun werk veel in het Nederlands moeten schrijven. Belangrijk is om cursisten dan te wijzen op websites als woordenlijst.org en spellingsite.nu, waar ze het woordgeslacht kunnen opzoeken. Je kunt dan werken met bijvoorbeeld invuloefeningen of ze zinnen laten herformuleren. Ook kun je een tekstje laten schrijven waarin ze bijvoorbeeld vijf keer zo’n verwijswoord moeten gebruiken.

Volle en gereduceerde vormen

volle en gereduceerde vormen

De volle en gereduceerde vormen van voornaamwoorden

Veel persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden hebben twee vormen: een volle en een gereduceerde vorm. 

  • Karlijn is beter in Frans dan jij.
  • M’n telefoon is weg. Ik had ‘m net nog in m’n hand.
  • Weet jij waar Simon is? Nee, is-ie misschien in de keuken?

In onderstaande tabel staan de volle en gereduceerde vormen, geordend op persoon (eerste, tweede, derde). 

volle vormgereduceerde vorm
ik, mij, mijn’k, me, m’n
jij, jou, jouwje (voor alle vormen)
hij, hem, zijn-ie, ’m, z’n
zij, haarze, d’r
het, zijn’t, z’n
wijwe
zijze

Zoals je ziet hebben hebben niet alle voornaamwoorden een gereduceerde vorm: ujullie en ons/onze niet. En het is de vraag in hoeverre je ze als gereduceerde vorm van hun/hen kunt zien. Ook met het is wat aan de hand: dat kun je weer eigenlijk niet als volle vorm zien. Dat wil zeggen: het persoonlijk voornaamwoord het kan nooit nadruk krijgen, dan gebruik je dat (of eventueel dit).

Gebruik van de vormen

De volle vorm gebruiken we vooral al het voornaamwoord nadruk krijgt. Dat is bijvoorbeeld het geval als er een duidelijke tegenstelling tussen twee personen is, of in een aanspreking. Verder gebruik je de volle vorm na dan en als, als een niet-voorwerpsvorm deel uitmaakt van het eerste zinsdeel, en als hij vooraan de zin staat, kun je ook alleen de volle vorm gebruiken. Een vollediger overzicht staat in de ANS (Algemene Nederlandse Spraakkunst).

  • Nee, ik bedoel niet jou, maar hem!
  • Jij daar, wat zei je?
  • Rogier weet daar meer van dan jij.
  • Met mij gaat het goed, en met jou?
  • Hij bedoelt het goed.

Gereduceerde vormen gebruik je verplicht als je naar niet-personen verwijst, als je iemand identificeert en als ethische datief.

  • Zij liggen op bed. (kan alleen over mensen gaan)
  • Ze liggen op bed. (kan over mensen gaan, maar ook over bijvoorbeeld kledingstukken)
  • Dat was me wat zeg!

Spreektaal en schrijftaal

De gereduceerde vormen zijn zeker in spreektaal heel gewoon; we gebruiken ze dan eigenlijk altijd in onbeklemtoonde posities. In schrijftaal gebruiken we dan ook vaak de volle vorm, zelfs als we die bij het voorlezen niet zo uitspreken. Vormen als -ie‘m en d’r komen in schrijftaal maar weinig voor, en ook z’n en m’n worden als erg informeel gezien. Dat wil zeggen: je kunt ze wel gebruiken in een WhatsApp-chat, maar niet in een zakelijke e-mail. Vormen als jeme en ze kunnen zonder meer ook in (formele) schrijftaal gebruikt worden.

Oefenen in de les

NT2-cursisten krijgen eigenlijk vanaf het begin al te maken met het verschil tussen bijvoorbeeld jij en je. Dat zijn immers vormen die je in de eerste lessen al tegenkomt. Het begrip nadruk is dan nog niet altijd makkelijk uit te leggen. Ondersteuning van intonatie en handgebaren (ik wijs bij jij vaak ook iemand echt aan met mijn vinger) kan dan helpen. Bij cursisten die bijvoorbeeld Spaans of Italiaans spreken maak ik weleens de vergelijking tussen het wel of niet uitspreken van het voornaamwoord in hun eigen taal – dat doe je ook alleen maar als je het voornaamwoord nadruk wilt geven.

Ik vind het belangrijk om vanaf het begin af aan de voornaamwoorden natuurlijk uit te spreken, en cursisten dus ook te laten wennen aan een vorm als d’r of -ie – dat zijn immers vormen die ze ook bij andere Nederlanders veel zullen horen. Bovendien klinken ze zelf ook natuurlijker als de voornaamwoorden niet altijd in de volle vorm gebruiken. Ik schrijf in voorbeeldzinnen dan ook bij voorkeur ze of we en niet zij of wij.

Je kunt er ook een uitspraaklesje aan wijden: zorg bijvoorbeeld voor een tekst waar veel voornaamwoorden in staan, en lees die voor. Laat je cursisten de voornaamwoorden onderstrepen. Vervolgens laat je cursisten voorlezen, waarbij je feedback geeft op de uitspraak van de voornaamwoorden. Je kunt ook met een dictee werken: lees een tekst of zin voor en laat die opschrijven. Let er daarbij op dat een vorm als d’r het best opgeschreven kan worden als haar.

Verschillende soorten werkwoorden

verschillende soorten werkwoorden

Zelfstandige werkwoorden, koppelwerkwoorden en hulpwerkwoorden

In de zin Mijn zus heeft een huis laten bouwen staan drie werkwoorden: heeftlaten en bouwen. Werkwoorden kunnen op verschillende manieren in groepen worden ingedeeld. De hoofdindeling is die in zelfstandige werkwoorden, koppelwerkwoorden en hulpwerkwoorden.

Zelfstandige werkwoorden

Zelfstandige werkwoorden zijn werkwoorden die de kern van het werkwoordelijk gezegde van de zin vormen; als je het weg zou laten, wordt de zin ongrammaticaal. Kijk maar naar de zin Mijn zus heeft een huis laten bouwen. De werkwoorden heeft en laten kun je weglaten (al verandert de betekenis dan natuurlijk wel), maar zonder bouwen is de zin niet grammaticaal. Een zelfstandig werkwoord kan alleen in de zin voorkomen, maar dat hoeft niet. Bijna alle werkwoorden kunnen als zelfstandig werkwoord gebruikt worden.

Koppelwerkwoorden

Eigenlijk zijn dit ook zelfstandige werkwoorden, maar een belangrijk verschil is dat ze niet in een werkwoordelijk maar in een naamwoordelijk gezegde staan. Het naamwoordelijk gezegde in zijn geheel (dus werkwoord én naamwoordelijk deel) geeft de belangrijkste betekenis van de zin. Het koppelwerkwoord zelf heeft niet zo heel veel betekenis. De koppelwerkwoorden zijn zijnwordenblijvenblijkendunkenhetenlijkenschijnen en voorkomen. Ook sommige werkwoorden die min of meer als synoniemen van zijn en worden gebruikt worden, kunnen koppelwerkwoord zijn. Denk daarbij bijvoorbeeld aan gaankomenstaan en zitten.

Hulpwerkwoorden

De hulpwerkwoorden komen in zowel werkwoordelijke als naamwoordelijke gezegdes voor. Er bestaan verschillende soorten hulpwerkwoorden, afhankelijk van hun functie. 

De meeste hulpwerkwoorden kunnen ook als zelfstandig werkwoord voorkomen. De modale hulpwerkwoorden blijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen en toeschijnen zijn dan koppelwerkwoord.

Oefenen in de les

In de meeste gevallen lijkt het me niet heel zinvol om dit echt met je cursisten te bespreken. Je kunt eventueel de term ‘hoofdwerkwoord’ gebruiken om zelfstandig en koppelwerkwoord samen in te vangen. Het onderscheid hoofdwerkwoord en hulpwerkwoord kan wel zinvol zijn.

De verschillende functies van de hulpwerkwoorden komen natuurlijk wel aan bod. De volgorde daarvan is ruwweg:

  • Modale hulpwerkwoorden: kunnenmoetenhoevenmogenwillenzullen 
  • Hulpwerkwoorden van tijd: hebben en zijn
  • Hulpwerkwoord van het passief: worden
  • Koppelwerkwoorden: blijkenschijnenhetendunkenvoorkomen en toeschijnen
  • Hulpwerkwoorden van causaliteit: doen en laten

Veel NT2-cursisten zullen aan de laatste twee groepen niet of nauwelijks toekomen, of alleen de wat frequentere werkwoorden ervan. Die hoef je zeker niet als aparte groep te behandelen, zoals je dat meestal wel doet bij de eerste groep modale hulpwerkwoorden. 

Hoeven of moeten?

hoeven of moeten

Gebruik je hoeven of moeten?

Het gebruik van hoeven en moeten in negatieve zinnen is niet zo makkelijk uit te leggen. Het verschil is vaak subtiel, en er zijn ook gevallen waarin beide werkwoorden goed zijn. Grofweg kun je dit verschil aanhouden: hoeven gebruik je in de betekenis ‘het is niet noodzakelijk / verplicht’ en moeten in de betekenis ‘het is beter om niet te …’. Vergelijk:

  • Je hoeft niet alles op te eten. (er mag best wat overblijven)
  • Je moet niet alles opeten. (het is beter als je niet alles opeet)

Noodzaak en werking

Je zult echter ook zinnen tegenkomen, waarin dit onderscheid niet zo duidelijk is. Het is nodig om dan wat preciezer te kijken naar de werkwoorden. Je kunt de betekenis van moeten/hoeven heel algemeen uitdrukken als de ‘noodzaak’ en wat uitgedrukt wordt door het tweede werkwoord als de ‘werking’. Je kunt zowel de noodzaak als de werking ontkennen. Er zijn dan vier mogelijkheden:

noodzaakwerkingwerkwoordvoorbeeld
positiefpositiefmoetenJe moet op tijd komen.
positiefnegatiefmoetenJe moet vandaag nog niet gaan werken; je bent nog ziek.
negatiefpositiefhoevenWij verzorgen alles, u hoeft nergens aan te denken.
negatiefnegatiefhoevenJe hoeft niet niet naar hem te luisteren, als je maar niet doet wat hij zegt.

Negatieve elementen

Die laatste mogelijkheid komt alleen in zeer specifieke situaties voor. Ingewikkelder wordt het in zinnen waarin het negatieve element wordt uitgedrukt door woorden als slechtsalleen maarnauwelijksminder, enz. Meestal kun je ook dat wel herleiden tot het bovenstaande schema, maar als je echt details wilt weten, kun je bijvoorbeeld de ANS raadplegen.

Zonder negatief element gebruik je altijd moetenHoeven heeft verplicht een negatief element in de zin bij zich.

Oefenen in de les

Bij beginners kun je volstaan met het onderscheid ‘het is niet noodzakelijk/verplicht’ en ‘het is beter’. Als je Engels als steuntaal kunt (en wilt) gebruiken, is dit ongeveer te vergelijken met don’t have to (niet hoeven) en shouldn’t (niet moeten). Je kunt dit bijvoorbeeld oefenen door een aantal zinnen te laten zien. Eerst leg je zelf uit wat de betekenis van de zinnen is, en daarna vraag je (bij een nieuwe zin) of een cursist dit kan uitleggen. Vervolgens kun je vragen stellen met moeten, en die laten beantwoorden. 

Als je op hogere taalniveaus woorden als nauwelijksslechts, enz. behandelt, kun je hier ook nog even apart aandacht aan besteden, met vergelijkbare oefeningen. De betekenis is dan vaak wat lastiger uitleggen, maar tegen die tijd begrijpen cursisten ook al weer veel meer, waardoor dat meestal toch goed lukt.

Gebruik van de apostrof

gebruik van de apostrof

Wanneer gebruik je een apostrof?

De belangrijkste functie van de apostrof (ook wel ‘hoge komma’ genoemd, maar dat is niet de officiële term), is de juiste uitspraak van een woord waarborgen. Dat speelt bijvoorbeeld bij meervouden en verkleinvormen. Maar in andere gevallen is het gebruik van de apostrof eerder een kwestie van gewoonte. Hieronder volgt een korte toelichting op de verschillende soorten woorden waarbij we een apostrof gebruiken.

Meervouden en bezitsvormen

Het meervoud of de bezitsvorm van een woord dat in het enkelvoud eindigt op een aiou of y krijgt een apostrof: foto’scamera’sbaby’sAnna’s fietsRomeo’s serenade. Als het woord eindigt op een toonloze e of een é komt er geen apostrof: horlogesBenthes laptopcafésRenés beslissing. Zie ook dit advies op Onze Taal

Bij namen die op een s of ander sisklank eindigen, komt er alleen een apostrof, en niet ook nog een s: Iris’ truiLorance’ inzetMulisch’ boek. Meer uitleg over bezitsvormen vind je ook op Onze Taal.

Verkleinvormen

Ook in sommige verkleinwoorden gebruiken we de apostrof. Dat is het geval bij woorden die eindigen op een y (behalve als er een andere klinker voorstaat) of op een u die als [oe] wordt uitgesproken: baby’tjesudoku’tje. Ook hierover heeft Onze Taal een advies. 

Afkortingen, losse letters, cijfers, enz.

Als je afleiding maakt van een afkorting, een losse letter of cijfer, dan doe je dat ook met een apostrof: zzp’er6’jea’tje. Let erop dat je in samenstellingen van dit typ een streepje gebruikt: zzp-regelingA4-papier. Ook in werkwoorden met afkortingen verschijnt deze apostrof, maar alleen ná de afkorting. Na het voorvoegsel ge van het voltooid deelwoord komt een streepje: cc’enhij cc’tge-cc’d. Zie ook de adviezen van Onze Taal over afkortingen en werkwoorden.

Oefenen in de les

Introduceer al deze categorieën in je lessen als je ze tegen komt. Als je het meervoud behandelt, benoem je dus ook de vorm met apostrof. Dat is de enige vorm die je al bij beginners tegenkomt; alle overige zijn voor veel verder gevorderden (B1 en hoger). Als je een B2-groep hebt, kan het zinvol zijn om al deze regels eens op een rijtje te zetten; dat geeft overzicht. Vervolgens kun je bijvoorbeeld oefenen met een (woord)dictee. Ook quizzen, bijvoorbeeld met Kahoot, lenen zich heel goed voor allerlei spellingonderwerpen.

We hebben (op) maandag les

wel of geen op bij tijdsaanduiding

Wanneer gebruik je op bij tijdsaanduidingen?

Het gebruik van voorzetsels is vaak lastig te leren. Je moet als NT2-leerder in veel gevallen per constructie onthouden of en zo ja welk voorzetsel je gebruikt. Neem de combinatie van op en een tijdsaanduiding: wanneer gebruik je dat wel, en wanneer niet?

Betekenisverschil

Vergelijk de volgende zinnen eens met elkaar:

  1. We hebben ’s maandags les.
  2. We hebben op maandag les.
  3. We hebben maandag les.

Hebben die precies dezelfde betekenis? Nee. Zin 1 kan alleen maar betekenen dat de les elke maandag is. Bij zin 2 is dat ook de meest voor de hand liggende betekenis (volgens mijn taalgevoel althans), maar die kan ook betekenen dat er alleen deze maandag een les is. Bij zin 3 is die laatste de meest voor de hand liggende betekenis (hoewel je die ook kunt interpreteren als ‘elke maandag’).

Er zijn ook zinnen waarin de combinatie met op alleen maar een specifieke dag kan verwijzen. Dat blijkt dan uit de context.

  • Volgende week ga ik op maandag naar de bioscoop en op woensdag naar yoga.

Geen voorkeur

Vaak is het betekenisverschil klein, en is er geen duidelijke voorkeur.

  • (Op) zaterdag ben ik vrij.
  • We hebben (op) vrijdag met vrienden afgesproken.
Oefenen in de les

Ik zou hier alleen aandacht aan besteden als er vragen over komen van cursisten, want vaak maakt het dus helemaal niet zo veel uit of je op wel of niet gebruikt. Dat kun je cursisten dus ook vertellen als er vragen over komen. Zeker beginners kun je beter leren dat ze voor het benoemen dat iets elke week gebeurt, beter ’s maandags (e.d.) kunnen gebruiken.

De kinderen mogen een koekje

modale werkwoorden zelfstandig gebruiken

Kunnen modale werkwoorden ook zelfstandig voorkomen?

Cursisten leren de modale werkwoorden kunnenzullenmogenmoetenwillen en hoeven vaak kennen als hulpwerkwoorden in zinnen als de volgende.

  • Hij kan morgen niet komen.
  • Zullen we nog een keer bestellen?
  • Susan wil elke dag tekenen.

Zelfstandig gebruik

Cursisten zijn dan ook nog weleens verbaasd als ze zinnen tegenkomen waarin deze werkwoorden zelfstandig voorkomen. Toch zijn die vrij gebruikelijk in het Nederlands.

  • Mike wil rode wijn.
  • Hij kan geen Nederlands.
  • De kinderen mogen een koekje.

Vaak kun je in deze zinnen wel nog een werkwoord toevoegen, maar dat is – zeker in spreektaal – niet gebruikelijk.

  • Mike wil rode wijn hebben.
  • Hij kan geen Nederlands spreken.
  • De kinderen mogen een koekje hebben.

Soorten zinnen

Dit zelfstandige gebruik van de modale werkwoorden is in verschillende zinnen mogelijk. Het kan het best in zinnen waarin het modale werkwoord iets zegt over het onderwerp van de zin. In een zin als ‘Susan wil elke dag tekenen’ zegt willen vooral iets over tekenen, namelijk dat Susan dat wil. Maar in ‘De kinderen mogen een koekje (hebben)’ gaat het vooral om de kinderen, die ergens toestemming voor krijgen. In dat laatste geval kan het tweede werkwoord dus makkelijk achterwege blijven. In de ANS staat een lang overzicht met alle details.

Oefenen in de les

Cursisten hebben soms het gevoel dat een zin als ‘De kinderen mogen een koekje’ niet ‘af’ is. Het is dus belangrijk om ze goed duidelijk te maken dat dat wél zo is. Je kunt ze bijvoorbeeld allerlei zinnen met één of twee werkwoorden voorleggen en zo laten ontdekken of samen bespreken in welke context je het tweede werkwoord wel of niet gebruikt. Het probleem is volgens mij het grootst bij cursisten die erg de neiging hebben om zinnen te vertalen (naar het Engels), dus wijs ze er nog eens op dat dat geen goede strategie is om het Nederlands te leren. 

Picture talk werkt ook heel goed. Zoek een plaatje op dat aansluit bij het thema van je les en stel daar allerlei vragen over waarin je steeds de modale werkwoorden gebruikt. Zo horen en gebruiken ze die steeds weer, waardoor de goede vorm in slijt.

Het heeft denk ik weinig zin om je cursisten al die categorieën uit de ANS te leren, maar je kunt eventueel wel noemen dat een modaal werkwoord iets kan zeggen over het werkwoord of over het onderwerp. Dat verschil is vaak echter heel subtiel, dus doe dat alleen als je denkt dat je cursisten het aankunnen. Hou het anders vooral bij veel voorbeelden en oefenen.

Modale werkwoorden

modale werkwoorden

De modale (hulp)werkwoorden zijn willen, mogen, zullen, moeten en kunnen. Hier lees je meer over het gebruik van die werkwoorden; in dit stuk gaat het over de vorm ervan. Bij de vervoegingen vallen een paar zaken op: ten eerste wijkt die af van de vervoeging van de meeste werkwoorden en ten tweede hebben sommige werkwoorden meerdere opties.

Overzicht

Eerst even een overzicht van de vervoegingen:

willenmogenzullenmoetenkunnen
ikwilmagzalmoetkan
jij / uwilt / wilmagzult / zalmoetkunt / kan
hij / zij / hetwilmagzalmoetkan
meervoudwillenmogenzullenmoetenkunnen

Verschillen

De vervoeging is duidelijk anders dan bij andere werkwoorden. De uitgangs-t ontbreekt grotendeels. Bij mogen is die helemaal verdwenen, en bij willenzullen en kunnen wordt hij weinig gebruikt. Vooral de derde persoon enkelvoud van willen zorgt – ook bij Nederlanders – voor verwarring. Veel mensen zeggen – of schrijven – hier toch een t achter: hij wiltOnze Taal legt op zijn website heel duidelijk uit waarom dat niet goed is.

Bij willenzullen en kunnen zijn er in de tweede persoon enkelvoud (jij en u) steeds twee mogelijkheden. De vormen je wilje zal en je kan komen meer in spreektaal dan in schrijftaal voor. In Nederland gelden deze vormen als vrij informeel, behalve als je de betekenis men heeft. In België is de vorm niet informeler, maar wel spreektaliger. Wiltzult en kunt zijn de oudste vormen, maar wilzal en kan komen al zo’n 300 jaar in het Nederlands voor. Bepaald geen nieuwkomers dus. Ook van mogen bestaat een oudere vorm, moogt, maar die komt echt niet meer voor.

Oefenen in de les

Als je de modale werkwoorden behandelt, is het goed om ook aandacht te besteden aan de vervoeging van deze werkwoorden. Ik vertel daar altijd bij dat het prima is om, zeker in het begin, alleen de twee vormen voor enkelvoud en meervoud te onthouden: wiltkunt en zult hoeven ze van mij dan nog niet te kennen – al kan het wel handig zijn als ze die vormen herkennen in een tekst. Het oefenen van de vormen gaat hand in hand met oefenen met de betekenis. Je kunt dus allerlei spreekoefeningen bedenken waarbij je het gebruik van de modale werkwoorden uitlokt.
Ook het NT2 Taalspel – waar de modale werkwoorden natuurlijk bij zitten – is een leuke manier om te oefenen. Verder kun je natuurlijk woorden laten invullen in zinnen, zinnen van enkelvoud naar meervoud laten omzetten (of andersom), en gebruikmaken van de specifieke context waarin sommige van deze werkwoorden gebruikt worden om ze te oefenen. Met zullen kun je natuurlijk goed een voorstel doen. Laat ze daar in enkel- en meervoud mee oefenen, dan zijn ze ook steeds bezig met de juiste vorm.

Voor gevorderde cursisten – vanaf B2 – die ook (veel) schrijven in het Nederlands, is het juist wel goed om ook die vormen te kennen. In schrijftaal komen deze immers nog veel meer voor. Zeker als ze in een formele branche werken, is het goed als zij die vorm ook gebruiken in hun eigen teksten.

Volgorde van de zinsdelen

volgorde van de zinsdelen

Waarom is ‘Ik ben niet ziek gelukkig geworden’ geen goede zin en ‘Ik ben gelukkig niet ziek geworden’ wel? De volgorde van de verschillende zinsdelen is in het Nederlands tamelijk ingewikkeld. Hier vind je uitleg van enkele basale principes.

Algemene principes

De woordvolgorde in het Nederlands wordt door vele factoren beïnvloed, die soms met elkaar botsen. Belangrijk is bijvoorbeeld het zogenoemde ‘links-rechtsprincipe’. Dit houdt in dat wat belangrijke informatie is in de zin, verder naar rechts staat. Vergelijk deze zinnen:

  • Anna heeft haar verjaardag in een café gevierd.
  • Anna heeft in een café haar verjaardag gevierd.

In de eerste zin is de locatie (in een café) belangrijker dan in de tweede. Daar ligt het accent meer op het feit dat ze haar verjaardag heeft gevierd.
Daarnaast zijn er nog grammaticale aspecten. Zo staan zinsdelen die nauw met het hoofdwerkwoord zijn verbonden dichter bij dat werkwoord. Het naamwoordelijk deel van het gezegde of voorzetselvoorwerpen staan bijvoorbeeld vlak voor het tweede werkwoord in de zin:

  • Ik ben gelukkig niet ziek geworden.
  • Zij heeft wel een uur op de bus gewacht.

Tot slot weegt de woordsoort mee. Zelfstandig naamwoorden staan meestal verder achter in de zin dan bijvoorbeeld voornaamwoorden – ook als ze dezelfde zinsdeelfunctie hebben. Ook kan bijvoorbeeld een meewerkend voorwerp mét voorzetsel verder naar achter staan dan een zonder.

  • Suzan heeft Jaap een boek gegeven. (goed)
  • Suzan heeft een boek aan Jaap gegeven. (goed)
  • Suzan heeft dat Jaap gegeven. (goed)
  • Suzan heeft Jaap dat gegeven. (goed)
  • Suzan heeft aan Jaap een boek gegeven. (goed)
  • Suzan heeft een boek Jaap gegeven. (niet goed)

Deze zin illustreert ook een paar andere zaken: als het lijdend voorwerp (hier: een boek) en het meewerkend voorwerp (hier: (aan) Jasper) beide een zelfstandignaamwoordgroep zijn, dan staat het lijdend voorwerp voor het meewerkend voorwerp. Maar als het lijdend voorwerp een voornaamwoord is, kan het ook ná het meewerkend voorwerp komen. De plaatsing van het meewerkend voorwerp wordt ook beïnvloed door het wel of niet gebruiken van een voorzetsel. Kijk zelf eens welke mogelijkheden er zijn als je het meewerken voorwerp vervangt door hem.

Volgorde van de bepalingen

De volgorde van de bijwoordelijke bepalingen vloeit voor een deel voort uit de bovengenoemde algemene principes. Tijdsbepalingen zijn meestal de eerste, en staan voor plaatsbepalingen (maar in een specifieke context zijn daar uitzonderingen op).

Oefenen in de les

Met deze details zou ik cursisten niet zo snel lastig vallen. Het is vooral voor jezelf handig om te weten waarom soms een bepaalde volgorde wel of niet kan, of gebruikelijker is. Zeker bij lageropgeleiden zou ik me vooral op de praktijk richten. Hogeropgeleiden vragen hier soms wel naar, maar mijn ervaring is dat ze er in de praktijk meestal niet heel veel houvast aan hebben. Als je spreekt, heb je immers niet zo veel tijd om na te denken over dit soort zaken.

Op lagere niveaus vertel ik cursisten meestal alleen dat tijdsbepalingen voor plaatsbepalingen komen (vooral omdat ik Engels als steuntaal gebruik, en het in die taal andersom is). Verder is het vooral laten ontdekken. Om woordvolgorde te oefenen geef ik mijn cursisten vaak zinnen die ik in losse kaartjes heb geknipt – met één zinsdeel per kaartje. Die laat ik ze tot een goede zin vormen. Daarbij kun je makkelijk laten zien welke mogelijkheden er zijn. Als dat een verschil in betekenis of accent meebrengt, benoem ik dat ook. Verder zullen cursisten vooral door veel te lezen en praten moeten gaan aanvoelen wat wel en niet goed is in het Nederlands. Als je cursisten wat verder gevorderd zijn, kun je ook kijken hoeveel elementen je gezamenlijk aan een zin kunt toevoegen. Je begint dan heel eenvoudig, bijvoorbeeld met: Ahmed vertelt. Dat kun je aanvullen: wat vertelt Ahmed? Aan wie? Wanneer? Waar? Dit werkt het best met werkwoorden waarbij je in elk geval een lijdend voorwerp en liefst ook een meewerkend voorwerp kunt aanvullen. Maar ook werkwoorden met een voorzetselvoorwerp zijn een goede keuze. Je kunt je cursisten ook in groepjes laten werken: welk groepje maakt de langste goede zin?