Enkelvoud of meervoud bij ‘een paar’, ‘aantal’, enz.

Gebruik je bij ‘een paar schoenen’ een enkelvoud of een meervoud? En bij ‘een aantal’?

Meestal is het vrij duidelijk of de persoonsvorm in een zin in het enkelvoud of het meervoud moet staan, maar er zijn wat twijfelgevallen. Dat is bijvoorbeeld zo bij zinnen waar het onderwerp woorden als aantal of soort bevat. In zinnen waarin het onderwerp bestaat uit een zogenoemde ‘groepsaanduiding’ (woorden als aantalgroepheleboel en massa) en een meervoudig zelfstandig naamwoord staat de persoonsvorm soms in het enkelvoud en soms in het meervoud. Dat hangt ervan af welke groepsaanduiding je gebruikt.

Altijd enkelvoud

De persoonsvorm moet altijd in het enkelvoud staan als de groepsaanduiding duidelijk een zelfstandig naamwoord is. Dat zorgt ervoor dat het gehele onderwerp als één groep wordt opgevat. Het gaat hierbij om de volgende woorden: groephoeveelheidkuddemenigtereeksrijstapelverzameling. Juist zijn dus zinnen als: 

  • Een groep mensen demonstreert in Den Haag.
  • Voor de winkel staat een rij wachtenden.
  • Die stapel tijdschriften kan naar het oud papier.

Altijd meervoud

Er zijn ook groepsaanduidingen die geen zelfstandig naamwoorden, maar telwoorden zijn. Net als ‘gewone’ telwoorden hebben die geen invloed op de persoonsvorm. Het gaat dan om boelheleboelhoop en tal van. Voorbeelden:

  • Tal van maatregelen moeten de opwarming van de aarde tegengaan.
  • Ieder jaar vallen een heleboel kinderen van hun fiets.

Enkelvoud en meervoud kunnen allebei

Bij de laatste groep zijn enkelvoud en meervoud allebei juist. Het gaat hier om groepsaanduidingen die je zowel als zelfstandig naamwoord als als telwoord kunt opvatten. In de spreektaal is in de meeste gevallen het meervoud het gewoonst. Een uitgebreide uitleg hierover vind je ook op de website van Onze Taal. Voorbeelden:

  • Op ons kantoor werkt / werken een aantal collega’s uit andere landen.
  • Dit soort situaties is / zijn voor veel mensen erg lastig.

Een bijzonder geval is paar, waarbij een duidelijk betekenisverschil is. Bij de betekenis ‘een bij elkaar horend tweetal’ gebruik je enkelvoud, bij de betekenis ‘enkele’ meervoud:

  • Er staat een paar schoenen in de gang.
  • Er zijn altijd een paar mensen te laat.

Oefenen in de les

De meeste van deze constructies kom je pas tegen op hogere niveaus. Het is zeker niet per se nodig om aandacht te besteden aan de verschillen in woordgroep. Je kunt ook gewoon de drie groepen behandelen en het enkelvoud of meervoud koppelen aan de betekenis.

Een voorbeeld van een les hierover:
Geef de cursisten enkele zinnen waarin deze constructies voorkomen (bijvoorbeeld de voorbeeldzinnen van hierboven), met door elkaar enkelvoud en meervoud. Laat ze opzoeken wat het onderwerp van de zin is en kijk of ze kunnen bedenken waarom de persoonsvorm in het enkelvoud of juist in het meervoud staat. Geef dan alle bovengenoemde woorden en laat die indelen in drie categorieën, of doe dat samen met de groep. Laat vervolgens met alle woorden zinnen maken.