schrijfvaardigheid

Schrijfvaardigheid

Hier vind je tips over schrijfvaardigheid: uitleg over spelling en het schrijven van teksten en oefeningen voor in de les.

  • Het imperfectum
    Het Nederlands kent twee verschillende verleden tijden: het imperfectum (de onvoltooid verleden tijd) en het perfectum (de voltooid tegenwoordige tijd). Hier lees je meer over de keuze tussen die twee tijden. In deze nieuwsbrief gaat het om het imperfectum.
  • Persoonsvorm in het enkelvoud of het meervoud?
    Meestal is het vrij duidelijk of de persoonsvorm in een zin in het enkelvoud of het meervoud moet staan, maar er zijn wat twijfelgevallen. Dat is bijvoorbeeld zo bij zinnen waar het onderwerp woorden als aantal of soort bevat.
  • Titel en tussenkopjes
    Een goede titel en duidelijke tussenkopjes helpen de lezer van een (zakelijke) tekst erg bij het begrijpen van die tekst. Titels gebruik je vooral bij wat langere documenten, zoals artikelen, notities en rapporten.
  • Werkwoord in enkelvoud of meervoud
    Of het werkwoord in een zin in het enkelvoud of het meervoud moet staan, is meestal niet zo moeilijk vast te stellen, maar er zijn wel wat lastige gevallen. Neem bijvoorbeeld een zin als ‘Koffie en thee staat / staan klaar’. Moet je daar een enkelvoud of een meervoud gebruiken?
  • Woordgeslacht
    Het Nederlands heeft twee bepaalde lidwoorden: de en het. Maar Nederlandse zelfstandig naamwoorden hebben drie woordgeslachten: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. We verdelen dat zo: woorden met de zijn mannelijk of vrouwelijk (of beide) en woorden met het zijn onzijdig.
  • Samentrekking
    Samentrekking betekent dat je een of meer elementen weglaat die je anders dubbel zou gebruiken. Een voorbeeld is: ‘De cursisten hebben een museum bezocht en daar een verslag van gemaakt.’ Na en is hier de cursisten hebben weggelaten.
  • ‘U’ of ‘jij’?
    Of je in een brief of mail u gebruikt, hangt vooral af van hoe formeel of informeel de context is.
  • Gebruik van maar, eens, even
    Woorden als ‘maar’, ‘eens’ en ‘even’ zijn vaak lastig. Hoe gebruik je ze, en waar staan ze in de zin? En wat is de onderlinge volgorde?
  • Opsommingen maken
    Opsommingen zijn een goede manier om informatie overzichtelijk te presenteren. Maar hoe zit het met het gebruik van hoofdletters en kleine letters?
  • Duidelijke instructies opschrijven
    Een van de doelen die je met een tekst kunt hebben, is ‘activeren’: je lezer gaat iets doen na het lezen van je tekst. Een activerende tekst is bijvoorbeeld een instructie, waarin je uitlegt hoe iemand iets moet doen.
  • ‘Ik’ of ‘Wij’?
    Hoe je als schrijver naar jezelf verwijst hangt vooral af van het soort tekst dat je schrijft: schrijf je een brief of e-mail, een advies, een scriptie? Bij elk soort tekst horen eigen conventies.
  • Hoeven of moeten?
    Het gebruik van hoeven en moeten in negatieve zinnen is niet zo makkelijk uit te leggen. Het verschil is subtiel, en soms kan het allebei.
  • Werkwoordspelling
    Er zijn verschillende ezelsbruggetjes in omloop die je kunt gebruiken bij de uitleg van de werkwoordspelling: ’t kofschip, kofschiptaxietje, xtc-koffieshop en – in de NT2-wereld – soft ketchup zijn een paar voorbeelden.
  • Gebruik van het trema
    Het trema gebruik je om twee klinkers van elkaar te scheiden als ze bij verschillende lettergrepen horen, zoals in ‘slee├źn’.
  • Gebruik van de apostrof
    Wanneer gebruik je een apostrof?
  • Woordgeslachten
    Het Nederlands kent drie woordgeslachten: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. Hoe verwijs je correct naar woorden?
  • Variatie in teksten
    Het is belangrijk om je cursisten te leren variatie aan te brengen in teksten; daar worden hun teksten prettiger leesbaar van.
  • Spelling van woorden met b-p, d-t, v-f en z-s
    De spelling van woorden met b-p, d-t, v-f en z-s is vaak lastig voor NT2-cursisten. Lees hier waarom we bijvoorbeeld ‘hond’ schrijven en niet ‘hont’.
  • Korte uitleg van de werkwoordspelling
    Het blijft lastig, d’s en t’s. Hier vind je een korte uitleg van de werkwoordspelling met speciale aandacht voor NT2-leerders.
  • Sinterklaasgedichten schrijven
    Tips over het schrijven van Sinterklaasgedichten in de NT2-les
  • Wanneer gebruik je hoofdletters?
    Welke woorden krijgen in het Nederlands hoofdletters
  • Het meervoud vormen
    Hoe vorm je het meervoud van zelfstandig naamwoorden?
  • Een voorstel doen
    Hoe schrijf je een e-mail waarin je een voorstel doet?
  • Verwijzen naar jezelf
    Hoe verwijs je naar jezelf in een zakelijke tekst?
  • Een e-mail afsluiten
    Hoe kun je een zakelijke of persoonlijke e-mail netjes afsluiten?
  • Welke tekstdoelen zijn er?
    Welke tekstdoelen zijn er?
  • Basisindeling van een tekst
    Wat is de basisindeling van een goede tekst?
  • De aanhef boven e-mails
    Welke aanhef gebruik je in het Nederlands bij verschillende soorten e-mails?
  • Enkele en dubbele letters
    Wanneer schrijf je enkele en dubbele letters?
  • Feedback geven op schrijfopdrachten
    Op welke manier kun je goed feedback geven op schrijfopdrachten van cursisten?