‘Want’ of ‘omdat’?

want of omdat

Het verschil tussen ‘want’ of ‘omdat’?

Het verschil tussen want en omdat zit in twee zaken: de woordsoort en de betekenis. Die eerste is het duidelijkst.

Woordsoort

Want en omdat zijn allebei voegwoorden, maar want is nevenschikkend en omdat is onderschikkend. Dat wil zeggen dat je met want twee hoofdzinnen met elkaar verbindt, en met omdat een hoofd- en een bijzin.

  • Sara betaalt de rekening, omdat ze jarig is.
  • Sara betaalt de rekening, want ze is jarig.
  • Hamza kon niet komen, omdat hij moest werken.
  • Hamza kon niet komen, want hij moest werken.

Een verschil dat hiermee samenhangt, is dat je een zin alleen in informeel taalgebruik kunt beginnen met want

Betekenisverschil

Er is een heel subtiel betekenisverschil tussen want en omdatOmdat is objectiever dan want. In veel zinnen is dat verschil niet of nauwelijks duidelijk. Vergelijk bijvoorbeeld:

  • Sven gaat niet mee naar het restaurant, want hij is ziek.
  • Sven gaat niet mee naar het restaurant, omdat hij ziek is.

Er zijn ook zinnen waarin het verschil wel speelt, waardoor maar een van beide woorden mogelijk is, of er in elk geval een sterke voorkeur is voor één van de twee.

  • De buren zijn niet thuis, want er brandt geen licht in de kamer.
  • We moeten doorfietsen, want anders missen we de trein.

Dit betekenisverschil verklaart waarom je want niet goed kunt gebruiken als antwoord op een waarom-vraag.

  • Waarom gaat Sven niet mee naar het restaurant? Want hij is ziek. (niet goed mogelijk)
  • Waarom gaat Sven niet mee naar het restaurant? Omdat hij ziek is. (prima antwoord)

Oefenen in de les

Als je net begint met het maken van samengestelde zinnen is het voldoende om stil te staan bij het verschil in woordsoort en daarbij behorende woordvolgorde. Het betekenisverschil is zo klein dat dat nauwelijks een rol speelt in de zinnen die cursisten op dat niveau gebruiken. Meestal behandel je eerst de nevenschikkende voegwoorden en daarna de onderschikkende. Het kan handig zijn om even los aandacht te besteden aan dit tweetal. Dat kun je bijvoorbeeld doen door een zin afwisselend af te laten maken met want en omdat. Of door zinnen op twee manieren met elkaar te laten verbinden.

Als ik de vraagwoorden behandel, leer ik mijn cursisten ook meteen een antwoord met omdat aan voor waarom-vragen. Ik leer ze dan nog niet een hele hoofdzin en bijzin aan, maar alleen de losse bijzin als antwoord, zoals in het voorbeeld hierboven (Waarom gaat Sven niet mee naar het restaurant? Omdat hij ziek is). Ik vertel dan alleen dat als je begint met omdat je het werkwoord naar het eind van de zin verplaatst. Mijn hoogopgeleide cursisten kunnen dat prima aan. Verwacht je dat je cursisten dat heel lastig vinden, dan kun je er ook voor kiezen om je cursisten dan nog antwoord te laten geven is een hoofdzin: Waarom gaat Sven niet mee naar het restaurant? Hij is ziek.