info@av-taaltraining.nl

Volle en gereduceerde vormen

volle en gereduceerde vormen

De volle en gereduceerde vormen van voornaamwoorden

Veel persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden hebben twee vormen: een volle en een gereduceerde vorm. 

  • Karlijn is beter in Frans dan jij.
  • M’n telefoon is weg. Ik had ‘m net nog in m’n hand.
  • Weet jij waar Simon is? Nee, is-ie misschien in de keuken?

In onderstaande tabel staan de volle en gereduceerde vormen, geordend op persoon (eerste, tweede, derde). 

volle vormgereduceerde vorm
ik, mij, mijn’k, me, m’n
jij, jou, jouwje (voor alle vormen)
hij, hem, zijn-ie, ’m, z’n
zij, haarze, d’r
het, zijn’t, z’n
wijwe
zijze

Zoals je ziet hebben hebben niet alle voornaamwoorden een gereduceerde vorm: ujullie en ons/onze niet. En het is de vraag in hoeverre je ze als gereduceerde vorm van hun/hen kunt zien. Ook met het is wat aan de hand: dat kun je weer eigenlijk niet als volle vorm zien. Dat wil zeggen: het persoonlijk voornaamwoord het kan nooit nadruk krijgen, dan gebruik je dat (of eventueel dit).

Gebruik van de vormen

De volle vorm gebruiken we vooral al het voornaamwoord nadruk krijgt. Dat is bijvoorbeeld het geval als er een duidelijke tegenstelling tussen twee personen is, of in een aanspreking. Verder gebruik je de volle vorm na dan en als, als een niet-voorwerpsvorm deel uitmaakt van het eerste zinsdeel, en als hij vooraan de zin staat, kun je ook alleen de volle vorm gebruiken. Een vollediger overzicht staat in de ANS (Algemene Nederlandse Spraakkunst).

  • Nee, ik bedoel niet jou, maar hem!
  • Jij daar, wat zei je?
  • Rogier weet daar meer van dan jij.
  • Met mij gaat het goed, en met jou?
  • Hij bedoelt het goed.

Gereduceerde vormen gebruik je verplicht als je naar niet-personen verwijst, als je iemand identificeert en als ethische datief.

  • Zij liggen op bed. (kan alleen over mensen gaan)
  • Ze liggen op bed. (kan over mensen gaan, maar ook over bijvoorbeeld kledingstukken)
  • Dat was me wat zeg!

Spreektaal en schrijftaal

De gereduceerde vormen zijn zeker in spreektaal heel gewoon; we gebruiken ze dan eigenlijk altijd in onbeklemtoonde posities. In schrijftaal gebruiken we dan ook vaak de volle vorm, zelfs als we die bij het voorlezen niet zo uitspreken. Vormen als -ie‘m en d’r komen in schrijftaal maar weinig voor, en ook z’n en m’n worden als erg informeel gezien. Dat wil zeggen: je kunt ze wel gebruiken in een WhatsApp-chat, maar niet in een zakelijke e-mail. Vormen als jeme en ze kunnen zonder meer ook in (formele) schrijftaal gebruikt worden.

Oefenen in de les

NT2-cursisten krijgen eigenlijk vanaf het begin al te maken met het verschil tussen bijvoorbeeld jij en je. Dat zijn immers vormen die je in de eerste lessen al tegenkomt. Het begrip nadruk is dan nog niet altijd makkelijk uit te leggen. Ondersteuning van intonatie en handgebaren (ik wijs bij jij vaak ook iemand echt aan met mijn vinger) kan dan helpen. Bij cursisten die bijvoorbeeld Spaans of Italiaans spreken maak ik weleens de vergelijking tussen het wel of niet uitspreken van het voornaamwoord in hun eigen taal – dat doe je ook alleen maar als je het voornaamwoord nadruk wilt geven.

Ik vind het belangrijk om vanaf het begin af aan de voornaamwoorden natuurlijk uit te spreken, en cursisten dus ook te laten wennen aan een vorm als d’r of -ie – dat zijn immers vormen die ze ook bij andere Nederlanders veel zullen horen. Bovendien klinken ze zelf ook natuurlijker als de voornaamwoorden niet altijd in de volle vorm gebruiken. Ik schrijf in voorbeeldzinnen dan ook bij voorkeur ze of we en niet zij of wij.

Je kunt er ook een uitspraaklesje aan wijden: zorg bijvoorbeeld voor een tekst waar veel voornaamwoorden in staan, en lees die voor. Laat je cursisten de voornaamwoorden onderstrepen. Vervolgens laat je cursisten voorlezen, waarbij je feedback geeft op de uitspraak van de voornaamwoorden. Je kunt ook met een dictee werken: lees een tekst of zin voor en laat die opschrijven. Let er daarbij op dat een vorm als d’r het best opgeschreven kan worden als haar.

Lees ook deze tips