info@av-taaltraining.nl

Nevenschikkende voegwoorden

nevenschikkende voegwoorden

Voegwoorden spelen een belangrijke rol in onze taal, maar ze zijn voor veel cursisten best lastig om te leren. Dat zit niet zozeer in de betekenis, als wel in het gebruik. Grammaticaal onderscheiden we twee groepen: de nevenschikkende en de onderschikkende voegwoorden.

Gelijke delen

In meer internationale termen worden de nevenschikkende voegwoorden ook wel coördinerende conjuncties genoemd. Ze verbinden twee gelijke delen van een zin aan elkaar. Dat kunnen twee woorden, twee hoofdzinnen of twee bijzinnen zijn.

  • Wil je rode of witte wijn?
  • Ik kom op de fiets, want het is mooi weer.
  •  Anna vertelde dat ze op vakantie was geweest en nu heerlijk uitgerust was.

De bekendste nevenschikkende voegwoorden zijn enofmaarwant en dus, maar er zijn meer nevenschikkende voegwoorden. Via de knop onderaan deze uitleg kun je een overzicht downloaden. Dus is trouwens niet altijd een voegwoord.

Woordvolgorde

Een belangrijk kenmerk van nevenschikkende voegwoorden, is dat de woordvolgorde na het voegwoord niet verandert. Wel kun je inversie krijgen, als na het voegwoord een hoofdzin staat die niet met het onderwerp begint.

  • Ik wil graag met je afspreken, maar ik kan zaterdag niet.
  • Ik wil graag met afspreken, maar zaterdag kan ik niet.
  • Zullen we naar de bioscoop gaan, of gaan we dansen?

Niet alle nevenschikkende voegwoorden kunnen aan het begin van een zin staan, zeker niet in schrijftaal. Zinnen die beginnen met wantmaar of dus komen eigenlijk alleen in informele spreektaal voor. En ook dan vindt niet iedereen het correct. Voor formele taal zijn zulke zinnen niet zo geschikt, waarschuwt de Taalunie.

Oefenen in de les

Met nevenschikking tussen woorden krijgen cursisten al snel te maken, bijvoorbeeld in vragen als ‘Wil je koffie of thee?’ Ook en, en in mindere mate maar en want kun je op die manier introduceren. Cursisten raken dan vast vertrouwd met de betekenis van de woorden. Dat maakt het makkelijker om de nevenschikking uit te breiden naar zinnen.

Als cursisten bijna op niveau A2 zitten, kun je de nevenschikking van zinnen introduceren. Het is vaak het makkelijkst om te beginnen met het verbinden van twee hoofdzinnen. Zorg er daarbij voor dat je ook zinnen met inversie behandelt. Als het goed is, kunnen cursisten inversie dan redelijk goed toepassen, dus het is belangrijk om ze erop te wijzen hoe dat werkt in samengestelde zinnen. Oefeningen die je kunt doen zijn bijvoorbeeld:

  • Zinnen maken met het NT2 Taalspel.
  • In een kring zitten, waarbij er één stoel te veel is. Een cursist begint. Die zegt tegen een andere cursist: ‘X, kom naast me zitten, want je hebt een mooie trui aan’. De aangesproken cursist gaat zitten, en degene die nu rechts van zich een lege stoel heeft, is aan de beurt. De aanvulling na want mogen cursisten zelf bedenken. (Deze oefening komt uit Nederlands in gang).
  • Zet een beginzin op het bord en laat cursisten zo veel mogelijk vervolgzinnen met een van de voegwoorden bedenken. Hoe vreemder hoe leuker. Je kunt ook steeds een ander voegwoord noemen dat een cursist moet gebruiken, of een dobbelsteen gebruiken om te bepalen welk voegwoord in de zin moet komen.

Als je merkt dat je cursisten moeite hebben met de betekenis van de voegwoorden, is het handig om ze echt stuk voor stuk te oefenen, totdat de betekenis duidelijk is. Het NT2 Taalspel is dan minder geschikt. Begrijpen ze de betekenis wel goed, dan kun je ze juist door elkaar gebruiken, om meer afwisseling te hebben, en om het iets moeilijker te maken.

Het heeft pas zin om aandacht te besteden aan de nevenschikking van bijzinnen als cursisten de bijzinsvolgorde goed kennen. Je kunt ze dan bijvoorbeeld twee dingen over een andere cursist laten vertellen: ‘Scott, die uit Ierland komt en Engels spreekt, zit tegenover mij.’

Lees ook deze tips