Goud is duurder dan zilver

Wanneer gebruik je dan en wanneer als?

De regels voor het gebruik van dan en als zijn eigenlijk niet zo ingewikkeld. Dan gebruik je na een vergrotende trap en na de woorden anderanders en andere.

  • Goud is duurder dan zilver.
  • Frans klinkt anders dan Nederlands.
  • Ik wil andere films kijken dan jij.

Als gebruik je na de woorden evenzo en net zo.

  • Simon is even oud als Catherine.
  • Het Noordpoolgebied warmt twee keer zo snel op als de rest van de aarde.
  • Vrouwen drinken net zo veel alcohol als mannen.

De moeilijkheid zit er natuurlijk in dat ook veel Nederlanders deze regels niet volgen. Dat heeft ermee te maken dat deze regels in de zeventiende eeuw bedacht zijn. In spreektaal zijn ze nooit echt gaan leven. Meer daarover lees je op de website van Onze Taal.

Oefenen in de les

Als je dit behandelt, let er dan op dat je de keuze tussen dan en als niet ophangt aan ‘gelijkheid’ en ‘ongelijkheid’. Zo onthouden veel Nederlanders de regels, wat leidt tot zinnen als ‘Dat is vijf keer zo veel dan in Duitsland.’ Je kunt je NT2-cursisten dus prima bovenstaande ‘officiële’ regel aanleren, en ze daarbij vertellen dat het in de praktijk vaak anders zullen horen. Bedenk goed hoe ‘streng’ je wilt zijn in het handhaven van de regel. Dat hangt wat mij betreft erg af van het doel van je cursisten. Willen zij uiteindelijk op redelijk hoog niveau (schritelijk) communiceren? Dan is het handig als ze de regel goed kennen. 

Je gebruikt deze constructie natuurlijk om zaken met elkaar te vergelijken. Laat bijvoorbeeld plaatjes zien van twee voorwerpen of personen, en laat je cursisten zoeken naar verschillen of overeenkomsten, waarbij ze deze constructies moeten gebruiken. In een fysieke les kun je misschien ook je cursisten zelf als ‘voorwerpen’ gebruiken, en ze laten vergelijken op aspecten als leeftijd, lengte (ook haarlengte), enz. Laat ze ook naar details kijken: wie heeft hogere hakken of grotere handen? Nog een optie is om je cursisten allemaal een aantal knikkers (of andere kleine voorwerpen) te geven, en die hoeveelheden met elkaar te laten vergelijken. Dit kun je natuurlijk ook in een online les doen: maak dan plaatjes van bijvoorbeeld een hand, met daarin een aantal knikkers. Zet er namen bij, of geef de handen allemaal verschillende kleuren, om het praten over de handen makkelijker te maken.

Meer weten?

Wil je nog meer werkvormen leren, of ze écht leren toepassen in de praktijk? Volg dan een van mijn trainingen en ga direct aan de slag!