grammatica

Grammatica

Hier vind je tips over grammatica: uitleg over de regels en werkvormen.

  • ‘Het’ in: ‘De vrouw heeft het koud’
    Waarom gebruik je het in zinnen als ‘De vrouw heeft het koud’?
  • ‘Het’ of ‘hij’ bij een de-woord?
    Waarom gebruik je in deze zin eerst ‘het’ en daarna ‘hij’ om naar ‘film’ te verwijzen? ‘Het was een prachtige film, hij ging over …’
  • ‘Niet’ of ‘geen’ voldoende geld?
    Zeg je ‘Ik heb niet voldoende geld’ of ‘Ik heb geen voldoende geld’?
  • ‘Want’ of ‘omdat’?
    Het verschil tussen want en omdat zit in twee zaken: de woordsoort en de betekenis.
  • Aanpassen van je taalgebruik
    Een van de dingen die een tekst ‘goed’ maken, is dat hij goed aansluit bij de lezer. Die moet je tekst goed begrijpen, prettig vinden om te lezen en zich aangesproken voelen.
  • Betrekkelijk voornaamwoord: ‘die’ of ‘waarop’?
    Wanneer gebruik je ‘waarop’ om een bijzin in te leiden?
  • Betrekkelijk voornaamwoord: ‘die’, ‘dat’ of ‘wat’?
    ‘Die’, ‘dat’ en ‘wat’ zijn betrekkelijke voornaamwoorden. Je gebruikt ze aan het begin van een bijzin waarin je extra informatie geeft over de hoofdzin.
  • Bijwoorden
    Ook is een bijwoord, en zo gedraagt het zich ook. Bijwoorden kunnen op verschillende plekken in de zin staan, afhankelijk van het soort zin of het deel van de zin waar ze bij horen. Het gaat hier vooral om ook, maar andere bijwoorden gedragen zich dus vrijwel hetzelfde.
  • Combineren en samenvallen van er
    In sommige zinnen lijkt het lastig om vast te stellen met welk er je precies te maken hebt.
  • Dan of als?
    De regels voor het gebruik van dan en als zijn eigenlijk niet zo ingewikkeld. Dan gebruik je na een vergrotende trap en na de woorden ander, anders en andere.
  • De buigings-e bij het bijvoeglijk naamwoord
    Wanneer komt er een ‘e’ achter een bijvoeglijk naamwoord?
  • De kinderen mogen een koekje
    Kunnen modale werkwoorden ook zelfstandig voorkomen?
  • Eerste zinsdeel bij inversie
    Inversie is voor veel cursisten lastig. Ze worstelen bijvoorbeeld met de vraag welk zinsdeel je op de eerste plek van de zin kunt zetten.
  • Ei of ij?
    Dat we twee spellingen hebben voor de klank [ei] heeft een historische reden; in de Middeleeuwen werden deze klanken verschillend uitgesproken. De lange ij is een verlengde i. Die werd eerst als ii geschreven, maar de tweede i werd vaak verlengd tot een j, om duidelijker te maken dat het niet om een u ging (de puntjes werden vaak weggelaten in de Middeleeuwse handschriften). In de zestiende eeuw veranderde de uitspraak van [ie] naar [ei].
  • Het kwantitatieve er
    Bij het gebruik van het kwantitatieve er zijn er nogal wat regionale verschillen. In de standaardtaal verwijst dit er naar een zelfstandig naamwoord, en staat het in de buurt van een telwoord. Je kunt dit er niet vervangen door hier of daar, zoals bij het locatieve er.
  • Het locatieve er
    Locatief er verwijst altijd naar een plaats die eerder in de context is genoemd. of die duidelijk is uit de context.
  • Het perfectum
    Het perfectum is de meest gebruikte verleden tijd in het Nederlands. NT2-cursisten komen deze vorm dus al snel tegen.
  • Het prepositionele er
    Prepositioneel er staat altijd samen met een voorzetsel in de zin. Samen vormen zij wat officieel een ‘voornaamwoordelijk bijwoord’ wordt genoemd. Dit is een combinatie van een bijwoord als er, hier, daar, waar, nergens of ergens en een voorzetselbijwoord (een voorzetsel met de functie van een bijwoord).
  • Het presentatieve er
    Presentatief er komt in verschillende soorten zinnen voor, en met verschillende onderwerpen.
  • Het woord ‘voor’
    Het gebruik van het woordje ‘voor’ is voor veel cursisten lastig. Wat helpt is vooral veel oefenen met de juiste formulering.
  • Indirecte rede
    Hoe maak je de indirecte rede?
  • Kom maar eens even hier!
    Kleine woordjes als ‘maar’, ‘eens’ en ‘even’ zijn vaak lastig voor NT2-cursisten. Hoe gebruik je ze, en waar staan ze in de zin?
  • Modale werkwoorden
    De modale werkwoorden hebben een heel andere vervoegingen dan andere werkwoorden. Soms zijn er ook meer mogelijkheden.
  • Nevenschikkende voegwoorden
    Nevenschikkende voegwoorden verbinden gelijkwaardige delen met elkaar: hoofdzinnen, maar ook zinsdelen of bijzinnen.
  • Onderschikkende voegwoorden
    Onderschikkende voegwoorden verbinden een hoofdzin en een bijzin met elkaar. De woordvolgorde is vaak lastig te leren.
  • Ontkenningen: niet of geen?
    Alles over het gebruik van ontkenningen.
  • Passieve zinnen
    De passieve vorm is een manier van formuleren waarin de nadruk ligt op het resultaat van de actie en niet op de actie zelf. Als je een actieve zin passief maakt, gebeurt het grammaticaal het volgende: het lijdend voorwerp van de actieve zin wordt het onderwerp van de passieve zin en het onderwerp wordt een door-bepaling, of blijft helemaal weg.
  • Perfectum met ‘zijn’ of ‘hebben’?
    Wanneer gebruik je ‘zijn’ en wanneer ‘hebben’ in het perfectum?
  • Perfectum of imperfectum?
    Wanneer gebruik je perfectum en wanneer imperfectum?
  • Praten over de toekomst
    In het Nederlands kun je op verschillende manieren over de toekomst praten. Hoe zet je die manieren in, en hoe oefen je ermee?
  • Redekundig en taalkundig ontleden
    Uitleg over het verschil tussen taalkundig en redekundig ontleden. En een handig overzicht van grammaticale termen.
  • Samentrekking op zinsniveau
    Bij een samentrekking op zinsniveau laat je herhalende zinsdelen weg. Dat kan alleen als die delen dezelfde betekenis, functie en plek hebben.
  • Scheidbare werkwoorden
    Wat zijn scheidbare werkwoorden en hoe gebruik je ze in een zin? En hoe leer je cursisten om deze lastige werkwoorden goed te gebruiken?
  • Sterk, zwak of onregelmatig?
    Werkwoorden hebben verschillende vervoegingen in de verschillende tijden. Bij de meeste werkwoorden is duidelijk herkenbaar wat hun infinitief is, omdat ze alleen een andere uitgang krijgen. Maar er zijn ook werkwoorden waarvan de klinker en/of de medeklinker verandert.
  • Sterk, zwak, onregelmatig
    Een werkwoord kan in zijn vervoeging sterk, zwak of onregelmatig zijn. Het is handig om die categorie├źn te onderscheiden.
  • Susans fiets of Susan haar fiets?
    Susans fiets, Susan haar fiets en de fiets van Susan zijn allemaal manieren om bezit aan te geven. Hoe gebruik je die verschilende bezitsvormen?
  • Trappen van vergelijking
    Bij de bijvoeglijke naamwoorden horen de trappen van vergelijking: de stellende trap (of ‘positief’, maar beide termen worden weinig gebruikt), de vergrotende trap (of ‘comparatief’) en de overtreffende trap (of ‘superlatief’): klein – kleiner – kleinst
  • Vaste voorzetsels
    Vaste combinaties van werkwoorden en voorzetsels zijn vaak lastig. Ik geef je hier goede oefeningen en een gratis overzicht.
  • Verschillende soorten werkwoorden
    Er bestaan verschillende soorten werkwoorden: zelfstandige werkwoorden, koppelwerkwoorden en hulpwerkwoorden.
  • Volgorde van de zinsdelen
    Wat is de volgorde van de zinsdelen lijdend en meewerkend voorwerp en de bijwoordelijke bepalingen?
  • Volgorde van de zinsdelen
    De volgorde van de zinsdelen is het het Nederlands niet heel vast; veel hangt af van woordsoort. Lees hier de belangrijkste principes.
  • Volle en gereduceerde vormen
    Veel persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden hebben twee vormen: een volle en een gereduceerde vorm.
  • Voor- en achtervoegsels
    Er zijn verschillende manieren waarop je in het Nederlands woorden van andere woorden kunt afleiden. Een afleiding bestaat uit een grondwoord met een voorvoegsel (prefix) of achtervoegsel (suffix). Voor- en achtervoegsels veranderen vaak de betekenis van het grondwoord of de manier waarop het gebruikt kan worden. Zo kan een onovergankelijk werkwoord door het toevoegen van het voorvoegsel be- overgankelijk worden.
  • Waarom krijg je na ‘dus’ vaak inversie?
    Waarom krijg je na ‘dus’ vaak inversie?
  • Wat zijn samenstellingen?
    Voor NT2-cursisten is het handig om iets over samenstellingen te weten, omdat ze dan makkelijker het juiste lidwoord en de betekenis kunnen bepalen.
  • We hebben (op) maandag les
    Wanneer gebruik je op bij tijdsaanduidingen?
  • Wederkerende werkwoorden
    Een wederkerend werkwoord wordt vervoegt met ‘zich’. Wederkerende werkwoorden kunnen zowel verplicht als niet-verplicht wederkerend zijn.
  • Wel of geen ‘te’ bij infinitief?
    Wanneer moet je ‘te’ voor een infinitief zetten?
  • Wel of geen lidwoord
    Wanneer gebruik je wel of geen lidwoord? En wanneer een bepaald en een onbepaald lidwoord?
  • Wel of geen om gebruiken?
    Het voegwoord om kan een beknopte bijzin inleiden, waarin ook te + infinitief staat. Dat om is soms verplicht, soms facultatief en soms kan het juist niet voorkomen.
  • Werkwoordstijden
    Zinnen met toen en nadat staan vrijwel altijd in de verleden tijd, maar hoofd- en bijzin kunnen in verschillende tijden staan. Welke tijd goed is, hangt af van in welke volgorde de handelingen zich voltrekken.
  • Woordvolgorde in enkelvoudige zinnen
    Wat is de juiste woordvolgorde in enkelvoudige zinnen?