Schrijfvaardigheid

Een schrijfplan maken

schrijfplan maken

Wat is het belang van een schrijfplan?

Het schrijven van een tekst kun je het best in verschillende stappen doen: voorbereiden – schrijven – redigeren. Een van de dingen die je in de voorbereidende stap moet doen, is een schrijfplan maken. Dat wordt de basis van de tekst – of dat nu een e-mail, een rapport of een memo is. In een schrijfplan neem je in elk geval de volgende zaken op.

Je kunt ook nog opnemen wat voor soort tekst je gaat schrijven en hoe lang die moet worden. Zeker voor beginnende schrijvers kan dat een handig geheugensteuntje zijn.

Dit schrijfplan maakt het schrijven van de tekst een stuk makkelijker, omdat je al weet waar je uiteindelijk naartoe gaat. Bedenk wel dat wat je nu over de structuur bedenkt, zeker niet een vast gegeven is; het is heel goed mogelijk om daar nog in te schuiven als je aan het schrijven bent.

Oefenen in de les

Je kunt in de les eerst heel goed samen een schrijfplan maken bij een opdracht. Dat kan op verschillende manieren. Bij een kleine groep – of een privétraining – kun je samen bedenken wat de hoofdboodschap en het doel zijn, en wie de tekst gaat lezen. Vervolgens bedenk je de structuur van de tekst.

Bij een grotere groep is het handiger om in kleine groepjes te werken. Je kunt dan daarna de groepjes feedback laten geven op elkaars uitwerking. Of laat die op Padlet zetten, zodat iedereen de andere uitwerkingen kan zien. Bespreek de overeenkomsten en verschillen.

Vervolgens kun je (als huiswerk) het schrijfplan laten uitwerken tot een eerste versie van de tekst. Ga bij de bespreking daarvan eerst in op het proces: hoe makkelijk of moeilijk was het om met het schrijfplan als basis te werken? Hebben ze nog veel verandert aan bijvoorbeeld de opbouw van de tekst?

Concreet schrijven

concreet schrijven

Wat is concreet schrijven en waarom is het belangrijk?

Hoe vaak is vaak? En regelmatig? Veel mensen die deze termen gebruiken denken dat ze duidelijk zijn, maar dat is niet zo. Uit onderzoek van de universiteiten van Leiden en Groningen is gebleken dat er grote verschillen in interpretatie zijn. Dat betekent dat er een grote kans is op miscommunicatie. Het is dus belangrijk om preciezer te zijn. Vergelijk onderstaande zinnen met elkaar:

1a. In dit rapport werken we een aantal scenario’s verder uit.
1b. In dit rapport werken we vier scenario’s verder uit.

2a. Wij nemen binnenkort contact met u op om de verdere voortgang van het project te bespreken.
2b. Wij nemen over twee weken contact met u op om de verdere voortgang van het project te bespreken.

3a. Enkele deelnemers kwamen helaas te laat doordat hun trein flinke vertraging had.
3b. Vijf deelnemers kwamen helaas te laat doordat hun trein twee uur vertraging had.

4a. Het is belangrijk om regelmatig je wachtwoord te veranderen.
4b. Het is belangrijk om regelmatig je wachtwoord te veranderen, bijvoorbeeld elk half jaar.

Helder schrijven

Een van de aspecten van een goede tekst is dat hij helder is. Dat wil zeggen dat je lezer goed begrijpt wat je bedoelt, en dat wat je zegt niet voor andere uitleg vatbaar is. Daarvoor is het belangrijk dat je zinsbouw overzichtelijk is, maar ook dat je concreet formuleert. Een tekst met veel vage woorden, is onduidelijker en geeft minder informatie.

Oefenen in de les

Je kunt met je cursisten eens kijken hoe vaag zulke woorden eigenlijk zijn. Zet bijvoorbeeld de woorden altijd – soms – vaak – regelmatig – bijna nooit – nooit  op volgorde van frequentie. Je kunt dit natuurlijk ook doen met woorden van hoeveelheid. Waarschijnlijk zie je dan al interpretatieverschillen.

Verder kun je natuurlijk vage zinnen laten herschrijven tot concrete zinnen, en er feedback op geven als je zulke vage woorden in de teksten van je cursisten ziet.

Het imperfectum

imperfectum

Hoe maak en gebruik je het imperfectum?

Het Nederlands kent twee verschillende verleden tijden: het imperfectum (de onvoltooid verleden tijd) en het perfectum (de voltooid tegenwoordige tijd). Hier lees je meer over de keuze tussen die twee tijden.

Vorm

Om een zin in het imperfectum te zetten, heb je geen extra werkwoord nodig. Je verandert alleen de vervoeging van de persoonsvorm. Bij samengestelde zinnen verander je meestal alle persoonsvormen, maar daar kunnen uitzonderingen op zijn.

  • De jongens maken het eten klaar.
  • De jongens maakten het eten klaar.
  • De jongens maken het eten klaar terwijl hun ouders wandelen.
  • De jongens maakten het eten klaar terwijl hun ouders wandelden.
  • De vrouw zegt dat de jongens het eten klaarmaken.
  • De vrouw zegt dat de jongens het eten klaarmaakten.

In het imperfectum hebben Nederlandse werkwoorden maar twee vormen: enkelvoud en meervoud. Dat geldt voor álle werkwoorden, zwak, sterk en onregelmatig. De meeste werkwoorden zijn zwak. Die vorm je door de uitgang -de(n) of -te(n) achter de ik-vorm van het werkwoord te zetten. Voor de keuze tussen d en t kun je gebruikmaken van ’t kofschip (of soft ketchup). Van de onregelmatige en zwakke werkwoorden zijn geen vaste regels te geven; die moet je per stuk leren.

Gebruik

De Nederlandse benaming voor het imperfectum is, zoals gezegd ‘onvoltooid verleden tijd’. Dat ‘onvoltooid’ geeft al aan dat de handeling als niet-voltooid, of langer durend wordt gezien. Je gebruikt het imperfectum dan ook bij beschrijvingen, bijvoorbeeld als je vertelt waar een boek of film over ging, of over iets wat je vroeger deed. In langere teksten is er een neiging om het imperfectum te gebruiken voor bijkomstigheden, en het perfectum voor belangrijke elementen.

Oefenen in de les

Voor zover ik weet, behandelen alle NT2-methodes eerst het perfectum en daarna het imperfectum. Dat is ook logisch, omdat het perfectum veel meer gebruikt wordt. Een paar heel frequente vormen, zoals was en had hebben veel cursisten dan trouwens al opgepikt.

Bij het imperfectum begin ik vaak met de vorm. Geef bijvoorbeeld wat zinnen met zwakke werkwoorden in het imperfectum en bespreek aan de hand daarvan de vorm met je cursisten. Zien ze zelf hoe deze vorm is afgeleid van de infinitief? En het verschil tussen enkelvoud en meervoud? Het is handig om je cursisten te wijzen op het feit dat perfectum en imperfectum altijd beide een d of beide een krijgen. De meervoudsvorm is ook nog weleens lastig, omdat de slot-n niet wordt uitgesproken.

Het kan goed zijn om eerst even expliciet de vorm te oefenen. Geef bijvoorbeeld tien werkwoorden en laat die in het imperfectum zetten. Laat daarna ook zinnen maken. Dat kun je op verschillende manieren doen. Je kunt een rad maken (bijvoorbeeld met Wheeldecide of Flippity) met daarin een aantal bekende werkwoorden en daar zinnen mee laten maken. Je kunt ook voor een verhaalvorm kiezen. Laat bijvoorbeeld iets vertellen over vroeger. Of kijk een grappig filmpje en laat navertellen wat er gebeurde. Ook kun je een verhaal (in het presens) lezen en dat laten navertellen in het imperfectum. Maak een mix van mondelinge en schriftelijke oefeningen, zodat je alle vaardigheden oefent en meer afwisseling hebt.

Een heel leuk liedje om te gebruiken voor het imperfectum is Heel lang geleden van Yentl en De Boer. Daar zitten veel onregelmatige werkwoorden in.

Lezergericht schrijven

lezergericht schrijven

Hoe pas je je taalgebruik aan aan je lezer?

Een van de dingen die een tekst ‘goed‘ maken, is dat hij goed aansluit bij de lezer. Die moet je tekst goed begrijpen, prettig vinden om te lezen en zich aangesproken voelen. Dat bereik je door voor je gaat schrijven enkele vragen over de lezer te beantwoorden. Stel jezelf bijvoorbeeld deze vragen:

  • Is het een formele of informele situatie?
  • Is het bericht zakelijk of persoonlijk?
  • Ken je de lezer persoonlijk, of niet?
  • Weet je lezer evenveel over het onderwerp waar je over schrijft als jij?

Nadenken over deze zaken helpen met de keuze tussen u en jij, maar ook met de vraag hoeveel je ergens over moet uitleggen, hoe moeilijk de woorden en zinnen zijn die je kunt gebruiken, enz. In een formele en zakelijke tekst zijn de woorden en zinnen vaak moeilijker; zinnen zijn ook langer. In een tekst voor een vakgenoot zie je vaktermen, die niet uitgelegd worden – in een tekst over eenzelfde onderwerp, maar voor buitenstaanders, wordt zo’n begrip (meestal) wel uitgelegd. 

Oefenen in de les

Om te beginnen kun je je cursisten vragen om wat brieven of e-mails mee te nemen die zij zelf hebben gekregen. Je kunt natuurlijk ook zelf een verzameling voorbeelden aanleggen. Laat ze vervolgens in die teksten op zoek gaan naar tekenen van bijvoorbeeld formeel of informeel taalgebruik, of woorden waaruit blijkt dat de tekst voor een bepaalde doelgroep is geschreven (denk daarbij aan vaktaal, gebruik van ‘moeilijke woorden’ en lange zinnen, enz.). Je kunt ook samen woordparen opstellen van formele en informele woorden. Laat vervolgens twee teksten schrijven over hetzelfde onderwerp, maar een andere doelgroep. Bijvoorbeeld zo:

  • Stel: je hebt een nieuw huis gevonden, en gaat dus verhuizen. Schrijf een e-mail aan een goede vriend of vriendin.
  • Stel: je hebt een nieuw huis gevonden, en gaat dus verhuizen. Schrijf een e-mail aan een verhuisbedrijf.

Bij een wat grotere groep kun je ook de helft van de groep de ene en de andere helft van de groep de andere opdracht geven. Laat de teksten schrijven, en dan delen via een padlet. Let bij het nabespreken vooral op de vraag of de e-mail past bij de gegeven situatie. Taalfouten zijn bij deze opdracht minder belangrijk – tenzij een zin echt onbegrijpelijk wordt.

Bij wat meer gevorderde cursisten kun je ook met andere teksten werken. Neem wat teksten mee voor verschillende doelgroepen: jongeren, ouderen, mannen, vrouwen, kinderen, een bepaald vakgebied, enz. Wat kunnen ze bij die teksten zeggen over de doelgroep? Welke stijlkenmerken zie je in welke teksten? Leg vervolgens zes doelgroepen voor in termen van leeftijd, geslacht en hobby of vakgebied (bijvoorbeeld: ‘een jongen van 15 die erg van gamen houdt’, ‘een vrouw van 45 die arts is’). Je kunt deze groepen zelf van tevoren bedenken, of samen met je groep. Door middel van lootjes, een dobbelsteen, of met een rad in Wheeldecide wijs je vervolgens iedereen doelgroep toe (bij lootjes en Wheeldecide moet je het aantal doelgroepen misschien aanpassen), en je vertelt over welk onderwerp ze iets moeten schrijven, of je geeft de eerste zin. Als je gaat nabespreken vertel je dat de schrijver niet mag zeggen wie de doelgroep was, dat moet de rest raden aan de hand van de tekst. Zo’n raadspel levert een hoop gespreksstof op over de kenmerken van een tekst.

Spelling: ei of ij?

spelling: ei of ij?

Zijn er regels voor de keuze tussen ei en ij?

De klank [ei] kun je op twee manieren schrijven: ei en ij. Er lijken weinig regels te zijn voor de keuze tussen deze spellingen, maar er zijn wel wat handvatten te geven.

Geschiedenis

Dat we twee spellingen hebben voor de klank [ei] heeft een historische reden; in de Middeleeuwen werden deze klanken verschillend uitgesproken. De lange ij is een verlengde i. Die werd eerst als ii geschreven, maar de tweede i werd vaak verlengd tot een j, om duidelijker te maken dat het niet om een u ging (de puntjes werden vaak weggelaten in de Middeleeuwse handschriften). In de zestiende eeuw veranderde de uitspraak van [ie] naar [ei].

De korte ei komt van de verlengde e voor de uitgang -nd (bijvoorbeeld in eind), de Germaanse combinaties -egi (waarin later de g is weggevallen: vergelijk het Nederlandse zeil en het Duitse Segel) of ai (heide naast het Gotische haidi). De uitspraak van deze klank was eerst [ee], later [ai] en nog weer later [ei] (en tegenwoordig weer vaak [ai]).

Regels

Er zijn geen heel vaste regels voor de keuze tussen ij en ei, maar de herkomst van de klanken speelt nog steeds een rol. Ik geef enkele vuistregels.

Met een lange ij

  • Veel woorden die in dialecten met een [ie] worden uitgesproken, zijn met de lange ijmijn (mien), tijd (tied), wijf (wief);
  • Veel sterke werkwoorden die in de verleden tijd een ee hebben: lijden – leed – geledenprijzen – prees – geprezen;
  • Woorden die zijn afgeleid van Franse woorden y/istijl (van style), tapijt (van tapis);
  • Het achtervoegsel -lijk.

Met een korte ei

  • De achtervoegsels -erlij-gerei-heid, en –(i)teit;
  • Woorden die zijn afgeleid van Franse woorden met aitrein (van train);
  • Veel zwakke werkwoorden: leiden – leidde – geleid.
Oefenen in de les

Op de regels die ik hierboven gaf zijn helaas (veel) uitzonderingen. Op basisscholen valt dit daarom in de categorie ‘weetwoorden’, en wordt er apart mee geoefend om per woord aan te leren wat de juiste spelling is. Volwassenen worden natuurlijk vaak geholpen door de spellingcontrole, maar je kunt er toch voor kiezen om ermee te oefenen. Afhankelijk van je groep kun je gebruik maken van bovengenoemde vuistregels – of daar een keuze uit maken. Heb je mensen die Frans spreken in je groep, dan kun je verwijzen naar de parallel met woorden uit die taal. De spelling van de achtervoegsels kun je benoemen als je toch aandacht besteedt aan die achtervoegsels.

Als je apart wilt oefenen met de ij en ei, dan kun je natuurlijk een dictee gebruiken, maar als je cursisten hebt die moeite hebben met lezen en schrijven, kun je ook eerst kaartjes maken met een aantal woorden, en die laten sorteren op ei of ij, en daarna pas oefenen met schrijven. Je kunt dat af en toe terug laten komen; begin met hoogfrequente woorden, en voeg daar later andere woorden aan toe.

Ter inspiratie kun je hieronder een overzicht downloaden met de woorden met ei of ij (of soms allebei) uit de Hazenberg & Hulstijn-lijst van 2000 meest frequente woorden.

Enkelvoud of meervoud bij ‘een paar’, ‘aantal’, enz.

Gebruik je bij ‘een paar schoenen’ een enkelvoud of een meervoud? En bij ‘een aantal’?

Meestal is het vrij duidelijk of de persoonsvorm in een zin in het enkelvoud of het meervoud moet staan, maar er zijn wat twijfelgevallen. Dat is bijvoorbeeld zo bij zinnen waar het onderwerp woorden als aantal of soort bevat. In zinnen waarin het onderwerp bestaat uit een zogenoemde ‘groepsaanduiding’ (woorden als aantalgroepheleboel en massa) en een meervoudig zelfstandig naamwoord staat de persoonsvorm soms in het enkelvoud en soms in het meervoud. Dat hangt ervan af welke groepsaanduiding je gebruikt.

Altijd enkelvoud

De persoonsvorm moet altijd in het enkelvoud staan als de groepsaanduiding duidelijk een zelfstandig naamwoord is. Dat zorgt ervoor dat het gehele onderwerp als één groep wordt opgevat. Het gaat hierbij om de volgende woorden: groephoeveelheidkuddemenigtereeksrijstapelverzameling. Juist zijn dus zinnen als: 

  • Een groep mensen demonstreert in Den Haag.
  • Voor de winkel staat een rij wachtenden.
  • Die stapel tijdschriften kan naar het oud papier.

Altijd meervoud

Er zijn ook groepsaanduidingen die geen zelfstandig naamwoorden, maar telwoorden zijn. Net als ‘gewone’ telwoorden hebben die geen invloed op de persoonsvorm. Het gaat dan om boelheleboelhoop en tal van. Voorbeelden:

  • Tal van maatregelen moeten de opwarming van de aarde tegengaan.
  • Ieder jaar vallen een heleboel kinderen van hun fiets.

Enkelvoud en meervoud kunnen allebei

Bij de laatste groep zijn enkelvoud en meervoud allebei juist. Het gaat hier om groepsaanduidingen die je zowel als zelfstandig naamwoord als als telwoord kunt opvatten. In de spreektaal is in de meeste gevallen het meervoud het gewoonst. Een uitgebreide uitleg hierover vind je ook op de website van Onze Taal. Voorbeelden:

  • Op ons kantoor werkt / werken een aantal collega’s uit andere landen.
  • Dit soort situaties is / zijn voor veel mensen erg lastig.

Een bijzonder geval is paar, waarbij een duidelijk betekenisverschil is. Bij de betekenis ‘een bij elkaar horend tweetal’ gebruik je enkelvoud, bij de betekenis ‘enkele’ meervoud:

  • Er staat een paar schoenen in de gang.
  • Er zijn altijd een paar mensen te laat.
Oefenen in de les

De meeste van deze constructies kom je pas tegen op hogere niveaus. Het is zeker niet per se nodig om aandacht te besteden aan de verschillen in woordgroep. Je kunt ook gewoon de drie groepen behandelen en het enkelvoud of meervoud koppelen aan de betekenis.

Een voorbeeld van een les hierover:
Geef de cursisten enkele zinnen waarin deze constructies voorkomen (bijvoorbeeld de voorbeeldzinnen van hierboven), met door elkaar enkelvoud en meervoud. Laat ze opzoeken wat het onderwerp van de zin is en kijk of ze kunnen bedenken waarom de persoonsvorm in het enkelvoud of juist in het meervoud staat. Geef dan alle bovengenoemde woorden en laat die indelen in drie categorieën, of doe dat samen met de groep. Laat vervolgens met alle woorden zinnen maken.

Titel en tussenkopjes

titel en tussenkopjes

Aan welke eisen moeten een titel en tussenkopjes voldoen?

Een goede titel en duidelijke tussenkopjes helpen de lezer van een (zakelijke) tekst erg bij het begrijpen van die tekst. Titels gebruik je vooral bij wat langere documenten, zoals artikelen, notities en rapporten. Zorg er daarbij voor dat de titel voldoende informatie geeft over de inhoud van je stuk. Alleen Rapportage is te vaag. Vaak kun je goed je doel in de titel verwerken: Advies over de aanschaf van nieuw softwarepakketEvaluatie eerste kwartaal 2020. Je kunt eventueel ook een ondertitel gebruiken. Titels formuleer je meestal in telegramstijl, dus zonder werkwoorden en lidwoorden.

Tussenkopjes

Zodra een tekst meer dan drie alinea’s heeft, adviseer ik om tussenkopjes te gebruiken. Een tussenkopje is niet langer dan ongeveer 5 woorden en legt kort uit waar het volgende deel van de tekst over gaat. Ook hierbij gaat duidelijkheid voor alles. Je wilt je lezer helpen om je tekst goed te begrijpen of om bepaalde informatie snel (terug) te vinden. Ook een tussenkopje formuleer je in telegramstijl. Wel kun je in informatieve teksten soms vragen als tussenkopjes gebruiken.

Het is niet altijd nodig om bij elke alinea een tussenkopje te zetten; zeker in langere teksten hebben vaak meerdere alinea’s hetzelfde deelonderwerp. Door tussenkopjes kun je die duidelijk groeperen.

Belangrijk is wel dat de tekst ook zonder tussenkopjes leesbaar moet zijn. Ik zie bijvoorbeeld wel dat de naam van een regeling als tussenkopje wordt gebruikt boven de tekst waarin die regeling wordt uitgelegd. Dat is natuurlijk prima, maar herhaal die naam dan ook in de eerste zin nog en begin die niet met ‘Deze regeling houdt in dat …’

Titel en tussenkopjes in e-mail

Ook in langere zakelijke mails kan het heel goed werken om een titel en tussenkopjes te gebruiken. Of nou ja, een titel. Dat is natuurlijk je onderwerpregel. Tussenkopjes kun je in de mail zelf goed gebruiken. In de bevestigingsmail die ik stuur als ik een training verstuur, gebruik ik bijvoorbeeld de tussenkopjes Data en locatieBetaling en Lessen verzetten.

Oefenen in de les

Je kunt een les hierover beginnen met een leesopdracht. Neem wat teksten mee naar de les of gebruik teksten uit je methode, en bekijk de titel en tussenkopjes. Waar verwachten ze dat de tekst over gaat? Lees dan de tekst en kijk of de voorspellingen kloppen. Zijn het goede tussenkopjes? Bekijk ook samen de lengte en formulering van tussenkopjes: kunnen je cursisten daar zelf de vereisten over lengte en telegramstijl uit halen? Eventueel kun je natuurlijk helpen.

Vervolgens kun je iedereen dezelfde tekst geven, waar je de titel en tussenkopjes van verwijderd hebt (geef wel aan wáár de tussenkopjes stonden), en laat je cursisten, individueel of in groepjes, bedenken wat een goede titel en goede tussenkopjes zouden zijn.

Tot slot kun je natuurlijk zelf een tekst laten schrijven. Je kunt ze dat op twee manieren laten aanpakken: eerst de tussenkopjes bedenken, en dan pas de tekst schrijven, of eerst de tekst schrijven en dan de tussenkopjes bedenken. Wat vinden ze makkelijker? En wat levert betere tussenkopjes op?

Woordgeslacht zelfstandig naamwoorden

woordgeslacht zelfstandig naamwoorden

Wat zijn mannelijke en vrouwelijke woorden?

Het Nederlands heeft twee bepaalde lidwoorden: de en het. Maar Nederlandse zelfstandig naamwoorden hebben drie woordgeslachten: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. We verdelen dat zo: woorden met de zijn mannelijk of vrouwelijk (of beide) en woorden met het zijn onzijdig. 

Naamvallen

Ooit – honderden jaren geleden – had het Nederlands, net als het Duits naamvallen. Die naamvallen waren verschillend voor mannelijke en vrouwelijke woorden, en ook het lidwoord paste zich aan. In de nominatief (onderwerp) was het altijd die. Dat is afgezwakt tot de, en de naamvallen verdwenen. Maar het woordgeslacht verdween niet; als je met een bezittelijk voornaamwoord wilt verwijzen naar een zelfstandig naamwoord, moet je nog steeds weten of het woord mannelijk of vrouwelijk is. Daar zijn wel wat vuistregels voor, maar geen heel vaste regels.

Verwijswoorden

Zoals gezegd: als je wilt verwijzen naar een zelfstandig naamwoord moet je eigenlijk weten of het woord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is. Ook de functie van je verwijswoord speelt mee.

functie verwijswoordmannelijkvrouwelijkonzijdig
onderwerphijzijhet
ander zinsdeelhemhaarhet
bezittelijk voornaamwoordzijnhaarzijn

Enkele voorbeelden:

  • Waar is mijn telefoonHij lag net op mijn bureau, maar nu zie ik hem niet.
  • De commissie vergadert hier volgende week over. Ze zal dan een beslissing nemen, en die bespreken met haar achterban.
  • Ik heb dat boek gelezen. Het was heel spannend. Ik vond het heel goed.

Spreektaal en schrijftaal

In de praktijk is er een groot verschil tussen de spreektaal en schrijftaal. In spreektaal wordt eigenlijk alleen naar vrouwelijke personen en dieren met zij en haar verwezen; bij andere zelfstandig naamwoorden gebruiken we vrijwel altijd hijhem en zijn. Sommige mensen verwijzen ook naar abstracte begrippen met zij en haar, maar dat is lang niet altijd correct volgens de officiële regels: de gemeenteraad is bijvoorbeeld mannelijk en het kabinet onzijdig. In (officiële) schrijftaal hanteren we het onderscheid nog wel.

Oefenen in de les

Bij beginners hoef je alleen maar uit te leggen dat het Nederlands twee bepaalde lidwoorden heeft: de en het.  Als je zinnen gaat behandelen waarin je verwijst naar een zelfstandig naamwoord, kun je volstaan met het systeem in spreektaal: hijhem en zijn bij de-woorden en het en zijn bij het-woorden. Je kunt hiermee oefenen door ze vragen te laten en stellen beantwoorden over voorwerpen in de klas of thuis. Ook kun je bijvoorbeeld een aantal woorden op een wheeldecide zetten (bijvoorbeeld vocabulaire van het thema waar je mee bezig bent) en dat als basis voor een zin gebruiken.

Pas als cursisten op B2 zitten, kan het handig zijn om de officiële regels voor schrijftaal te bespreken. Leg ze daarbij ook uit dat ze in het spreken niets hoeven aan te passen, maar dat deze regel alleen in schrijftaal geldt. En dan nog is het een regel die ik alleen bespreek in specifieke cursussen over zakelijke schrijfvaardigheid of bij cursisten die voor hun werk veel in het Nederlands moeten schrijven. Belangrijk is om cursisten dan te wijzen op websites als woordenlijst.org en spellingsite.nu, waar ze het woordgeslacht kunnen opzoeken. Je kunt dan werken met bijvoorbeeld invuloefeningen of ze zinnen laten herformuleren. Ook kun je een tekstje laten schrijven waarin ze bijvoorbeeld vijf keer zo’n verwijswoord moeten gebruiken.

Samentrekking

Wat is een samentrekking?

Samentrekking betekent dat je een of meer elementen weglaat die je anders dubbel zou gebruiken. Een voorbeeld is: ‘De cursisten hebben een museum bezocht en daar een verslag van gemaakt.’ Na en is hier de cursisten hebben weggelaten.

Er zijn een paar vereisten waar zo’n samentrekking aan moet voldoen, wil je een grammaticaal correcte zin overhouden. Wat je weglaat moet namelijk dezelfde betekenis, vorm, plaats in de zin en functie hebben. De zin ‘De cursisten hebben een museum bezocht en daar een verslag van gemaakt’ voldoet aan deze eisen. 

Betekenis

Dat is niet zo in de titel van het verkiezingsprogramma van D66: ‘Laat iedereen vrij, maar niemand vallen’. Hier worden vrijlaten en laten vallen gebruikt. Laten heeft daarin een heel andere betekenis, waardoor de samentrekking vreemd klinkt. Deze constructie wordt wel een ‘zeugma’ genoemd, met als klassiek voorbeeld: ‘Hier zet men thee en over.’

Woordvolgorde

Ook de woordvolgorde kan voor problemen zorgen, zeker als er inversie is in het eerste deel van een samengestelde zin.

  • In de zomervakantie gaan we kamperen en ruimen we de zolder op.
  • Misschien bouwen we volgende keer een huis van lego en spelen we een spelletje.

In deze zinnen veroorzaken in de zomervakantie en misschien de inversie. Omdat deze zinsdelen ook betrekking hebben op het tweede deel van de zin (en daar dus zijn samengetrokken), krijg je ook daar inversie. Je zou hier zelfs ook nog het onderwerp weg kunnen laten, omdat dat twee keer op dezelfde plek staat.

  • In de zomervakantie gaan we kamperen en ruimen de zolder op.
  • Misschien bouwen we volgende keer een huis van lego en spelen een spelletje.

Die inversie is niet juist als het zinsdeel dat de inversie veroorzaakt níét in het tweede deel van de zin past.

  • Vorig jaar is hij afgestudeerd en heeft hij nog steeds geen nieuwe baan gevonden.

Vorig jaar kan hier niet zijn weggelaten uit het tweede deel van de zin, waardoor in dat deel geen inversie kan zijn. Ook weglaten van het onderwerp is dan niet mogelijk.

  • Vorig jaar is hij afgestudeerd en heeft nog steeds geen nieuwe baan gevonden.

Deze constructie heeft de mooie naam ‘tante betje

Oefenen in de les

Veel cursisten passen zelf samentrekkingen toe, omdat dit in veel talen kan. Als je merkt dat iemand herhalende zinsdelen niet weglaat, kun je hem of haar erop wijzen dat je elementen in de zin die twee keer hetzelfde zijn, kunt weglaten.

Tantebetjezinnen kom je vooral in geschreven taal weleens tegen. Laat de cursist dan goed kijken naar de constructie van de zin. Is er inversie mogelijk? Maakt een cursist de fout vaak, dan is het zinvol om hier wat dieper op in te gaan, en expliciet mee te oefenen, bijvoorbeeld door een aantal zinnen te laten beoordelen en waar nodig verbeteren. 

‘U’ of ‘jij’?

u of jij in zakelijke mail

Gebruik je u of jij in een zakelijke mail?

Of je in een brief of mail u gebruikt, hangt vooral af van hoe formeel of informeel de context is. Een sollicitatiebrief of een eerste contact met een potentiële klant is vaak formeel; daarbij past u. Ook in de juridische en financiële wereld wordt nog vrij veel u gebruikt in contact tussen een professional en een klant. In de meeste andere situaties is in Nederland je gepaster, zeker zodra je elkaar ook al ontmoet of gesproken hebt en er geen groot verschil in hiërarchie is.

Helemaal zwart-wit is deze kwestie natuurlijk niet; de een zegt vaker u dan de ander. Belangrijk is ook wat bij de schrijver past.

Consequent

In alle zakelijke teksten is het belangrijk om consequent te zijn, dus ook hierbij. Schrijf je u, dan hoort daar ook een formele aanhef (met achternaam) bij. Bij je past bijvoorbeeld Beste Achraf. Ook in de rest van de tekst moet je consequent zijn, dus steeds u of je. Maar wat nou als je ook een meervoud wilt gebruiken? Jullie is een informeel meervoud; dat past dus niet bij u. Daarbij gebruik je dan toch weer u; daar kun je ook meerdere personen mee bedoelen. Als je dat niet duidelijk genoeg vindt, kun je ook kiezen voor de naam van het bedrijf. Vergelijk deze voorbeelden:

Beste Achraf,
Graag kom ik terug op je mail van vorige week. […] Ik zie dat jullie nog een tweede order geplaatst hebben.

Geachte heer Ammoudi,
Graag kom ik terug op uw mail van vorige week. […] Ik zie dat u nog een tweede order geplaatst hebt.

Geachte heer Ammoudi,
Graag kom ik terug op uw mail van vorige week. […] Ik zie dat Company X nog een tweede order geplaatst heeft.

Oefenen in de les

Je kunt hier natuurlijk feedback op geven bij schrijfopdrachten, maar je kunt er ook actiever mee aan de gang in een les. Bijvoorbeeld op de volgende manieren:

  • Schets verschillende korte scenario’s en laat je cursisten bedenken wat de beste keuze is in een mail.
  • Laat cursisten een lijstje maken met mensen aan wie ze weleens mailen: wanneer zouden ze u moeten gebruiken, en wanneer jij?
  • Leg je cursisten een u-versie en een jij-versie van dezelfde mail voor. Welke vinden ze gepaster?
  • Geef je cursisten een mail waarin u en jij door elkaar zijn gebruikt, en laat ze die verbeteren.