Grammatica

‘Dan’ als bijwoord of voegwoord

dan bijwoord of voegwoord

Kan dan een voegwoord zijn?

Het woord dan kan zowel een bijwoord als een voegwoord zijn. Dat heeft gevolgen voor de woordvolgorde van het deel van de zin waar dan in staat. Het is voor cursisten dus belangrijk om de verschillende gebruikswijzen van dan te onderscheiden.

Dan als bijwoord

Als bijwoord geeft dan een toekomstig tijdstip, voorwaarde of modaliteit aan.

  • Volgend jaar word ik 50, dan geef ik een groot feest. (toekomstig tijdstip)
  • Als je op tijd wilt komen, dan moet je nu vertrekken. (voorwaarde)
  • Ruim dan eens je kamer op! (modaliteit)
  • A: Ik kijk nooit televisie! B: En vorige week dan? (modaliteit)

Als bijwoord van voorwaarde kan dan ook goed worden weggelaten uit een zin. Als je op tijd wilt komen, moet je nu vertrekken is ook goed.

Interessanter is de eerste voorbeeldzin. Die is redelijk informeel; veel mensen zullen geneigd zijn en tussen de delen te zetten: Volgend jaar word ik 50 en dan geef ik een groot feest. Uiteraard is dat ook goed, maar dat wil niet zeggen dat ze zin zonder en fout is. Er is bij deze zin nog een mogelijkheid: dan kan ook na de persoonsvorm staan. Er komt dan een puntkomma tussen de twee hoofdzinnen: Volgend jaar word ik 50; ik geef dan een groot feest. Dit is een mogelijkheid die bij meer bijwoorden bestaat. Denk ook aan het woord dus.

Dan als onderschikkend voegwoord

Daarnaast kan dan ook een voegwoord zijn. Meestal is het een onderschikkend voegwoord van vergelijking: Hij kan beter fotograferen dan ik. Je kunt de bijzin hier aanvullen tot bijvoorbeeld dan ik dat kan. Je ziet dat het werkwoord dan aan het eind van de zin staat – een typisch kenmerk van bijzinnen.

In de grote Van Dale staat ook nog dat dan gebruikt kan worden als onderschikkend bijwoord van graadaanduidend gevolg. Een voorbeeldzin daarbij is: Hij is te trots dan dat hij zoiets zou aannemen. Dit lijkt mij wat verouderd.

Dan als nevenschikkend voegwoord

Onze Taal en de ANS zeggen bij dan dat het ook nog een nevenschikkend voegwoord kan zijn, maar dat komt weinig voor. We gebruiken het bijvoorbeeld in de combinatie dan wel en in de uitdrukkingen ja dan nee en al dan niet.

  • Plastic afval kan gescheiden worden ingezameld dan wel na inzameling worden gescheiden.

Oefenen in de les

NT2-cursisten zullen lang niet alle gebruikswijzen van dan tegenkomen. Het gebruikelijkst zijn natuurlijk de als-dan-constructie en dan in vergelijkingen. Die kun je heel goed los van elkaar oefenen. Als er cursisten zijn die je ernaar vragen, dan kun je uitleggen dat het om verschillende betekenissen gaat. Het is niet nodig dat cursisten precies kunnen benoemen of dan in een zin een voegwoord of een bijwoord is; je kunt beter van de betekenis uitgaan. Dat is veel makkelijker te begrijpen.

Bij zinnen van het type Volgend jaar word ik 50, dan geef ik een groot feest kun je bij gevorderde cursisten (B2) uitleggen dat dan ook verderop in de zin kan staan. Je kunt dat eventueel combineren met woorden als dus, ook en misschien, waarvoor hetzelfde geldt. Je kunt dit bijvoorbeeld oefenen met Flippity, met een manipulatives-oefening. Maak geef je cursisten enkele zinnen, waarbij je elk zinsdeel op een apart ‘kaartje’ zet. Laat de zinnen vervolgens in de goede volgorde leggen en bespreek welke mogelijkheden er allemaal zin.

Je kunt ook oefenen met een gesprek over de toekomst. Geef een begin, bijvoorbeeld: Over twee maanden  is het zomer, en laat die afmaken met een zin met dan.

Wel of geen e bij de overtreffende trap?

overtreffende trap met of zonder e

Wanneer komt er een e bij de zelfstandig gebruikte overtreffende trap?

De overtreffende trap kan natuurlijk direct voor een zelfstandig naamwoord staan, maar hij wordt ook vaak zelfstandig gebruikt.

  • Wat vind jij de mooiste stad ter wereld?
  • Wie van jullie is het oudste?
  • In de lente is Rome op zijn mooist.
  • Sara is het slimste van haar hele klas.
  • De jongens renden om het hardst.

Voor veel NT2-cursisten is het gebruik van de e bij bijvoeglijke naamwoorden in het algemeen lastig. Als een overtreffende trap direct voor een zelfstandig naamwoord staat, volg je de gewone regels voor de buigings-e. Bij zelfstandig gebruik is het wat makkelijker.

Als voor het bijvoeglijk naamwoord het staat, is zowel de vorm met als zonder e juist. Over het algemeen komt de vorm met e meer voor in schrijftaal, en die zonder meer in spreektaal. Juist zijn dus:

  • Wie van jullie is het oudste?
  • Wie van jullie is het oudst?
  • Sara is het slimste van haar hele klas.
  • Sara is het slimst van haar hele klas.

Op zijn + overtreffende trap

In de constructie op + bezittelijk voornaamwoord + overtreffende trap komt alleen de vorm zonder e voor. Het bezittelijk voornaamwoord moet hier (uiteraard) corresponderen met het onderwerp van de zin.

  • In de lente is Rome op zijn mooist.
  • Het meisje schreeuwde op haar hardst.

Om het + overtreffende trap

De constructie om het + overtreffende trap geeft aan dat er iets van competitie gaande is. Ook hier is de vorm met e vooral gebruikelijk in schrijftaal. Als er niets meer volgt na het bijvoeglijk naamwoord, komt er geen e. Deze constructie komt niet heel veel voor.

  • De jongens renden om het hardst.
  • Ze gooiden om het verst.
Oefenen in de les

Het is zeker goed om te oefenen met het zelfstandig gebruik van de overtreffende trap. Leer je cursisten de vorm zonder e aan – eventueel met de toevoeging dat die met e ook goed is. Meestal is het makkelijker om één vorm te leren. Je kunt natuurlijk allerlei zinnen laten maken waarin ze deze vorm moeten toepassen. Ook kun je een foto of filmpje gebruiken om dingen met elkaar te vergelijken. Besteed ook wat aandacht aan de constructie op + bezittelijk voornaamwoord + overtreffende trap. Het kan nodig zijn om goed te letten op de juiste keuze van het bezittelijk voornaamwoord.

Achtergeplaatste voorzetsels

achtergeplaatste voorzetsels

Wat is het verschil tussen ‘Zij lopen in het bos’ en ‘Zij lopen het bos in’?

Eigenlijk is dat heel simpel: in het bos verwijst naar een plaats en het bos in naar een richting. De Algemene Nederlandse Spraakkunst noemt dit ‘achtergeplaatste voorzetsels’, andere boeken spreken hier ook wel van bijwoorden. Ik hou het op achtergeplaatste voorzetsels, omdat ze nog steeds één zinsdeel vormen met een zelfstandig naamwoord. Het gaat (vrijwel) altijd om combinaties met werkwoorden van beweging.

Scheidbare werkwoorden

Soms kan er verwarring zijn met scheidbare werkwoorden. Het verschil wordt zichtbaar in bijvoorbeeld de voltooide tijd.

  • Zij lopen het bos in – Zij zijn het bos in gelopen.
  • Hij loopt zijn nieuwe schoenen in – Hij heeft zijn nieuwe schoenen ingelopen.

Overigens is het verschil in spelling soms wat arbitrair. Er zijn ook naslagwerken die hier Zij zijn het bos ingelopen zouden schrijven.

Voorzetsel of bijwoord

Voorzetsels van plaats kunnen vaker ook als bijwoord gebruikt worden. Denk daarbij aan woorden als achter, beneden, binnen, boven, buiten, voor en voorbij. Achter, voor en onder veranderen dan bovendien in achteren, voren en onderen als ze na naar komen. Dit is niet helemaal hetzelfde geval als bij de achtergeplaatste voorzetsels, omdat deze bijwoorden niet bij een zelfstandig naamwoord horen.

  • De keuken is onder de slaapkamer. (voorzetsel)
  • Ik moet de auto even van onderen bekijken. (bijwoord)
  • Je moet binnen de lijntjes kleuren. (voorzetsel)
  • Ik blijf vandaag de hele dag binnen. (bijwoord)
Oefenen in de les

Je cursisten komen dit waarschijnlijk pas op een wat hoger niveau tegen. Bespreek vooral het verschil tussen richting en plaats. Het spellingverschil met scheidbare werkwoorden is pas op zeer hoog niveau (B2 of hoger) van belang.

Je kunt je cursisten een aantal werkwoorden van beweging geven en een aantal locaties, bijvoorbeeld met plaatjes, kaartjes of een oefening met Flippity. Daar laat je ze zinnen mee maken die gaan over de plaats of de richting.

Je kunt ook een zin zeggen de cursisten (bijvoorbeeld op een (virtueel) whiteboard) laten tekenen wat je zegt. Denk dan aan zinnen als ik loop de trap op, de auto rijdt in de straat enz.

Volgorde meerdere werkwoorden

volgorde meerdere werkwoorden

Wat is de volgorde als een zin eindigt op meerdere werkwoorden?

Sommige zinnen eindigen op meerdere werkwoorden. Dat kunnen er twee zijn, maar ook drie, of zelfs vier – al is dat uitzonderlijk. Wat is dan de onderlinge volgorde van die werkwoorden? Dat hangt af van welke werkwoorden het zijn, en in welke vorm ze staan.

Combinaties van twee of meer infinitieven

Een zin die eindigt op twee of meer infinitieven, heeft het hoofdwerkwoord (dat het belangrijkst is voor de betekenis van de zin) als laatste.

  • We kunnen volgende week wel komen eten.
  • Wat een mooie stad! Hier zou ik wel voor altijd willen blijven wonen!

Combinaties met een persoonsvorm en een of meer infinitieven

Een tweede mogelijkheid is dat een (bij)zin eindigt op een modaal werkwoord en een infinitief. De volgorde is dan vrij. Voor de meeste mensen is het het gewoonst om te beginnen met de infinitief. Bij drie (of meer) werkwoorden komt de persoonsvorm als eerste en het hoofdwerkwoord als laatste.

  • Ik vroeg wat ze wilde drinken.
  • Ik vroeg wat ze drinken wilde.
  • Ik vroeg wat zou willen drinken.

Als een van de werkwoorden komen, blijven, laten, doen, horen, zien, helpen of leren is, dan staat dit meestal voor de andere infinitieven.

  • Heb jij hem dat horen zeggen?
  • Hij beloofde dat hij haar zou helpen verhuizen.

Combinaties met een voltooid deelwoord

Als een (bij)zin eindigt op een persoonsvorm en een voltooid deelwoord, dan is de volgorde vrij. Er is geen voorkeur voor een van beide volgordes, en er is ook geen betekenisverschil.

  • Ik boek mijn vakantie als ik mijn salaris heb gekregen.
  • Ik boek mijn vakantie als ik mijn salaris gekregen heb.

Als er nog een derde werkwoord bij staat, is dat altijd een modaal werkwoord. Je hebt dan dus een modaal werkwoord (de persoonsvorm), een infinitief en een voltooid deelwoord. Er zijn dan twee mogelijkheden:

  1. voltooid deelwoord – modaal werkwoord – infinitief: Uit camerabeelden bleek dat dit rond middernacht gebeurd moet zijn.
  2. modaal werkwoord – infinitief – voltooid deelwoord: Uit camerabeelden bleek dat dit rond middernacht moet zijn gebeurd.

De eerste van die twee mogelijkheden komt in spreektaal het meest voor.

Oefenen in de les

Voor een groot deel hoef je dit pas te behandelen als je cursisten er echt naar vragen. Dat gebeurt vaak op het moment dat ze een – voor hen – onverwachte volgorde tegenkomen, bijvoorbeeld een zin als Ik boek mijn vakantie als ik mijn salaris gekregen heb. Die ‘botst’ met de regel dat het voltooid deelwoord aan het eind van de zin staat. Ik probeer er zelf op te letten dat ik deze volgorde pas vanaf B1 aanbied, maar in boeken staat hij weleens, en ook in andere teksten of in gesprekken kunnen ze de volgorde gekregen heb tegenkomen. Meestal volsta ik met de uitleg dat beide volgordes mogelijk zijn.

Als jij – en je cursisten – het leuk vinden, kun je natuurlijk zinnen verzinnen met zo veel mogelijk werkwoorden achter elkaar. De regels hierboven kunnen je dan helpen om aan je cursisten uit te leggen welke volgordes goed zijn, en welke niet.

Aanwijzend voornaamwoord

aanwijzend voornaamwoord

Wat is het verschil tussen die, deze, dit en dat?

Diedezedit en dat zijn aanwijzende voornaamwoorden. Je kunt ze zowel direct voor een zelfstandig naamwoord zetten als zelfstandig gebruiken om te verwijzen naar een zelfstandig naamwoord.

  • Dit boek is erg goed.
  • Deze tafel hebben we vorige week gekocht.
  • Heb jij dit boek al gelezen? Ja, dat heb ik gelezen.
  • (Wijzend naar een tafel) Die wil ik hebben!

Die en deze horen bij de-woorden (enkelvoud en meervoud) en personen, en dit en dat bij het-woorden (alleen enkelvoud).

Verschillen tussen deze/dit en die/dat

De keuze tussen deze/dit en die/dat is niet altijd eenvoudig. Vaak zijn beide mogelijk zonder dat er veel betekenisverschil is. Er zijn ook gevallen waarin er wel verschil is.

Deze en dit gebruik je als iets dichtbij is (‘hier’), en die en dat als iets ver weg is (‘daar’): Gaan we naar dit of naar dat restaurant? Je kunt deze variatie ook gebruiken zonder dat er verschil is in afstand, maar om twee zaken van elkaar te onderscheiden: Wil je die appel of deze?

Deze en dit zijn over het algemeen nadrukkelijker; daarom komen deze vormen ook meer voor in schrijftaal. Je hebt daarin immers geen intonatie en mimiek om je bedoeling duidelijker te maken. Die en dat hebben vaak zo weinig nadruk dat ze bijna gelijk zijn aan de lidwoorden.

Tot slot kunnen die en dat ook gebruikt worden in combinatie met een voorzetsel: Ik vind dit idee beter dan dat van Irene.

Oefenen in de les

Cursisten komen de aanwijzende voornaamwoorden al vrij snel tegen, zeker de onzelfstandige variant. Ze hoeven dan alleen nog maar te leren dat deze en die bij de-woorden horen en dit en dat bij het-woorden. Dat is natuurlijk al moeilijk genoeg, omdat de woordgeslachten zo lastig te leren zijn. Gebruik dan ook vooral duidelijke voorbeelden, van woorden die ze goed kennen.
Als je begint met het zelfstandige gebruik, kun je ook het best beginnen met zinnen waarin uit de zin al duidelijk is of je met een de- of een het-woord te maken hebt. Pas later komen moeilijkere gevallen.

Voor het onderscheid tussen deze/dit en die/dat kun je beginnen met het verschil in afstand en het vergelijken van twee dingen. Het verschil in nadruk is echt iets voor hogere niveaus. In spreektaal zijn die en dat het gewoonst, dus je kunt je cursisten ook vooral met deze vormen laten oefenen.

Je kunt hiervoor natuurlijk invuloefeningen gebruiken, maar leuker is picture talk. Je laat dan een foto zien, en stelt daar vragen over. Dat werkt het best als er gelijksoortige voorwerpen staan (een paar stoelen bijvoorbeeld). Stel vragen als ‘Welke stoel vind je mooi: deze groene of die blauwe?’ Je kunt ook twee foto’s met hetzelfde thema naast elkaar laten zien, en die met elkaar laten vergelijken. In een face-to-face les kun je gebruikmaken van de ruimte in het lokaal om dichtbij en ver weg mee te laten spelen in de keuze tussen bijvoorbeeld die en dat.

Sterke, zwakke en onregelmatige werkwoorden

sterke zwakke en onregelmatige werkwoorden

Wat betekenen de termen ‘sterk’, ‘zwak’ en ‘onregelmatig’ als het over werkwoorden gaat?

Werkwoorden hebben verschillende vervoegingen in de verschillende tijden. Bij de meeste werkwoorden is duidelijk herkenbaar wat hun infinitief is, omdat ze alleen een andere uitgang krijgen. Maar er zijn ook werkwoorden waarvan de klinker en/of de medeklinker verandert. Die verschillen beschrijven we met de termen ‘sterke’, ‘zwakke’ en ‘onregelmatige’ werkwoorden.

Zwakke werkwoorden

De meeste werkwoorden zijn regelmatig: werken – werkte – gewerktreizen – reisde – gereisd. Deze werkwoorden zijn duidelijk herkenbaar; de verleden tijd en het voltooid deelwoord worden volgens vaste patronen gevormd. In het Nederlandse onderwijs noemen we dit ‘zwakke werkwoorden’.

Half-regelmatige werkwoorden

Een kleine groep is half-regelmatig: de verleden tijd is regelmatig, maar het voltooid deelwoord eindigt op -en

Sterke werkwoorden

Bij een vrij grote groep werkwoorden verandert in de verleden tijd de klinker; het voltooid deelwoord eindigt op -en. Voorbeelden zijn: drijven – dreef – gedreven, ruiken – rook – geroken. Er zijn ook wat werkwoorden die alleen in de verleden tijd een andere klinker hebben. Voorbeelden daarvan zijn: dragen – droeg gedragenlopen – liep – gelopen. Er zijn werkwoorden met 2, 3 of 4 verschillende klinkers. In het Nederlandse onderwijs worden deze werkwoorden meestal ‘sterke werkwoorden’ genoemd.

Daarnaast is er een kleinere groep werkwoorden waarvan zowel de klinker als de medeklinker verandert, zoals bij kopen – kocht – gekocht en houden – hield – gehouden. In deze groep is het voltooid deelwoord vrij onvoorspelbaar. Dat kan op -en eindigen, maar ook op -d/-t. En ook de vormen gegaangestaan en gedaan vallen in deze groep. Meestal worden deze werkwoorden ook tot de sterke werkwoorden gerekend.

Onregelmatige werkwoorden

Tot slot is er een kleine groep onregelmatige werkwoorden. Deze werkwoorden zijn ook in de tegenwoordige tijd onregelmatig. Het gaat om het rijtje hebbenkunnenmogenmoetenwillenzullenzijn.

Je kunt werkwoorden ook indelen naar de manier waarop ze in zinnen gebruikt worden.

Oefenen in de les

In NT2-methodes wordt meestal alleen het onderscheid regelmatig – onregelmatig gehanteerd. Voordeel daarvan is dat je minder tijd kwijt bent aan het uitleggen van grammaticale termen. Een nadeel is echter dat het daardoor vaak een grote brij aan werkwoorden wordt. Het kan overzichtelijker te zijn om de werkwoorden in groepen te oefenen. Welke termen je daarbij hanteert, is dan niet zo belangrijk.

Je kunt hieronder een overzicht downloaden met de half-regelmatige en sterke werkwoorden. Het zijn niet alle werkwoorden – de heel ongebruikelijk (zoals krijten en ontginnen) heb ik eruit weggelaten.

Veel van deze werkwoorden zijn heel frequent, waardoor cursisten ze vaak tegenkomen. Dat vergemakkelijkt het onthouden natuurlijk erg. Je kunt er ook voor kiezen om steeds te oefenen met een stukje van de lijst, door de betreffende werkwoorden (klassikaal) in te oefenen, ze te verwerken in oefeningen die je doet, enz.

‘Aan het’ + infinitief

aan het infinitief

Hoe gebruik je de constructie aan het + infinitief?

De constructie aan het + infinitief heet ook wel een duratief. Dat wil zeggen dat het gaat om een handeling die enige tijd duurt, en waar niet per se een eind aan zit. De infinitief moet ook echt een handeling uitdrukken. De volgende zinnen zijn bijvoorbeeld niet mogelijk:

  • Ik ben een televisie aan het hebben. (hebben is niet iets wat je doet)
  • Hij was de finish om 14.03 aan het bereiken. (dit duurt niet enige tijd)

Het hulpwerkwoord bij aan het + infinitief is meestal zijn, maar ook de werkwoorden blijken, lijken, schijnen, blijven, gaan, raken, slaan, brengen, maken, krijgen, zetten, hebben¸ houden, horen, zien en vinden zijn mogelijk. Enkele voorbeelden:

  • Haar vraag bracht me aan het twijfelen.
  • Na veel gedoe kregen we de motor weer aan het draaien.
  • De matrozen sloegen aan het muiten.

Als er nog een lijdend voorwerp bij staat, komt dat meestal voor aan het, maar als het lijdend voorwerp nauw verbonden is met de infinitief, kan het er ook wel tussen komen, maar heel gewoon is dat niet.

  • Zijn jullie nou alweer aan het ruzie maken!
  • Simon is aan het koffie zetten.

Engels

Deze constructie lijkt erg op de Engelse -ing-vorm (het gerundium of de present continuous), maar ze zijn niet helemaal hetzelfde. De constructie aan het+ infinitief is altijd gekoppeld aan een specifiek moment, nu of in het verleden, bij het Engelse gerundium is dat niet per se het geval.

  • Het is aan het regenen, dus ik blijf binnen.
  • Ik ben aan het koken, dus ik kan de deur niet opendoen.
  • Ik wilde op de fiets gaan, maar het was aan het regenen.
Oefenen in de les

Je kunt deze constructie het best introduceren tussen A1 en A2 in, met alleen het hulpwerkwoord zijn. De andere mogelijkheden komen echt pas op B1 of B2. Je kunt dit heel goed oefenen met een praatplaat of bijvoorbeeld een schilderij. Denk bijvoorbeeld eens aan Jan Steen (kan je meteen het gezegde ‘een huishouden van Jan Steen’ bespreken) of Hendrick Avercamp. Eigenlijk is elke afbeelding waarop veel mensen verschillende dingen aan het doen zijn goed. Zoek vooral iets wat aansluit bij het thema van je les.

Om de verleden tijd te oefenen kun je vragen naar gisteren: ‘Wat deed je gisteren om 8.00 uur?’ ‘Om 8.00 uur was ik aan het ontbijten.’

Ook een leuke oefening, uit het boek Zichtbaar Nederlands: werk in duo’s en laat cursisten om de beurt uitbeelden dat ze iets doen. De ander vraagt: ‘Ben je iets aan het eten?’ ‘Ja, maar wat?’ ‘Ben je een appel aan het eten?’ ‘Nee.’ ‘Ben je taart aan het eten?’, enz. tot het geraden is. Daarna ruil je om.

Woordvolgorde: waar staat ‘ook’?

woordvolgorde waar staat ook

Ik vind pizza ook lekker / lekker ook

Ook is een bijwoord, en zo gedraagt het zich ook. Bijwoorden kunnen op verschillende plekken in de zin staan, afhankelijk van het soort zin of het deel van de zin waar ze bij horen. Het gaat hier vooral om ook, maar andere bijwoorden gedragen zich dus vrijwel hetzelfde.

Als ook over het werkwoord of de hele zin gaat, staat het zo ver mogelijk aan het eind van de zin. Dus: op de laatste plaats, of voor het tweede werkwoord.

  • Ik ken jouw buren ook.
  • Gisteren heeft het ook geregend.
  • Morgen kunnen we ook komen.
  • Peter vraagt of jullie ook komen.

Als ook hoort bij een woordgroep die met een voorzetsel begint, een bijvoeglijk naamwoord, of een niet-specifiek zelfstandig naamwoord staat het daarvoor. 

  • Simon gaat ook op de fiets naar school.
  • Ik vind pizza ook lekker.
  • Sara vertelt dat ze ook een nieuwe laptop wil.

In een negatieve zin komt ook normaal gesproken vóór niet.

  • Sara tennist ook niet.
  • Morgen kunnen we ook niet komen. 
  • Ik vind pizza ook niet lekker.

In sommige zinnen kan niet voor ook staan, maar de betekenis is dan wel anders. Je ontkent dan het woord ookOok krijgt dan meestal ook meer nadruk in de uitspraak.

  • We kunnen niet ook morgen komen.
  • Ik heb al koffie. Ik wil niet ook thee.
Oefenen in de les

Veel cursisten willen het woordje ook al vrij snel gebruiken. Je kunt ze in het begin enkele vaste formules aanleren, zonder de regels al te veel uit te leggen. In een les over eten en drinken kun je bijvoorbeeld Ik vind … ook lekker aanleren. 

Pas op een wat hoger niveau heeft het zin om specifieker met ook te oefenen. Het is handig als je cursisten dan de plaats van niet al goed kennen, want eigenlijk gedragen ook en niet zich hetzelfde in de zin (het zijn immers allebei bijwoorden). Bij een sterke groep kun je op die parallel wijzen, maar let erop dat je cursisten niet de in war raken. Oefen eerst met positieve zinnen, en pas later met negatieve. Als je nog verder bent, kun je ook nog oefenen met bijzinnen, als je merkt dat je cursisten daar fouten in maken.

Je kunt je cursisten in tweetallen laten werken en ze allebei een (andere) lijst met zinnen geven, die aansluiten bij het thema van je les, of je geeft willekeurige zinnen.  Bedenk van tevoren met welk type zinnen je wilt laten oefenen:

  • Zinnen met één werkwoord.
  • Zinnen met twee werkwoorden.
  • Ook een voorzetsel.
  • Ook bij een bijvoeglijk naamwoord
  • Ook bij een niet-specifiek zelfstandig naamwoord.

Als het de eerste keer is dat je hiermee oefent, zou ik kiezen voor losse oefeningen met steeds 5 zinnen van elk type. Bij een herhalingsoefening is het juist zinvol om de verschillende types door elkaar te gebruiken. Cursist A leest een zin voor en cursist B herhaalt de zin met ‘ook’.

A: Ik heb een zus.
B: Ik heb ook een zus.
A: Ik heb twee broers.
B: Ik heb ook twee broers.

Je kunt ook je cursisten zelf de regel laten ontdekken. Geef ze dan een lijst met zinnen met ook (alle types), laat dat onderstrepen en laat ze vervolgens de regel formuleren. Daarna kun je met zo’n oefening als hierboven controleren of ze de regel ook kunnen toepassen.

Voor- en achtervoegsels

voorvoegsels achtervoegsels

Een berg (be)klimmen

Er zijn verschillende manieren waarop je in het Nederlands woorden van andere woorden kunt afleiden. Een afleiding bestaat uit een grondwoord met een voorvoegsel (prefix) of achtervoegsel (suffix). Voor- en achtervoegsels veranderen vaak de betekenis van het grondwoord of de manier waarop het gebruikt kan worden. Zo kan een onovergankelijk werkwoord door het toevoegen van het voorvoegsel be- overgankelijk worden. Dat wil zeggen dat je er een lijdend voorwerp bij kunt zetten. Klimmen is bijvoorbeeld onovergankelijk – je kunt niet iets of iemand klimmen, maar beklimmen is overgankelijk. Je kunt bijvoorbeeld een berg beklimmen.

Productief

Niet alle voor- en achtervoegsels zijn productief. Dat wil zeggen dat je ze niet allemaal kunt gebruiken om nieuwe woorden mee te maken. Zo is het achtervoegsel -ig (‘lijkend op’) productief; je kunt het achter allerlei zelfstandige naamwoorden plakken. Maar het voorvoegsel ont-, dat een tegenstelling aangeeft, is niet productief. Naast bestaande werkwoorden als ontladenontsluiten en ontspannen kun je er geen nieuwe werkwoorden mee vormen.

Via de knop hieronder kun je een overzicht downloaden van de meestvoorkomende voor- en achtervoegsels. Daarin staat ook wat de betekenis is en enkele voorbeelden. Een vollediger overzicht vind je in de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS).

Download het overzicht van voor- en achtervoegsels

Oefenen in de les

Begrip van woordvorming maakt het makkelijker om nieuwe woorden te leren. Het is dus goed voor de woordenschat om te bespreken hoe woorden gevormd zijn. Maar het heeft niet zo veel zin om je cursisten alle voor- en achtervoegsels uit hun hoofd te laten leren; beperk je tot de voor- en achtervoegsel die veel voorkomen en die een duidelijke betekenis hebben. Denk bijvoorbeeld aan -baaront--ig en -ing en natuurlijk de verkleinvormen. De verkleinvormen leren cursisten vaak al redelijk snel, andere afleidingen komen pas op hogere niveaus. Je kunt dan een rijtje woorden geven en de cursisten laten bedenken wat het grondwoord is, en wat de betekenis van de afleiding is.

Als je cursisten al een aantal achtervoegsels kennen, kun je ook alleen grondwoorden geven, en ze laten bedenken welke achtervoegsels ze hieraan kunnen toevoegen om nieuwe woorden te vormen. Of laat ze zoveel mogelijk woorden noemen die beginnen of eindigen met een bepaald voor- of achtervoegsel.

Goud is duurder dan zilver

Wanneer gebruik je dan en wanneer als?

De regels voor het gebruik van dan en als zijn eigenlijk niet zo ingewikkeld. Dan gebruik je na een vergrotende trap en na de woorden anderanders en andere.

  • Goud is duurder dan zilver.
  • Frans klinkt anders dan Nederlands.
  • Ik wil andere films kijken dan jij.

Als gebruik je na de woorden evenzo en net zo.

  • Simon is even oud als Catherine.
  • Het Noordpoolgebied warmt twee keer zo snel op als de rest van de aarde.
  • Vrouwen drinken net zo veel alcohol als mannen.

De moeilijkheid zit er natuurlijk in dat ook veel Nederlanders deze regels niet volgen. Dat heeft ermee te maken dat deze regels in de zeventiende eeuw bedacht zijn. In spreektaal zijn ze nooit echt gaan leven. Meer daarover lees je op de website van Onze Taal.

Oefenen in de les

Als je dit behandelt, let er dan op dat je de keuze tussen dan en als niet ophangt aan ‘gelijkheid’ en ‘ongelijkheid’. Zo onthouden veel Nederlanders de regels, wat leidt tot zinnen als ‘Dat is vijf keer zo veel dan in Duitsland.’ Je kunt je NT2-cursisten dus prima bovenstaande ‘officiële’ regel aanleren, en ze daarbij vertellen dat het in de praktijk vaak anders zullen horen. Bedenk goed hoe ‘streng’ je wilt zijn in het handhaven van de regel. Dat hangt wat mij betreft erg af van het doel van je cursisten. Willen zij uiteindelijk op redelijk hoog niveau (schritelijk) communiceren? Dan is het handig als ze de regel goed kennen. 

Je gebruikt deze constructie natuurlijk om zaken met elkaar te vergelijken. Laat bijvoorbeeld plaatjes zien van twee voorwerpen of personen, en laat je cursisten zoeken naar verschillen of overeenkomsten, waarbij ze deze constructies moeten gebruiken. In een fysieke les kun je misschien ook je cursisten zelf als ‘voorwerpen’ gebruiken, en ze laten vergelijken op aspecten als leeftijd, lengte (ook haarlengte), enz. Laat ze ook naar details kijken: wie heeft hogere hakken of grotere handen? Nog een optie is om je cursisten allemaal een aantal knikkers (of andere kleine voorwerpen) te geven, en die hoeveelheden met elkaar te laten vergelijken. Dit kun je natuurlijk ook in een online les doen: maak dan plaatjes van bijvoorbeeld een hand, met daarin een aantal knikkers. Zet er namen bij, of geef de handen allemaal verschillende kleuren, om het praten over de handen makkelijker te maken.