info@av-taaltraining.nl

Spelling van woorden met b-p, d-t, v-f en z-s

Spelling van woorden met b-p, d-t, v-f en z-s

Waarom schrijven we hond en niet hont?

Spelling van woorden met de duo’s b-p, d-t, v-f en z-s is voor NT2-cursistn vaak lastig. Het verschil tussen d en t aan het eind van een woord is niet te horen, maar toch schrijven we hond en niet honden. Waarom is dat?

Uitgangspunten van de spelling

De Nederlandse spelling heeft drie belangrijke uitgangspunten:

  1. de standaarduitspraak
  2. de herkomst van woorden
  3. vormovereenkomst

De spelling van het woord hond heeft met dat laatste uitgangspunt te maken. Dat we kijken naar vormovereenkomst betekent dat we een woord of woorddeel steeds op dezelfde manier schrijven, ook in afleidingen of samenstellingen. Dus omdat we in het meervoud honden duidelijk een d zeggen, schrijven we die ook bij het enkelvoud hond. Op deze manier zijn woorden makkelijker herkenbaar. Hetzelfde geldt bij woorden die op een b eindigen: heb – hebben (niet hep en hebben). 
Toch zijn er op deze regel ook uitzondering: je schrijft niet huiz maar huis (en wel huizen) en niet reiz maar reis (en wel reizen). Dat heeft te maken met een andere regel: een Nederlands woord eindigt nooit op een z of een v. Alleen sommige vrij recente leenwoorden kunnen wel op die letters eindigen.

Stemloos en stemhebbend

Helemaal toevallig is het niet dat dit probleem nou juist bij deze klanken speelt. Even op een rijtje: het gaat om de klanken s – f – t – p. Deze vormen samen met k en ch een bekend groepje: de medeklinkers van soft ketchup (of ’t kofschip voor Nederlanders). Dit zijn allemaal stemloze medeklinkers: als je deze uitspreekt, trillen je stembanden niet mee. De eerste vier hebben stemhebbende tegenhangers, waarbij de stembanden wel meetrillen (z – v – d – b). In het Standaardnederlands hebben de k en ch zo’n tegenhanger niet, maar in sommige dialecten is de g stemhebbend (en rijmen lachen en vlaggen dus niet echt op elkaar).

Oefenen in de les

Voor NT2-leerders geeft een woord als hond of heb problemen bij het uitspreken en bij het schrijven. Om met de uitspraak te beginnen: je moet je cursisten dus leren dat woorden in het Nederlands nooit op stemhebbende klanken eindigen. In simpeler Nederlands: een d spreek je aan het eind van een woord uit als t, en een b als p

Maar dan het schrijven. Allereerst moet je je cursisten leren dat de uitspraak en spelling van een woord niet altijd met elkaar kloppen. Het laten zien van enkelvoud en meervoud geeft vaak veel inzicht. Hond naast honden en heb naast hebben ziet er immer logisch uit. Maar je moet je cursisten ook leren dat woorden niet eindigen op een v of z, en dat die dus veranderen in een f of s

Je zou een kleine lessenserie rondom deze klanken kunnen maken, waarin je elke keer één klank centraal zet. Voor de b kan dat er zo uitzien:

  • Zeg de woorden heb, club, krab, bieb, rib, eb en laat die nazeggen.
  • Schrijf de woorden op het bord (of zet ze in een PowerPoint) en laat ze voorlezen.
  • Zeg de woorden en laat ze opschrijven. Je kunt eventueel enkele woorden in het meervoud zetten of ook wat woorden die wél op een p eindigen toevoegen.

Voor de andere klanken kun je vergelijkbare lesjes maken. Je kunt er overigens ook voor kiezen om per aspect te oefenen: dus eerst de uitspraak, dan voorlezen en tot slot schrijven.

Lees ook deze tips