info@av-taaltraining.nl

Korte uitleg van de werkwoordspelling

korte uitleg van de werkwoordspelling

Hoe zit het ook alweer met de d’s en t’s?

Hoewel veel mensen werkwoordspelling erg lastig vinden, zijn de regels eigenlijk heel duidelijk, en zijn er weinig uitzonderingen. Belangrijk is vooral dat je weet met welke werkwoordsvorm je te maken hebt, zodat je weet welke regel je moet toepassen. Een korte uitleg van de werkwoordspelling.

Presens

In het presens zijn bijna alle werkwoorden regelmatig. De ik-vorm is direct afgeleid van de stam van het werkwoord; soms zijn deze twee hetzelfde, soms zijn er aanpassingen in de spelling (denk aan enkele en dubbele letters en de wisseling van v naar f en van z naar s). In de jij-, u- en hij-vorm komt daar een t achter. Meer over het verschil tussen de stam en de ik-vorm lees je op mijn algemene website.

infinitiefstamik-vormhij-vorm
werkenwerkwerkwerkt
bellenbellbelbelt
stakenstakstaakstaakt
reizenreizreisreist
levenlevleefleeft
meldenmeldmeldmeldt

Onregelmatig in het presens zijn de werkwoorden hebben en zijn en de modale werkwoorden mogenkunnenzullenwillen en moeten.

Imperfectum en perfectum

In de verleden tijden zijn er veel meer onregelmatige werkwoorden. Deze zullen cursisten uit hun hoofd moeten leren. Over het algemeen gaat het om hoogfrequente werkwoorden, wat het leren vergemakkelijkt.

Voor de regelmatige werkwoorden gebruiken we in het Nederlands vaak het ezelsbruggetje van ’t kofschip; in de NT2 is dat meestal soft ketchup. Let erop dat het hier om een ezelsbruggetje gaat, en niet om de regel zelf. De regel is een klankregel, die te maken heeft met stemloze en stemhebbende klanken. Bij stemhebbende klanken trillen je stembanden. Dat is te voelen aan je keel als je bijvoorbeeld de [z] langer aanhoudt. Als de stam van een werkwoord op zo’n stemhebbende klank eindigt, schrijf je in de verleden tijden een (stemhebbende) d. Anders schrijf je een t. De stemloze klanken zijn de kfschp en tLees hier meer over het gebruik van ’t kofschip of de soft ketchup.

Voor de spelling van deze vormen moeten cursisten dus verschillende stappen zetten:

  1. Bepalen wat de infinitief is.
  2. Bepalen wat de stam is en of die eindigt op een van de medeklinkers uit soft ketchup.
  3. De juiste uitgang achter de ik-vorm zetten.  
infinitiefstamik-vormimperfectumparticipium
werkenwerkwerkwerktegewerkt
bellenbellbelbeldegebeld
stakenstakstaakstaaktegestaakt
reizenreizreisreisdegereisd
levenlevleefleefdegeleefd
meldenmeldmeldmelddegemeld
Oefenen in de les

Het is handig om vanaf het begin onderscheid te maken tussen de stam en de ik-vorm van werkwoorden; dat maakt het later makkelijker om de spellingregels toe te passen. Wijs je cursisten ook al snel op enkele eigenaardigheden, zoals de wisseling tussen v en f en z en s. Ook kan het handig zijn om te wijzen op de dt bij werkwoorden waarvan de ik-vorm op een d eindigt.

Bij het aanleren van het imperfectum en het perfectum kun je ook direct de spellingregels hiervoor behandelen. Het ezelsbruggetje van soft ketchup werkt meestal goed. Leg goed uit dat ze voor de keuze tussen d en t moeten kijken naar de stam, maar in de spelling de ik-vorm als basis gebruiken. 

Het kan handig zijn om specifiek te oefenen met de spelling van deze woorden, bijvoorbeeld door een rijtje werkwoorden op te geven en daarvan het imperfectum en participium (het voltooid deelwoord) te laten opschrijven. Ook kun je de juiste vorm laten invullen in zinnen. Verder geef je bij fouten hierin in schrijfopdrachten natuurlijk feedback. In het begin kun je prima de juiste vorm geven, maar als je ergens mee geoefend hebt, is het zinvoller om alleen aan te geven dat het woord niet juist is geschreven, en de cursist zelf te laten opzoeken wat wel de juiste vorm is. Op die manier slijt de kennis van de regels beter in.

Vooral werkwoorden als beloven en gebeuren zijn lastig, omdat het presens en het participium daarvan hetzelfde klinken

1 thought on “Korte uitleg van de werkwoordspelling”

Comments are closed.

Lees ook deze tips