info@av-taaltraining.nl

Het meervoud vormen

het meervoud vormen

Hoe vorm je het meervoud van zelfstandig naamwoorden?

In het Nederlands zijn er twee manieren om het meervoud van een zelfstandig naamwoord te vormen: je voegt -en of -s toe aan het enkelvoud. Volgens de spellingregels is het soms nodig om een apostrof voor die -s te zette, wat veel methodes onderscheiden als aparte meervoudsvorm. Ook zijn er enkele onregelmatige meervoudsvormen.

De meeste zelfstandige naamwoorden hebben een meervoud op -en. Daarbij kan wel het een en ander veranderen in de spelling.

  • raam – ramen
  • vis – vissen

Zie ook het advies over enkele en dubbele letters.

In veel woorden is ook een wisseling van f naar v en van s naar z.

  • brief – brieven
  • huis – huizen

Woorden die een meervoud met -s krijgen zijn: verkleinwoorden, persoonsnamen op -ier, vrouwelijke persoonsnamen op -e en -ster.

  • kopje – kopjes
  • koerier – koeriers
  • secretaresse – secretaresses
  • verpleegster – verpleegsters

Daarnaast zijn er nog enkele (mannelijke) persoonsaanduidingen die in het meervoud een -s krijgen.

  • broer – broers
  • oom – ooms
  • zoon – zoons (zonen komt alleen in formeel taalgebruik voor)
  • kok – koks
  • bruidegom – bruidegoms

Daarnaast krijgen woorden die uit andere talen zijn geleend meestal ook een meervoud op -s.

  • film – films
  • computer – computers

Ook woorden die eindigen op een van de volgende onbeklemtoonde lettergrepen hebben meestal een meervoud op -s (maar soms komen beide vormen voor).

  • -el: tafels
  • -en:gegevens 
  • -er: komkommer
  • -em: bezems
  • -erd: lieverds

Bij woorden op -e komen vaak beide vormen voor: ziekten – ziektes, gemeente – gemeenten.

Woorden die eindigen op een klinker krijgen ook een meervoud op -s. Vanwege de spellingsregels komt hier een apostrof voor:

  • oma – oma’s
  • foto – foto’s
  • taxi – taxi’s
  • menu – menu’s
  • baby – baby’s

Tot slot zijn er enkele onregelmatige meervouden. In sommige gevallen is de klinker in het enkelvoud kort en in het meervoud lang.

  • dag – dagen
  • weg – wegen
  • slot – sloten

Soms verandert de klinker.

  • lid – leden
  • stad – steden

In sommige gevallen krijgt het meervoud de uitgang -eren.

  • kind – kinderen
  • ei – eieren
  • lied – liederen

Helemaal volledig is dit overzicht niet; zie daarvoor bijvoorbeeld de Grammatica voor anderstaligen, van A.M. Fontein en A. Pescher-ter Meer.

Oefenen in de les

Veel meervoudsvormen komen op heel natuurlijke vorm voor je in je les, omdat je die nu eenmaal veel gebruikt. Als het onderwerp in je methode wordt behandeld, of als er vragen over komen van je cursisten, kun je wat meer vertellen over de regels. Dat doe ik overigens nooit zo gedetailleerd als hierboven. Vooral over de uitzonderingen ben ik veel korter. Ik benoem enkele woorden die we al gehad hebben. Wel wijs ik erop dat het lidwoord in het meervoud altijd de is, ook bij woorden die in het enkelvoud het hebben.

De werkvorm die ik het meest gebruik voor het oefenen met meervouden (afgezien van gesprekken waarin ze voorkomen) is deze: Ik geef ze een stapel met kaartjes waarop woorden staan die we al gehad hebben, en vraag ze daarbij het meervoud te bepalen. Dat doe ik meestal in duo’s. 

Je kunt ook hele zinnen in het meervoud laten zetten, dan oefen je meteen ook de werkwoordsvormen nog een keer. Geef dan zinnen als ‘Hij heeft een boek’, waar van de cursisten moeten maken ‘Zij hebben twee boeken’ (of laat ze variëren met de telwoorden om die weer eens te oefenen).

Lees ook deze tips