info@av-taaltraining.nl

Woordvolgorde in enkelvoudige zinnen

woordvolgorde in enkelvoudige zinnen

Wat is de woordvolgorde in enkelvoudige zinnen?

Woordvolgorde is een lastig onderwerp, niet alleen voor NT2-leerders, maar ook voor docenten. En zelfs voor taalkundigen. In de meest volledige beschrijving van het Nederlands, de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS), gaan bijna 200 bladzijden over dit onderwerp. Er is dus nogal wat over te zeggen.

Hier behandel ik de basis: de woordvolgorde in enkelvoudige zinnen, oftewel: korte hoofdzinnen. Cursisten komen al snel verschillende soorten zinnen tegen:

  • Gewone hoofdzin: Zij heeft in Indonesië Nederlands geleerd.
  • Hoofdzin met inversie: In Indonesië heeft zij Nederlands geleerd.
  • Ja/nee-vraag: Heeft zij in Indonesië Nederlands geleerd?
  • Vraagwoordvraag: Waar heeft zij Nederlands geleerd?

Als je de woordvolgorde in deze zinnen analyseert, kom je tot de volgende volgordes:

  • Gewone hoofdzin: onderwerp – persoonsvorm – overige zinsdelen – overige werkwoorden
  • Hoofdzin met inversie: plaatsbepaling – persoonsvorm – onderwerp – overige zinsdelen – overige werkwoorden
  • Ja/nee-vraag: persoonsvorm – onderwerp – overige zinsdelen – overige werkwoorden
  • Vraagwoordvraag: vraagwoord – persoonsvorm – onderwerp – overige zinsdelen – overige werkwoorden

Een aantal zaken vallen hierbij op:

  1. Onderwerp en persoonsvorm staan altijd naast elkaar.
  2. Overige werkwoorden staan altijd aan het eind van de zin.
  3. In de meeste gevallen staat de persoonsvorm op de tweede plaats van de zin.

Elders op deze website lees je meer over welke zinsdelen voorop kunnen staan bij zinnen met inversie en over de volgorde van de overige zinsdelen.

Oefenen in de les

Het is belangrijk dat cursisten de woordvolgorde in enkelvoudige zinnen goed beheersen voor je verder gaat met moeilijkere zinnen. Je kunt hier op heel veel manieren mee oefenen. Wat ik vaak doe, is de volgende oefening: ik heb kaartjes gemaakt met daarop de woorden van een aantal eenvoudige zinnen (die kun je zelf bedenken of uit je methode halen). Gebruik bekende woorden en beperk in het begin het aantal zinsdelen. Welke zinnen geschikt zijn, hangt erg af van je cursisten. Heb je langzame leerders, begin dan met heel eenvoudige zinnen met een onderwerp, persoonsvorm en lijdend voorwerp (‘De man leest een boek’). Bij snellere leerders kun je meer elementen in een zin stoppen. Ik gebruik bijvoorbeeld ook de zin ‘Kinderen gaan in Nederland op de fiets naar school’. Zorg er in het begin in elk geval voor dat er (voor de gewone hoofdzinvolgorde) maar één mogelijke volgorde is, maak zinnen in enkelvoud en meervoud en (als je dat al hebt behandeld) meerdere werkwoorden (bijvoorbeeld een modaal werkwoord en een infinitief). 

Van die kaartjes laat ik de verschillende soorten zinnen maken. Ik geef vaak eerst uitleg over woordvolgorde, maar je kunt ze ook laten puzzelen, en dan zelf laten ontdekken wat de juiste volgorde is. Het kan daarbij helpen als je bijvoorbeeld de persoonsvorm een eigen kleur geeft – zeker visueel ingestelde cursisten hebben daar baat bij. Ze zien dan vaak vrij snel hoe weinig je hoeft te veranderen om van een hoofdzin een vraagzin te maken.

Om het maken van zinnen te oefenen gebruik ik ook vaak het NT2 Taalspel. Zeker bij beginners is het handig om een selectie van de werkwoorden te maken, maar je kunt er al heel snel mee aan de slag, vind ik. Ik gebruik dan alleen de dobbelstenen voor onderwerp en zinsoort, dat werkt heel goed.

3 thoughts on “Woordvolgorde in enkelvoudige zinnen”

Comments are closed.

Lees ook deze tips