info@av-taaltraining.nl

Perfectum of imperfectum?

perfectum of imperfectum

Wanneer gebruik je het perfectum (de voltooide tijd) en wanneer het imperfectum (de onvoltooid verleden tijd)?

Het Nederlands kent twee vormen voor de verleden tijd: het perfectum en het imperfectum. In de meeste methodes wordt eerst het perfectum behandeld en daarna het imperfectum. Dat is ook logisch, omdat we die eerste vorm het meest gebruiken.

De cursisten moeten natuurlijk eerst weten hoe de werkwoordstijden gevormd worden. Dat is voor de meeste docenten niet zo lastig uit te leggen. Het verschil in gebruik is dat voor velen wel. Dat komt vooral doordat het verschil niet altijd duidelijk is. In veel situaties zijn beide tijden mogelijk. Hoewel dat soms wat verwarrend is, is het belangrijk om cursisten hierop te wijzen – ze kunnen het dan dus ook niet fout doen.

In grote lijnen gelden de volgende regels. Het perfectum gebruik je als je het hebt over iets wat nu afgerond is. Het imperfectum gebruik je in veel meer situaties:

  • Als je een situatie of handeling in het verleden beschrijft.
  • Als je het hebt over iets wat vroeger een gewoonte was, of langere tijd zo was.
  • Als je kort op elkaar volgende handelingen beschrijft.

Een mooie uitleg vind je ook op de website Zichtbaar Nederlands. Elders op deze website vind je uitleg over de keuze tussen zijn en hebben in het perfectum.

Oefenen in de les

In de les behandel je meestal eerst het perfectum en daarna pas het imperfectum, zodat de cursisten goed de vormen leren kennen en gebruiken. Daarna kun je uitleggen wanneer je welke vorm gebruikt. Een veelgebruikte werkvorm is de cursisten laten praten over gebeurtenissen van kort of langer geleden (‘Wat heb je gisteren gedaan?’ ‘Wat deed je toen je 10 was?’). Je kunt cursisten ook een tekst voorleggen die over het verleden gaat en samen kijken welke verleden tijden er gebruikt zijn, en waarom dat zo is. Dat kun je natuurlijk ook doen met een filmpje, als je meer gesproken taal wilt oefenen. Ook kun je een verhaaltje omzetten van de tegenwoordige tijd naar de verleden tijd. Zorg daarbij voor een tekst waarin je op natuurlijke wijze beide tijden door elkaar gebruikt. Laat cursisten hun uitwerkingen met elkaar vergelijken (of laat de opdracht in groepjes uitvoeren), en bespreek waar ze tot verschillende keuzes komen. Zijn inderdaad beide tijden mogelijk? Als moedertaalspreker voel je zelf waarschijnlijk goed aan of dat zo is of niet. Dit soort oefeningen helpen je cursisten om daar ook gevoel voor te ontwikkelen.

Een voorbeeld:
Dit weekend was het Pasen. We zijn naar mijn schoonfamilie geweest en hebben daar heerlijk geluncht. We hadden broodjes, scones, zalm, kaas, lekker drinken en natuurlijk geverfde eieren! Na het eten hebben we een hele tijd buiten op hun terras gezeten, terwijl de kinderen samen speelden. Het was erg gezellig. Aan het eind van de middag gingen we weer naar huis.

Kun je van elke zin bedenken waarom die tijd gebruikt is? En is de andere ook mogelijk? In sommige gevallen is dat zeker zo, maar niet altijd. Dat komt doordat de grens tussen ‘beschrijving van een situatie in het verleden’ en ‘iets wat nu is afgelopen’ niet altijd heel duidelijk is, en ook niet altijd relevant is. In dat geval kun je prima beide tijden gebruiken.

1 thought on “Perfectum of imperfectum?”

Comments are closed.

Lees ook deze tips