info@av-taaltraining.nl

‘Het’ of ‘hij’ bij een de-woord?

het of hij bij een de-woord

Waarom gebruik je in deze zin eerst het en daarna hij om naar film te verwijzen? Het was een prachtige film, hij ging over …

Verwijswoorden passen zich in het Nederlands aan aan het woord waar je naar verwijst. Je verwacht dus dat je naar een de-woord verwijst met hij, maar in sommige zinnen kun je ook het gebruiken. Wanneer gebruik je nou het of hij bij een de-woord?

In het eerste deel van deze zin, ‘Het was een prachtige film’, staat een naamwoordelijk gezegde. Dat bestaat uit een koppelwerkwoord (Weet je het rijtje nog? Zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen) en een naamwoordelijk deel, dat ook wel predicaat wordt genoemd. Als dat predicaat als kern een zelfstandig naamwoord heeft met een lidwoord, bezittelijk voornaamwoord of telwoord ervoor, dan is het onderwerp van de zin het, dit of dat.

Enkele voorbeelden:

  • Het schijnt een spannend boek te zijn.
  • Wie is dat? Dat is mijn tante.

In het tweede deel van de zin Het was een prachtige film, hij ging over … staat een werkwoordelijk gezegde. Het voornaamwoord moet dan in geslacht passen bij het woord waar het naar verwijst (film), vandaar dat hier het onderwerp van de zin hij is.

Een heel duidelijke uitleg over het verschil tussen naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde staat trouwens ook op het weblog van de Taalprof.

Oefenen in de les

In je uitleg naar cursisten zou ik termen als koppelwerkwoord en naamwoordelijk gezegde vermijden, en meer naar de betekenis kijken. In al deze zinnen vertel je wat iemand of iets is. (De film is prachtig, het boek is spannend, de vrouw is mijn tante). Geef vooral veel voorbeelden. Besteed ook aandacht aan de persoonsvorm: die past zich aan aan het predicaat, niet aan het onderwerp (dus: Het zijn lekkere appels en niet Het is lekkere appels).

Daarna kun je in verschillende zinnen het juiste woord laten invullen. Ik zou daarbij trouwens de werkwoorden heten, dunken en voorkomen niet noemen, omdat die erg weinig voorkomen. Bij zijn kan het goed zijn om de verschillende betekenissen van het werkwoord te bespreken (als het ‘bestaan’ of ‘zich bevinden’ betekent, is het geen koppelwerkwoord, maar een zelfstandig werkwoord).

1 thought on “‘Het’ of ‘hij’ bij een de-woord?”

Comments are closed.

Lees ook deze tips